2006/71 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X en familie

tegen

M. Veerman en de hoofdredacteur van Panorama

Bij brief van 16 juli 2006 met één bijlage heeft mr. M. Van Stratum, advocaat te Den Haag, namens X en zijn familie (hierna: klagers) een klacht ingediend tegen M. Veerman en de hoofdredacteur van Panorama (hierna: verweerders). Hierop heeft mr. M. Van Straaten, interim-bedrijfsjurist bij Sanoma Men’s Magazines B.V., geantwoord in een brief van 18 augustus 2006.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 25 augustus 2006. Aan de zijde van klagers zijn daar een zoon en broer van X verschenen, vergezeld door voornoemde mr. Van Stratum. Aan de zijde van verweerders zijn verschenen M. Dees, hoofdredacteur, alsmede voornoemde mr. Van Straaten.

DE FEITEN

Op 21 juni 2006 is in Panorama in de rubriek ‘Moord van de week’ een artikel van de hand van Veerman verschenen onder de kop “Vermoord door zijn broer” met het chapeau “Gewoon een familieruzie?”. In het artikel wordt bericht dat X een van zijn broers heeft vermoord in het café waarvan zij, samen met nog een broer, eigenaar zijn. In het artikel zijn de voor- en achternamen, leeftijden en woonplaats van alle broers vermeld evenals het adres van het café. Voorts worden in het artikel details van het misdrijf beschreven. Bij het artikel zijn foto’s afgedrukt van het café waar het misdrijf plaatsvond. Het slot van het artikel luidt:
Op 18 augustus komt de zaak voor de rechter. Over het motief van de moord is nog steeds niets bekend.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers stellen dat de vermelding van de volledige voor- en achternamen van X en zijn broers onzorgvuldig en verwijtbaar is. Hoofdregel is immers dat ten aanzien van vermelding van persoonlijke gegevens van betrokkenen, en met name van verdachten, terughoudendheid in de berichtgeving is geboden. Een journalist dient te voorkomen dat een verdachte of veroordeelde kan worden geïdentificeerd. Volgens klagers waren er geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval van voornoemde hoofdregel mocht worden afgeweken. Het vermelden van de volledige namen is niet essentieel voor de berichtgeving en daarom hadden verweerders hun namen in het artikel kunnen en moeten anonimiseren, aldus klagers.
Bovendien heeft X bezwaar tegen het gebruik van de term ‘dader’. Hij is immers nog niet voor het misdrijf veroordeeld, zodat hij als ‘verdachte’ had moeten worden aangeduid.
Ook tegen de kwalificatie ‘moord’ heeft X bezwaar. De rechter moet zich nog over de bewijsvraag en eventuele kwalificatie uitlaten. Door het gebruik van de kwalificatie ‘moord’ beïnvloeden verweerders op onwenselijke wijze de publieke discussie en de rechtsgang, waardoor zijn recht op een eerlijk proces wordt geschaad. Ter zitting voegt mr. Van Stratum hieraan toe, dat het Openbaar Ministerie inmiddels vrijspraak van moord heeft gevraagd en veroordeling voor doodslag heeft geëist.
Ten slotte stellen klagers dat het artikel vele ernstige ongenuanceerde beschuldigingen bevat die zonder deugdelijke grondslag en zonder wederhoor voor juist zijn gepresenteerd. Als voorbeeld noemen klagers onder meer de beschuldigingen aan het adres van X van alcoholmisbruik en geweldpleging.
Volgens klagers heeft de berichtgeving onnodig veel leed en schade voor hen meegebracht. Verweerders hebben onvoldoende rekening gehouden met hun belangen, aldus klagers.
 
