2006/76 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
het Koninklijk Nederlands Instituut van Registeraccountants (NIVRA) 
 
tegen
 
H. Amesz en de hoofdredacteur van Accountancynieuws
 
Bij brief van 20 juni 2006 met acht bijlagen heeft het Koninklijk Nederlands Instituut van Registeraccountants (NIVRA) te Amsterdam (hierna: klager) een klacht ingediend tegen H. Amesz en de hoofdredacteur van Accountancynieuws (hierna: verweerders). Hierop heeft F.J.M. Heitling, hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 26 juli 2006 met drie bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 28 september 2006. Namens klager zijn daar verschenen mw. mr. J.K. Drewes en B.J.G. Wammes, jurist respectievelijk hoofd public affairs & ledenservice van klager. Aan de zijde van verweerders waren aanwezig voornoemde Heitling, mw. drs. A. Oord, eindredacteur, drs. E.-J. Willemsen, uitgever, en H. Amesz, freelancer. Mr. Drewes heeft het standpunt van klager toegelicht aan de hand van een notitie.
 
DE FEITEN
 
Accountancynieuws is een tweewekelijks onafhankelijk vakblad voor accountants. In het blad wordt onder meer in de rubriek ‘tuchtrecht’ verslag gedaan van tuchtzaken tegen accountants. Het klaagschrift is gericht tegen de volgende artikelen (voor een groot deel) van de hand van Amesz, waarin dergelijke tuchtzaken aan de orde zijn:
  • van 9 december 2005: “Faillissement na waarde-indicatie”;
  • van 23 december 2005: “Retentierecht”;
  • van 10 februari 2006: “Oud-schooldirecteur dient klacht in tegen registeraccountants KPMG”;
  • van 7 april 2006: “Uitspraken”;
  • van 5 mei 2006: “Geen reactie op verzoek aanpassing jaarrekening”;
  • van 5 mei 2006: “Een kloof van € 80,4 miljoen”;
  • van 19 mei 2006: “Niet onder één hoedje gespeeld met opdrachtgever”;
  • van 2 juni 2006: “NIVRA daagt RA's voor tuchtraad”.
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat verweerders, door in de artikelen de volledige namen te vermelden van de accountants waartegen een klacht is ingediend, journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld. Klager is niet van mening dat de namen van accountants die tuchtrechtelijk zijn veroordeeld nooit bekend gemaakt zouden mogen worden. Het kan zeker in het belang van de maatschappij en de beroepsgroep zelf zijn om kenbaar te maken dat bepaalde personen in strijd met de eer van de stand of beroepsregels hebben gehandeld.
Er moet echter altijd een grondige afweging plaatsvinden tussen het maatschappelijk belang dat met de bekendmaking van de persoonsgegevens wordt gediend en het belang van de betrokken accountant tot bescherming van zijn privacy, voordat tot de publicatie van de persoonsgegevens wordt overgegaan. Klager stelt dat niet is gebleken dat verweerders bij de gewraakte publicaties een dergelijke belangenafweging hebben gemaakt, nu zij standaard overgaan tot de vermelding van de volledige naam van de betrokken accountant. Klager meent dat er in de gewraakte publicaties geen maatschappelijk relevante reden is om niet af te zien van de gebruikelijke praktijk om de namen van verdachten te anonimiseren.
Klager vindt wel dat de namen van degene tegen wie een klacht is ingediend in principe niet bekend moeten worden gemaakt vóór er uitspraak is gedaan. In een dergelijk geval is er – uitzonderingen daargelaten – geen gerechtvaardigd belang om persoonsgegevens openbaar te maken. Maar ook ná de uitspraak kan het zijn dat een maatschappelijk belang ontbreekt om de naam van de tuchtrechtelijk veroordeelde accountant te publiceren. Dit is onder meer het geval bij de publicaties van 9 december 2005 en 7 april 2006, waar het gaat om een accountant die inmiddels gepensioneerd is. De inbreuk die wordt gemaakt op de privacy van de betrokkene is in dat geval disproportioneel, aldus klager.
Hij acht verder van belang dat ingevolge de Wet op de registeraccountants het tuchtcollege kan bepalen dat een uitspraak openbaar wordt gemaakt. De wetgever heeft op dit punt een verantwoordelijkheid gegeven aan de tuchtrechter, die deze moet uitoefenen in het algemeen belang.
Verder wijst klager erop dat de procedure in het tuchtrecht erg laagdrempelig is en dat elke klacht inhoudelijk wordt beoordeeld. Derhalve kunnen situaties ontstaan waarbij de volledige naam van een accountant door verweerders wordt vermeld, terwijl sprake is van een onzinnige klacht, die bijvoorbeeld is ingediend door een wrokkige klant. Bovendien kan een registeraccountant tuchtrechtelijk veroordeeld worden voor handelingen in de privésfeer.
Ook acht klager de uitspraken van de Raad voor de Journalistiek over het publiceren van persoonlijke gegevens van verdachten in een strafproces van belang. Klager erkent de bijzondere situatie van het tuchtrecht en de omstandigheid dat dit niet volledig is te vergelijken met het strafrecht. Niettemin is bij het publiceren van persoonsgegevens in tuchtzaken ook terughoudendheid geboden. Deze terughoudendheid hebben verweerders onvoldoende in acht genomen, aldus klager.
Ten slotte stelt klager dat de verslaglegging van verweerders soms tendentieus en onnodig grievend is. Zo wordt bijvoorbeeld in de artikelen over de hoorzittingen vooruitgelopen op de uitspraak van de tuchtrechter.
Klager concludeert dat verweerders met de publicaties hebben gehandeld in strijd met hun journalistieke verantwoordelijkheid.
 
