2006/68 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
mr. A. Vrisekoop
 
tegen
 
R. Kagie en de hoofdredacteur van Vrij Nederland
 
Bij brief van 28 juni 2006 met zes bijlagen heeft mr. B.J. van Spaendonck, advocaat te Amsterdam, namens mr. A. Vrisekoop (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen R. Kagie en E. Fallaux, hoofdredacteur van Vrij Nederland (hierna: verweerders). Hierop heeft mr. G. Brunt, advocaat te Amsterdam, namens verweerders geantwoord in een brief van 20 juli 2006.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 11 augustus 2006. Namens klaagster was daar mr. Van Spaendonck aanwezig. Kagie is verschenen vergezeld van mevrouw mr. R.A. Hendriksen, die het standpunt van verweerders heeft toegelicht aan de hand van een pleitnotitie. Fallaux was verhinderd wegens ziekte.
 
Een der leden van de Raad heeft zich verschoond. Partijen hebben desgevraagd geen bezwaar gemaakt tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en overige leden.
 
DE FEITEN
 
Op 3 juni 2006 is in Vrij Nederland in de rubriek ‘De Kleine Wereld’ een bijdrage van de hand van Kagie verschenen onder de kop “Buurvrouw is advocaat”. Het artikel bevat onder meer volgende passages:
Niemand had verwacht dat de komst van een ‘residence’ met luxe-appartementen de rust naast het Hilversumse landgoed De Oersberg zou bevorderen. Toch overtrof de verbeten juridische strijd van de residence-bewoners met hun nieuwe buren de zwartste visioenen. Wat was begonnen als een geschilletje van niets, belandde onlangs op de agenda van het tuchtcollege dat de ethiek van het advocatenvak bewaakt. Inzet was de integriteit van voormalig D66-senator, lid van het College van Toezicht op de Kansspelen en ex-advocate mr. Adrienne Vrisekoop
en
Bewijzen kan hij het niet, maar Alings heeft sterk de indruk dat hij voor het dwarsbomen van de dreigende kaalslag moest worden teruggepakt. De sommatie op deftig briefpapier van de Vereniging van Eigenaren ParcHove had veel weg van een wraakoefening.
en
Alings werd bestookt met juridisch proza dat afkomstig was van mr. Adrienne Vrisekoop, advocaat en procureur in Amsterdam. Ze schreef over ‘cliënten’ die eisten dat buurman het hek van zijn uitrit zou ‘vervangen door een niet bewegend deel’. Het duurde een paar maanden voordat Alings in de gaten kreeg dat de advocate onder een iets andere naam in de stukken werd opgevoerd als Adriana Vrisekoop-Sterk, een van de bewoners van residence ParcHove. Ze was dus in een dubbele hoedanigheid bij deze zaak betrokken, maar was vergeten om dat er voor de duidelijkheid even bij te vertellen.
en       
Inmiddels had Alings sterk het vermoeden dat zijn rancuneuze buren zich van de rechtspraak bedienden op een manier die niet strookte met de bedoelingen van de wetgever. Vandaar dat hij bij de Raad van Discipline aanklopte met een klacht tegen buurvrouw en advocate mr. Adrienne Vrisekoop. Verrassend genoeg, zo bleek, is mevrouw Vrisekoop tegenwoordig fulltime buurvrouw. Ze stopte met de advocatuur nadat ze werd veroordeeld tot een taakstraf wegens gerommel met de data van optiecontracten in haar nevenfunctie als commissaris bij het gefailleerde bedrijf Landis.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster stelt dat de achtergrond van de kwestie een burenrechtelijk geschil is tussen de Vereniging van Eigenaren van het appartementencomplex ParcHove te Hilversum (verder: de VvE) en de heer W. Alings. Deze kwestie heeft aanleiding gegeven tot een procedure voor de rechtbank te Amsterdam. In die procedure werd de VvE vertegenwoordigd door klaagster als advocaat en procureur. Het feit dat zij ook lid is van de VvE was voor Alings aanleiding om zich te beklagen bij de Deken van de Orde van Advocaten, aldus klaagster. Bij de mondelinge behandeling door de Raad van Discipline is Alings verschenen in gezelschap van Kagie. Kagie werd bij die gelegenheid door Alings geïntroduceerd als ‘een bevriende relatie’. Volgens klaagster is de zitting bij de Raad van Discipline voor Kagie aanleiding geweest tot het schrijven van zijn bijdrage in de rubriek ‘De Kleine Wereld’.
Klaagster betoogt verder dat deze publicatie uitermate negatief en tendentieus is en slechts ten doel had haar zo hard mogelijk te treffen. Daarnaast stelt klaagster dat verweerders ten onrechte niet de moeite hebben genomen om haar in de gelegenheid te stellen haar kant van de kwestie te vertellen. Een publiek of algemeen aanvaard maatschappelijk belang bij deze publicatie heeft klaagster niet ontdekt. Kennelijk heeft Kagie gemeend Alings een vriendendienst te moeten bewijzen. Dat Alings wellicht de advocaat van zijn wederpartij aanziet voor zijn persoonlijke vijand, zij hem vergeven, aldus klaagster. Dat Kagie als journalist daarin meegaat en meent haar op deze manier te moeten afstraffen, getuigt niet van enig begrip voor de rol van een advocaat in een civiele procedure. Het is onbehoorlijk en maatschappelijk onaanvaardbaar indien advocaten op deze wijze persoonlijk in de media worden geattaqueerd om het enkele feit dat zij als advocaat optreden voor een onwelgevallige partij.
Het meest kwalijke aspect van de bijdrage van Kagie is volgens klaagster dat hij haar integriteit aanmerkt als inzet van de zaak bij de Raad van Discipline. De betreffende passage vormt een moedwillige verdraaiing van de feiten. Kagie is bij de behandeling door de Raad van Discipline aanwezig geweest en weet dus dat het enkel ging om de vraag of een advocaat die lid is van een VvE ook als advocaat voor die Vereniging kan optreden. Dat is een kwestie die in het geheel geen verband houdt met integriteit, aldus klaagster.
 
