2006/77 onbevoegd

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
M. Kat
 
tegen
 
hoofdredacteur van NRC Handelsblad
 
Bij brief met één bijlage, door de Raad ontvangen op 30 augustus 2006, heeft M. Kat te Amsterdam (hierna: klager) een klacht ingediend tegen (de hoofdredacteur van) NRC Handelsblad (hierna: verweerder). De secretaris van de Raad heeft klager bij brief van 1 september 2006 meegedeeld dat de Raad eerst zal beoordelen of hij bevoegd is over de klacht te oordelen. F. Jensma, hoofdredacteur, heeft zich over de bevoegdheid van de Raad uitgelaten in een brief van 5 september 2006. Klager heeft daarop nog gereageerd in een schrijven van 18 september 2006.
 
De bevoegdheid van de Raad is beoordeeld ter zitting van de Raad van 28 september 2006 buiten aanwezigheid van partijen.
 
DE FEITEN
 
In de week van 14 augustus 2006 heeft klager telefonisch contact opgenomen met NRC Handelsblad. De telefoniste heeft klager toen niet doorverbonden met iemand van de economieredactie, maar met een beveiligingsmedewerker van PCM Uitgevers.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat hij in de week van 14 augustus 2006 een tip ontving dat de plaatsvervangend chef van de redactie Economie van NRC Handelsblad per september de functie zou gaan bekleden van hoofd Communicatie bij de AIVD. Omdat klager deze melding van groot journalistiek belang achtte, heeft hij telefonisch contact opgenomen met NRC Handelsblad om de tip te verifiëren. Daarop werd hij doorverbonden met het Hoofd Beveiliging c.q. iemand van de desbetreffende facilitaire dienst. Volgens klager meldde deze persoon hem dat klager moest ophouden met het lastigvallen van NRC Handelsblad en maatregelen tegemoet kon zien als dat niet gebeurde. Ook werd hem medegedeeld dat de telefonistes waren geïnstrueerd om klager niet door te verbinden. Klager heeft dat gecheckt bij de telefonistes en dat bleek inderdaad het geval.
Klager voegt hieraan toe dat hij zich op het bewuste moment onder zijn eigen naam heeft gemeld. Hij heeft enige dagen daarvoor onder een andere naam gebeld, die van een medewerker van de AIVD, en werd toen wél doorverbonden naar het mobiele nummer van een redacteur. Hij heeft zich bij die gelegenheid gemeld onder een andere naam, nadat hem onder zijn eigen naam tot drie maal toe de toegang tot de desbetreffende redacteur onmogelijk was gemaakt.
Klager betoogt dat de werkwijze van NRC Handelsblad richting zijn persoon in strijd is met al hetgeen dat als journalistiek betamelijk moet worden geacht. Volgens klager heeft NRC Handelsblad zich verlaagd tot dergelijke intimidaties en praktijken, terwijl hij slechts meldingen verifieert. Dit klemt te meer daar hoofdredacteur Jensma hem er bij herhaling van heeft beschuldigd dat hij de feiten niet zou controleren. Nu blijkt dat Jensma zijn ondergeschikten opdraagt het hem onmogelijk te maken informatie te checken, aldus klager.
 
Jensma stelt dat het handelen van telefonistes en beveiligingsmedewerkers niet aangemerkt kan worden als journalistieke gedraging in de zin van de statuten van de Raad, zodat de Raad niet bevoegd is om de klacht te beoordelen.
Voor het geval de Raad zich toch bevoegd acht, merkt Jensma op dat klager onder valse naam heeft geprobeerd telefonisch toegang te krijgen tot de redactie. Volgens verweerder worden dergelijke telefoontjes standaard niet geaccepteerd. In dit geval was het handelen van de betrokken medewerkers redelijk en in proportie tot de poging tot misleiding van klager.
 
BEOORDELING VAN DE BEVOEGDHEID
 
De klacht heeft betrekking op handelingen van telefonistes en beveiligingsmedewerkers van PCM Uitgevers en op de opdracht aan die medewerkers om klager niet meer door te verbinden naar de redactie.
 
Ingevolge artikel 3 lid 1 van de Statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek heeft de Raad tot taak om in de bij hem aanhangig gemaakte zaken betreffende journalistieke gedragingen te beoordelen of de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
Krachtens artikel 4 lid 1 van deze Statuten wordt onder journalistieke gedraging verstaan: een handelen of nalaten van een journalist in de uitoefening van zijn beroep. Ingevolge het tweede lid van artikel 4, aanhef en sub c, voor zover thans van belang, moet onder journalist worden verstaan: "degene die, hetzij in dienstverband, hetzij als zelfstandige, er zijn hoofdberoep van maakt mede te werken aan de redactionele leiding of redactionele samenstelling van programma's die worden verspreid door radio of televisie, voor zover deze bestaan uit nieuws, reportages, beschouwingen of rubrieken van informatieve aard".
 
De klacht heeft enerzijds betrekking op gedragingen van telefonistes en beveiligings-medewerkers van PCM Uitgevers. Het gaat hier niet om gedragingen van journalisten, zodat de Raad niet bevoegd is daarover te oordelen.
 
Anderzijds heeft de klacht betrekking op een instructie van Jensma aan zijn medewerkers. Anders dan klager heeft betoogd, zijn deze instructies van arbeidsrechtelijke aard en kunnen zij niet worden beschouwd als ‘journalistieke gedraging’ in de zin van de Statuten. De Raad acht zich derhalve evenmin bevoegd om een inhoudelijk oordeel te geven over deze instructies.
 
BESLISSING
 
De Raad is niet bevoegd over de klacht te oordelen.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 24 oktober 2006 door mr. A. Herstel, voorzitter, mw. F.W. Dresselhuys, mw. E.H.C. Salomons, mr. A.H. Schmeink, prof. drs. E. van Thijn, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P. Blok, plaatsvervangend secretaris.