Verweerders stellen voorop dat de accountant een openbare vertrouwensfunctie bekleedt en taken heeft die hem bij wet zijn toegekend. De waarde van een accountantsverklaring in het maatschappelijke en economische verkeer is bijzonder groot. Volgens verweerders zijn juist daarom publicaties over aanhangige tuchtzaken van belang. Een accountant wordt geacht het vertrouwen dat hem wordt gegeven om wettelijke en niet-wettelijke taken uit te oefenen, niet te beschamen. In zijn publieke functie kent de accountant rechten en plichten, onder meer om zich te verantwoorden over zijn beroepsmatige activiteiten. Wanneer dat in alle openheid gebeurt, krijgt die verantwoordelijkheid extra perspectief en waarde. Bij een openbaar beroep met een openbare functie en een maatschappelijke verantwoordelijkheid hoort derhalve een openbaar tuchtrecht. Dat krijgt pas echt gestalte wanneer de publieke functionaris met naam en toenaam wordt genoemd, aldus verweerders. Zij achten in dat verband ook van belang dat een accountant titelbescherming geniet. Overigens zijn de zittingen van de tuchtzaken openbaar, zodat een ieder van de klacht en de identiteit van de betrokken accountant kennis kan nemen.
Verweerders betogen dat er derhalve een gerechtvaardigd belang is om de namen te vermelden van de accountants die in tuchtzaken betrokken zijn. Dit geldt ook voor het door klager aangehaalde geval dat de accountant inmiddels gepensioneerd is. Ook in die casus is de accountant aangesproken op het gegeven dat blijkbaar een misverstand bestaat over zijn rol en taak als openbare accountant en de indruk die daarover naar buiten toe wordt gewekt. In de beroepsregels van de accountants staat nadrukkelijk dat zij verantwoordelijk zijn voor hun handelen gedurende de tijd dat zij ingeschreven staan in het register en hun functie uitoefenen. In dat verband wijzen verweerders er nog op dat ingevolge de Wet toezicht accountants-organisaties, die op 1 oktober 2006 in werking treedt, een accountantsorganisatie de integriteit van haar bedrijf en de daar werkzame accountants moet waarborgen. Indien de integriteit wordt geschonden, kan dat tot maatregelen tegen een betrokken accountant leiden. Dat gaat in consequenties veel verder dan het noemen van namen in Accountancynieuws, aldus verweerders.
Ten slotte stellen zij dat de artikelen neutraal zijn geschreven en niet meer behelzen dan een zakelijk verslag. Persoonlijke zaken komen in de berichtgeving ook niet aan de orde. In dat verband wijzen verweerders erop dat Accountancynieuws een vakblad is met een oplage van 25.000 en niet algemeen verkrijgbaar is. De berichtgeving over tuchtzaken wordt door de beroepsgroep gewaardeerd vanwege het lerend effect.
 
BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID ten aanzien van het artikel van 9 december 2005
 
Ingevolge artikel 2a, eerste lid, van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek moet een klaagschrift worden ingediend binnen 6 maanden nadat de journalistieke gedraging, waartegen de klacht is gericht, heeft plaatsgevonden. In beginsel is een klager in zijn klacht niet-ontvankelijk indien hij het klaagschrift niet tijdig heeft ingediend. Niet-ontvankelijkverklaring op deze grond blijft alleen dan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de klager in verzuim is geweest.
 
Vast staat dat de klacht tegen het artikel van 9 december 2005 niet binnen de termijn van zes maanden bij de Raad is binnengekomen. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van omstandigheden op grond waarvan het niet tijdig indienen van de klacht klager redelijkerwijs niet kan worden tegengeworpen. Dit leidt ertoe dat klager in zijn klacht betreffende het artikel van 9 december 2005 niet-ontvankelijk is.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT ten aanzien van de overige artikelen
 
De kern van de klacht is dat verweerders ten onrechte nalaten voorafgaand aan publicaties over tuchtzaken een belangenafweging te maken en standaard de namen van de betrokken accountants vermelden. De Raad zal zich tot die kern beperken. Daarbij dienen de volgende twee gevallen te worden onderscheiden:
  1. berichtgeving over hoorzittingen, vóórdat uitspraak is gedaan;
  2. publicaties van (samenvattingen van) uitspraken.
De Raad stelt voorop dat een nieuwsbericht zoveel mogelijk de gegevens dient te bevatten, die het het publiek mogelijk maken zich een waarheidsgetrouw beeld van het desbetreffende nieuwsfeit te vormen. Daartegenover staat dat, volgens het vaste oordeel van de Raad, de journalistieke verantwoordelijkheid met zich brengt dat de persoonlijke levenssfeer van degene over wie wordt gepubliceerd, niet verder mag worden aangetast dan in het kader van een open berichtgeving nodig is.
Bovendien is, volgens het vaste oordeel van de Raad, ten aanzien van het vermelden van persoonlijke gegevens van verdachten c.q. veroordeelden bijzondere terughoudendheid geboden. Een journalist dient zoveel mogelijk te voorkomen dat hij gegevens publiceert met behulp waarvan een verdachte of veroordeelde op eenvoudige wijze kan worden geïdentificeerd. Dat de identiteit van de betrokkene door een reportage bekend wordt, maakt de reportage evenwel op zichzelf niet onzorgvuldig, ook al is sprake van een inbreuk op de privacy van betrokkene. Een dergelijke inbreuk overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek alleen dan, indien deze inbreuk niet in redelijke verhouding staat tot het doel van de publicatie en derhalve een disproportionele aantasting van het privé-leven van de betrokkene vormt. Er dient derhalve een afweging plaats te vinden tussen het belang van de betrokkene bij de bescherming van zijn privacy enerzijds en mogelijke belangen van derden en het maatschappelijke belang anderzijds.

Tuchtzaken kunnen in zekere zin worden vergeleken met strafzaken. Bij tuchtzaken gaat het echter altijd om handelen van de betrokkene in de uitoefening van zijn beroep, de ‘onderneming’ van de betrokkene, en niet om zijn persoon. Met de openbaarmaking van tuchtrechtelijk verwijtbare fouten door advocaten, artsen, notarissen en soortgelijke functionarissen in de uitoefening van hun beroep, is het algemeen belang gemoeid. Het belang van de ‘onderneming’ van de betrokkene, dat mogelijk door die openbaarmaking wordt geschaad, valt niet onder het privacybelang dat de hiervoor gestelde norm beoogt te beschermen. Daarbij komt dat in dergelijke kwesties in het algemeen door de vermelding van de naam van de betrokkene wordt voorkomen dat verwarring met diens beroepsgenoten ontstaat. (vgl. onder meer: Ruissen tegen HP/De Tijd, RvdJ 2006/15 en X tegen HP/De Tijd, RvdJ 2006/17)
 
Ad 1.
In het geval dat sprake is van een verslag van een hoorzitting in een tuchtzaak, kan nog niet met zekerheid worden vastgesteld dat sprake is van een 'tuchtrechtelijk verwijtbare fout' door de betrokken accountant. Dit is immers pas mogelijk nadat de tuchtrechter een uitspraak in de desbetreffende kwestie heeft gedaan.
 