Verweerders stellen dat Kagie bij het schrijven is uitgegaan van de informatie van beide kanten zoals die hem ter beschikking stond en op de zitting van de Raad van Discipline ter ore is gekomen. Kagie heeft zijn bevindingen in sterke bewoordingen uitgedrukt hetgeen binnen de rubriek ‘De Kleine Wereld’ niet ongebruikelijk is. Er is geen sprake van onnodig grievende bewoordingen, aldus verweerders. De bijdrage bevat behalve nieuwsfeiten uit het dossier van Alings, opiniërende elementen van Kagie. Volgens verweerders staat het een journalist vrij om over een bepaald feit zijn mening te geven. De manier waarop Kagie dat heeft gedaan is niet journalistiek ontoelaatbaar. Dat neemt niet weg dat klaagster zich onheus bejegend voelt. De Raad voor de Journalistiek heeft echter in de zaak Hanssen vs. Theunissen (HP/De Tijd), RvdJ 2005/48, uitgemaakt dat het feit dat iemand een artikel als beledigend heeft ervaren, onvoldoende is om te oordelen dat journalistiek ontoelaatbaar is gehandeld, aldus verweerders. Ter zitting voegt mr. Hendriksen hieraan toe dat in de rubriek ‘De Kleine Wereld’ ‘kleine gebeurtenissen’ aan de orde komen, persoonlijke observaties van redacteuren over zaken die anders onopgemerkt zouden zijn gebleven. Daarbij wordt over het algemeen een licht ironische, soms columnachtige toon aangeslagen.
Verweerders ontkennen dat Kagie en Alings goede bekenden van elkaar zijn en dat Kagie Alings door het schrijven van het stuk een vriendendienst heeft willen bewijzen. Kagie heeft geen enkele relatie met Alings anders dan dat hij door hem is geattendeerd op de zitting bij de Raad van Discipline. Naar aanleiding hiervan is Kagie zich in de burenruzie gaan verdiepen en leek het hem de moeite waard er een stukje aan te wijden. Die beslissing werd mede ingegeven door de betrokkenheid van klaagster, die als voormalig lid van de Eerste Kamer en haar rol in de Landis-affaire enige publieke bekendheid geniet.
De kern van de klacht is volgens verweerders dat het artikel te negatief zou zijn geweest, tendentieus en slechts bedoeld om klaagster zo hard mogelijk te treffen. Deze stellingen zijn geen van alle juist. Het enkele feit dat een artikel zich niet positief over iemand heeft uitgelaten, maakt het schrijven daarvan nog niet journalistiek onzorgvuldig. Kagie heeft geen feiten verdraaid op een manier die onrecht heeft gedaan aan de waarheid. In zijn artikel wordt gesteld dat inzet van de zaak bij de Raad van Discipline de integriteit van klaagster zou zijn geweest. Hiermee heeft Kagie niets onwaars gezegd. Het geeft slechts weer hoe Alings de handelwijze van klaagster heeft ervaren. Evenmin is het stuk van Kagie bedoeld om klaagster zo hard mogelijk te treffen. Hij heeft verslag gedaan van een conflict tussen twee partijen, dat heeft geleid tot een gerechtelijke procedure en een tuchtrechtelijke klacht tegen een vertegenwoordiger van een van die partijen. Een journalist is vrij in het gebruik van kwalificaties mits die niet in strijd zijn met de waarheid en/of onnodig grievend (RvdJ 2000/65, Elias tegen Schoorl en de Volkskrant). Bovendien is het als het op verslaglegging van gerechtelijke procedures aankomt vaste jurisprudentie van de Raad dat het niet noodzakelijk is daarbij een neutrale toon aan te slaan, maar dat de standpunten van partijen mogen worden aangezet. Ook het toepassen van wederhoor is daarbij geen vereiste. Verweerder verwijzen hierbij naar de volgende uitspraken van de Raad: Kranenburg tegen de kunstredactie van NRC Handelsblad (RvdJ 2005/31), X tegen de hoofdredacteur van het Eindhovens Dagblad (RvdJ 2004/44) en X tegen de hoofdredacteur van de Peperbus (RvdJ 2003/32).
Verder wijzen verweerders erop dat klaagster geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om een ingezonden brief te sturen. Verweerders concluderen dat het stuk geen onwaarheden bevat of onnodig grievend jegens klaagster is. Ook overigens valt niet in te zien waarom Kagie met het stuk over de journalistieke schreef zou zijn gegaan. De Raad wordt verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat het artikel “Buurvrouw is advocaat” tendentieus en te negatief zou zijn geweest, en slechts bedoeld om klaagster zo hard mogelijk te treffen. Bovendien zou klaagster ten onrechte niet in de gelegenheid zijn gesteld om haar kant van het verhaal te vertellen.
 