Verweerders beamen dat namen van verdachten in de regel worden geanonimiseerd. In dit geval is daarvan afgeweken omdat het hier een familiekwestie betrof, waarbij de ene broer de andere heeft doodgestoken. Het slachtoffer werd met zijn volledige naam vermeld, zodat het anonimiseren van de naam van X geen zin had. Het zou voor iedere lezer duidelijk zijn dat het hier dezelfde achternaam betrof.
Verder hebben zij X als ‘dader’ aangeduid, omdat uit de politieberichtgeving over de strafzaak duidelijk naar voren is gekomen dat hij vrijwel onmiddellijk een volledige bekentenis heeft afgelegd.
Ten aanzien van de kwalificatie ‘moord’ merken verweerders op dat in de rubriek ‘Moord van de week’ wordt teruggeblikt op moorden die een jaar eerder zijn gepleegd. De rubriek pretendeert niet de besproken misdrijven een juridische kwalificatie te geven. In de rubriek worden uitsluitend strafzaken behandeld waarvan het strafproces nog niet is afgerond en waarvan dus niet vaststaat hoe de moord juridisch zal worden gekwalificeerd.
Verweerders benadrukken dat de rubriek en de gewraakte publicatie op geen enkele wijze tot doel hebben gehad om de publieke opinie op negatieve wijze te beïnvloeden noch om het recht van X op een eerlijk proces te schaden.
Ten slotte ontkennen verweerders dat sprake is van een onjuiste weergave van de feiten. Het artikel is gebaseerd op uitlatingen van meerdere buurtbewoners. Deze uitlatingen waren zodanig eenduidig dat er geen reden was om aan te nemen dat deze onzorgvuldig of onjuist waren. Wederhoor is niet nodig geacht, omdat het voor de hand lag dat een en ander door klagers zou worden ontkend. Verder betwisten verweerders dat zij onzorgvuldig hebben gehandeld door foto’s van de bar van klagers en de plaats van het misdrijf te publiceren. Ook bij andere moordzaken worden locatiefoto’s met een korte toelichting gepubliceerd, aldus verweerders.
Verweerders concluderen dan ook dat geen sprake is van een publicatie die onzorgvuldig en onrechtmatig is jegens klagers.

BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De klacht bevat de volgende te onderscheiden onderdelen:
  1. verweerders hebben onzorgvuldig gehandeld door de volledige persoonsgegevens van X en zijn broers in het artikel te vermelden;
  2. verweerders hebben onzorgvuldig gehandeld door X aan te duiden als ‘dader’;
  3. verweerders hebben ten onrechte de kwalificatie ‘moord’ gebruikt;
  4. het artikel bevat ernstige ongefundeerde beschuldigingen aan het adres van X, zonder dat wederhoor is toegepast.
Ad 1.
Voorop moet worden gesteld dat een nieuwsbericht zoveel mogelijk de gegevens dient te bevatten, die het het publiek mogelijk maken zich een waarheidsgetrouw beeld van het desbetreffende nieuwsfeit te vormen. Dit geldt ook voor publicaties over misdrijven, temeer daar deze een signaalfunctie kunnen hebben jegens burgers en overheid. Bij geweldsmisdrijven tegen personen kan volledigheid op het punt van de identiteit van het slachtoffer bovendien voorkomen dat verwarring met anderen optreedt, als gevolg waarvan bij derden nodeloze ongerustheid kan ontstaan. Daartegenover staat dat, volgens het vaste oordeel van de Raad, de journalistieke verantwoordelijkheid met zich brengt dat de persoonlijke levenssfeer van degene over wie wordt gepubliceerd, niet verder mag worden aangetast dan in het kader van een open berichtgeving nodig is.
 
Bovendien is, volgens het vaste oordeel van de Raad, ten aanzien van het vermelden van persoonlijke gegevens van verdachten c.q. veroordeelden bijzondere terughoudendheid geboden. Een journalist dient zoveel mogelijk te voorkomen dat hij gegevens publiceert met behulp waarvan een verdachte of veroordeelde op eenvoudige wijze kan worden geïdentificeerd. Dat de identiteit van de betrokkene door een reportage bekend wordt, maakt de reportage evenwel op zichzelf niet onzorgvuldig, ook al is sprake van een inbreuk op de privacy van betrokkene. Een dergelijke inbreuk overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek alleen dan, indien deze inbreuk niet in redelijke verhouding staat tot het doel van de publicatie en derhalve een disproportionele aantasting van het privé-leven van de betrokkene vormt. Er dient derhalve een afweging plaats te vinden tussen het belang van de betrokkene bij de bescherming van zijn privacy enerzijds en mogelijke belangen van derden en het maatschappelijke belang anderzijds.
 
Verweerders hebben aangevoerd dat het journalistiek gebruikelijk is om in gevallen als deze de naam van het slachtoffer te noemen, en dat het daarom niet zinvol was de naam van X te anonimiseren.
De Raad heeft eerder overwogen dat het enkele feit, dat de personalia van een slachtoffer in een publicatie zijn genoemd, niet als een zo zware leedtoevoeging kan worden aangemerkt dat daarmee de in acht te nemen journalistieke grenzen zijn overschreden. In dit geval leidt identificatie van het slachtoffer echter tevens tot identificatie van de verdachte.
Voorts valt niet in te zien welke maatschappelijke relevantie het vermelden van de volledige naam van zowel X als diens overleden broer had. Verweerders hadden de berichtgeving eenvoudig kunnen anonimiseren, zonder enige afbreuk te doen aan de aard en inhoud ervan.
Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat verweerders niet op verantwoorde wijze de belangen van X en zijn familie bij de bescherming van hun privacy hebben afgewogen tegen het maatschappelijke belang dat met de publicatie is gediend.
 