Naar het oordeel van de Raad kan het maatschappelijk belang van het publiceren van de naam van de betrokken accountant in een dergelijk geval dan ook niet zijn gelegen in het kenbaar maken van een tuchtrechtelijk verwijtbare fout of misslag. Ook overigens is niet gebleken van een maatschappelijk belang dat met openbaarmaking van de persoonsgegevens van de betrokken accountants is gediend, en dat bovendien zwaarder dient te wegen dan de individuele belangen van die accountants.
 
Verweerders hadden in deze gevallen de publicaties kunnen anonimiseren voor zover het de namen van de betrokken accountants betrof, zonder dat afbreuk zou zijn gedaan aan de inhoud en nieuwswaarde ervan.
 
Door dit na te laten hebben verweerders de privacy van die accountants disproportioneel geschaad en derhalve de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
Ad 2.
Waar het gaat om publicaties van uitspraken in tuchtzaken kan een onderscheid worden gemaakt tussen:
  1. gevallen waarin de tuchtrechter een klacht gegrond heeft verklaard en dus sprake is van een tuchtrechtelijk verwijtbare fout;
  2. gevallen waarin een klacht ongegrond is verklaard.
Ad a.
Het artikel van 7 april 2006 bevat een samenvattende weergave van een uitspraak van de Raad van Tucht voor registeraccountants over een klacht die was gericht tegen een inmiddels gepensioneerde accountant, werkzaam bij een groot en bekend accountantskantoor. De Raad van Tucht heeft de klacht gegrond verklaard en aan de betrokken accountant een schriftelijke berisping opgelegd. Er was derhalve sprake van een tuchtrechtelijk verwijtbare fout.
 
Gelet op hetgeen de Raad hierboven heeft overwogen, is in beginsel in zo een geval het maatschappelijk belang gediend bij openbaarmaking van de naam van de betrokken accountant. De omstandigheid dat de accountant inmiddels gepensioneerd is, doet daaraan niet af. Immers, een misslag door een accountant kan nog enige jaren later – bijvoorbeeld in belastingzaken – door een voormalig cliënt aan de orde worden gesteld. Het handelen van een accountant kan derhalve ook na zijn pensioen nog gevolgen hebben en onderwerp zijn van een (tucht)rechtszaak.
 
De Raad is dan ook van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een disproportionele inbreuk op de privacy van de betrokken accountant. Verweerders hebben derhalve geen grenzen van journalistiek betamelijk handelen overschreden door bij de publicatie van de uitspraak de volledige naam van de accountant te vermelden.
 
Ad b.
Het artikel van 19 mei 2006 betreft eveneens een samenvattende weergave van een uitspraak van de Raad van Tucht voor registeraccountants. In dit geval is de klacht ongegrond verklaard en is dus geen tuchtrechtelijk verwijtbare fout vastgesteld.
 
Niet valt in te zien welk belang dan nog wordt gediend met het vermelden van de naam van de betrokken accountant. Een publicatie kan in een dergelijk geval in beginsel worden geanonimiseerd voor zover het de naam van de betrokken accountant betreft, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de inhoud en de nieuwswaarde ervan. Van bijzondere omstandigheden, die rechtvaardigen dat verweerders zulks hebben nagelaten, is niet gebleken.
 
Verweerders hebben derhalve grenzen overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is, door in dit geval de naam van de betrokken accountant te vermelden.
 
BESLISSING

De klacht is gegrond voor zover deze betrekking heeft op de vermelding van de namen van de betrokken accountants in berichtgeving over hoorzittingen en in de publicatie over een ongegrond verklaarde klacht. De klacht is ongegrond voor zover deze betrekking heeft op de vermelding van de naam van een accountant in een publicatie over een gegrond verklaarde klacht. Klager is niet-ontvankelijk in zijn klacht tegen het artikel van 9 december 2005.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in Accountancynieuws te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 24 oktober 2006 door mr. A. Herstel, voorzitter, mw. F.W. Dresselhuys, mw. E.H.C. Salomons, mr. A.H. Schmeink, prof. drs. E. van Thijn, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P. Blok, plaatsvervangend secretaris.