2006/67 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
A. Dijkstra 
 
tegen
 
de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant
 
Bij brief van 5 mei 2006 met diverse bijlagen heeft A. Dijkstra te Heerenveen (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant (hierna: verweerder). Hierop heeft R. Mulder, hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 22 mei 2006.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 30 juni 2006. Klager was aanwezig, vergezeld van zijn echtgenote, en heeft zijn klacht toegelicht aan de hand van een notitie. Verweerder is daar niet verschenen.
 
Een der leden van de Raad heeft zich verschoond. Klager heeft desgevraagd geen bezwaar gemaakt tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en overige leden.
 
DE FEITEN
 
Op 2 november 2005 heeft klager een ingezonden brief aan verweerder gestuurd onder de kop “Leeuwarden; de ezel tussen twee hooibergen?”. Deze brief is niet in de Leeuwarder Courant geplaatst.
 
Voorts heeft klager op 5 december 2005 een ingezonden brief aan verweerder gestuurd onder de kop “Cambuur”. In zijn begeleidende brief heeft klager geschreven:
Indien u het nodig vindt, dat mijn stuk, voor publicatie in de L.C. wordt gewijzigd, dan zou ik hierover graag van te voren op de hoogte worden gesteld.
Klagers brief is in gewijzigde vorm geplaatst op 14 december 2005. Naar aanleiding daarvan heeft klager in een brief van 23 december 2005 aan de redactie onder meer het volgende bericht:
Ik had al enige ervaring met het inkorten van ingezonden brieven door de L.C. (zie mijn brief van 22 september 2005) Vandaar mijn vriendelijk verzoek in mijn brief van 5 december mij van te voren op de hoogte te stellen, als de redactie het nodig zou vinden mijn stuk te gaan wijzigen (bijlage 3). Helaas is hier niet op gereageerd. Dat ruimtegebrek een rol heeft gespeeld bij het inkorten van mijn brief, kan ik mij moeilijk voorstellen, omdat er in dezelfde kolom wel ruimte was voor een foto van Huub Mous (bijlage 1.)
Ik wil wel erkennen dat de kern van mijn boodschap goed is weergegeven, maar waarom heeft men een eventueel nodige inkorting niet aan mij overgelaten. (…)
Vooral het niet plaatsen van mijn brief van 2 november heeft mij erg gestoord. Om die reden heb ik in mijn aanbiedingsbrief aan Het Financieele Dagblad van 5 november gewezen op een totaal gebrek aan kritiek op banken bij de L.C. (bijlage 4). Dit doet mij toch sterk aan censuur denken, ondanks alle artikelen in de L.C. over vrijheid van meningsuiting in Nederland.
In zijn brief verwijst klager naar een artikel van H. Willems dat op 13 augustus 2005 onder de kop “Brief terug” in de Leeuwarder Courant is verschenen. In dit artikel geeft Willems de lezer, en met name ‘ingezonden-brievenschrijvers’, uitleg over het redactionele beleid ten aanzien van het plaatsen van ingezonden brieven.
 
Op 27 december 2005 heeft Willems klager onder meer bericht:
Wij ontvangen per dag gemiddeld tien ingezonden brieven. Daarvan komt – alweer gemiddeld – ongeveer de helft uiteindelijk in de krant. Redenen om brieven niet te plaatsen kunnen zijn: (…)
Voorts moet er bijna altijd in brieven gesneden worden omdat ze te lang zijn. (…)
Het is voor ons ondoenlijk om over het redigeren van brieven overleg te voeren met inzenders. Dat kost veel te veel tijd en leidt bovendien tot vervelende, ellenlange discussie over wat nou wel en wat niet belangrijk is. (…) Wij hebben als redactie het recht om teksten te bewerken, zo is nu eenmaal de spelregel die wij elke dag in de krant opnemen bij de brievenrubriek. Als u het spel mee wilt spelen, zult u zich aan de spelregels moeten houden. (…)
 