Onder deze omstandigheden vormt het vermelden van de namen van X en diens broers een ongerechtvaardigde aantasting van het privé-leven van klagers. Verweerder hebben aldus grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
(vgl. onder meer: X tegen Dagblad van het Noorden, RvdJ 2006/46 en Van Gelder tegen De Telegraaf, RvdJ 2001/4)
 
Ad 2.
Niet ter discussie staat dat de strafzaak waarover wordt bericht nog door de rechter moet worden behandeld en dat X nog niet is veroordeeld.
Verweerders hebben aangevoerd dat uit de politieberichtgeving bleek dat X een volledige bekentenis had afgelegd.
X heeft daarentegen aangevoerd dat hij niet heeft bekend schuldig te zijn aan moord en heeft in dat verband erop gewezen dat het Openbaar Ministerie vrijspraak van moord heeft gevraagd.
Onder deze omstandigheden acht de Raad het gebruik van de term ‘dader’ jegens X journalistiek onzorgvuldig. Ook dit onderdeel van de klacht is derhalve gegrond.
 
Ad 3.
Ten aanzien van de kwalificatie van de term ‘moord’ overweegt de Raad dat het artikel is gepubliceerd in de rubriek ‘Moord van de week’. Verweerders hebben aangevoerd dat in deze rubriek strafzaken worden behandeld waarvan het strafproces nog niet is afgerond en waarvan de uitkomst nog niet vaststaat.
Aan klagers kan worden toegegeven dat enkel de rechter de juridische kwalificatie van een bewezen strafbaar feit bepaalt. Volgens de Raad is echter voor de lezer voldoende duidelijk dat de term ‘moord’ – gelet op de aard van de rubriek – niet wordt gebruikt als juridische kwalificatie van het besproken misdrijf. Het is algemeen gangbaar en niet journalistiek ontoelaatbaar om gevallen als waar het hier om gaat, aan te duiden met de term ‘moord’. Dat het Openbaar Ministerie kennelijk in het onderhavige geval vrijspraak voor moord heeft gevraagd, maakt het voorgaande niet anders. Op dit punt is de klacht ongegrond.
 
Ad 4.
In het artikel wordt over X onder meer bericht dat hij ‘een gigantisch drankprobleem had’, ‘geen beste reputatie heeft’, ‘altijd dronken was’ en ‘in zijn dronken buien erg agressief werd en zich asociaal ging gedragen’. Aldus bevat het artikel diverse ernstige beschuldigingen aan het adres van X.
Volgens het vaste oordeel van de Raad dient een journalist bij het publiceren van ernstige beschuldigingen met bijzondere zorgvuldigheid te werk te gaan. Die bijzondere zorgvuldigheid brengt in het algemeen onder meer mee dat wederhoor dient te worden toegepast. Dat de uitlatingen afkomstig zouden zijn van diverse buurtbewoners, maakt dat niet anders. Niet ter discussie staat dat verweerders voorafgaand aan de publicatie geen wederhoor bij klagers of hun raadsman hebben toegepast.
Verweerders hebben aangevoerd dat zij geen wederhoor hebben toegepast, omdat dat naar hun mening zinloos was. Echter, de enkele veronderstelling dat van klagers geen inhoudelijke reactie te verwachten was, rechtvaardigt in dit geval niet dat verweerders zelfs geen poging hebben ondernomen om wederhoor bij klagers of hun raadsman toe te passen. Ook overigens zijn geen omstandigheden gebleken, die de handelwijze van verweerders zouden kunnen rechtvaardigen. Ook dit onderdeel van de klacht is gegrond. (vgl. onder meer: X tegen EO en EO-TweeVandaag, RvdJ 2004/45)

BESLISSING

De klacht is gegrond voor zover deze is gericht tegen het vermelden van de persoonlijke gegevens van X en zijn broers, het gebruik van de term ‘dader’ en het publiceren van ernstige beschuldigingen zonder toepassing van wederhoor. Voor het overige is de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in Panorama te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 21 september 2006 door mr. A. Herstel, voorzitter, drs. G.H.J.M. Bueters, mw. E.J.M. Lamers, prof. drs. E. van Thijn en mw. drs. I. Wassenaar, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. L.F. Egmond, plaatsvervangend secretaris.