Verweerders hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat de gewraakte publicatie deel uitmaakt van een rubriek waarin de artikelen veelal ironisch van aard zijn en een columnistisch karakter hebben. De publicaties in de rubriek ‘De Kleine Wereld’ behelzen met name de persoonlijke visies van de auteurs waarbij overdrijving als stijlmiddel niet wordt geschuwd. In dit licht bezien acht de Raad de door Kagie gebezigde schrijfstijl niet onaanvaardbaar. In het artikel komt geen kwalificatie of vergelijking voor die journalistiek ontoelaatbaar is. Dat de publicatie klaagster onwelgevallig is, is daarvoor onvoldoende. (vgl. onder meer: Wijkhuizen tegen Van Eijk, Van Leeuwen en de Alkmaarsche Courant, RvdJ 2006/38)
 
Verder is van belang dat het artikel verslag doet van een klachtprocedure bij de Raad van Discipline van de Orde van Advocaten. De Raad overweegt dat in het kader van rechtbankverslaggeving de regel van hoor en wederhoor, behoudens bijzondere omstandigheden, niet aan de orde is (vgl. onder meer: X tegen Heesen, RvdJ 2005/22). Aangezien in dit geval van bijzondere omstandigheden niet is gebleken, kan de klacht ook op dit punt niet tot gegrondbevinding leiden. Evenmin heeft de Raad kunnen vaststellen dat het artikel feitelijke onjuistheden van enig belang bevat.
 
De Raad komt derhalve tot de slotsom dat verweerders geen grenzen hebben overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in Vrij Nederland te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 20 september 2006 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, dr. M.J. Broersma, mw. C.J.E.M. Joosten en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg, secretaris.