Vervolgens heeft klager op 19 januari 2006 een ingezonden brief aan verweerder gestuurd onder de kop “Voetafdruk Friesland Bank”. In zijn begeleidende brief heeft klager onder meer geschreven:
Ik heb mijn best gedaan mij te houden aan de regels van de L.C. zoals ik heb gekregen van U (max. 400 woorden) en van Hans Willems in zijn brief van 27 december als antwoord op mijn brief van 23 december.
Als de L.C. alsnog besluit bepaalde wijzigingen aan te moeten brengen, dan verwacht ik dat ik hiervan van te voren op de hoogte wordt gesteld. Door het stuk met mijn naam te ondertekenen voel ik mij in de eerste plaats verantwoordelijk voor de inhoud.
De brief van klager is op 25 januari 2006 in gewijzigde vorm geplaatst.
 
Klager heeft zich verder in brieven van 14 februari en 11 maart 2006 tot verweerder gewend. Verweerder heeft daarop geantwoord in een brief van 14 maart 2006.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt – kort samengevat – dat hij regelmatig ingezonden brieven aan verweerder stuurt. Wat betreft zijn brief van 2 november 2005 stelt klager dat hij wist dat die brief te lang was voor de rubriek ‘Ingezonden’. Die brief had geplaatst kunnen worden in de rubriek ‘Te Gast’, waarin eerder een brief van klager is geplaatst.
Klagers voornaamste klacht is echter niet dat enkele brieven niet zijn geplaatst, maar dat zijn geplaatste brieven zonder opgaaf van redenen zijn ingekort c.q. gewijzigd, ook als er voldoende ruimte was in de krant. Hij heeft er begrip voor dat de Leeuwarder Courant, zoals elke krant, regels heeft voor het plaatsen van ingezonden brieven. Klager heeft geen bezwaar tegen het inkorten van zijn brieven, zolang de inhoud daarvan geen geweld wordt aangedaan en alleen stijl en schrijffouten worden verbeterd. Hij heeft echter gemerkt dat de laatste tijd bij het inkorten de inhoud wel geweld wordt aangedaan en dat het inkorten op censuur gaat lijken.
Voorts stelt klager dat zijn verzoeken om hem, bij wijzigingen van zijn brieven, van te voren op de hoogte te stellen, zijn genegeerd. Klager vraagt zich af waarom het te veel moeite zou zijn om de schrijver van een ingezonden brief telefonisch of per e-mail te vragen zijn artikel aan te passen. Volgens klager kost dat minder tijd dan het wijzigen van een brief door de redactie, terwijl de schrijver zich dan bovendien niet meer te kort gedaan voelt.
De grootste grief van klager is dat in de Leeuwarder Courant kritiek ontbreekt op de regels van banken in het algemeen en op die van de Friesland Bank in het bijzonder. Ter toelichting van dit standpunt schetst klager de achtergronden van zijn conflict met de Royal Bank of Canada.
Ten slotte stelt klager dat hij heeft geprobeerd een afspraak te maken met verweerder om in een gesprek een en ander uit te leggen, maar dat verweerder daarop niet heeft gereageerd.
 
Verweerder stelt dat bij de Leeuwarder Courant regels bestaan voor het plaatsen van reacties van lezers. Het aanbod overtreft de beschikbare ruimte en daarom moet er worden geselecteerd. Daarbij is een belangrijk criterium dat de rubriek een ruime verscheidenheid aan onderwerpen en schrijvers moet bieden, aldus verweerder.
Hij wijst erop dat klager behoort tot de vaste inzenders van bijdragen. Aan klager is verschillende malen uitgelegd, zowel schriftelijk als telefonisch, waarom niet al zijn bijdragen onverkort worden geplaatst. In 2005 zijn drie brieven van klager in de rubriek ‘Ingezonden’ geplaatst en een bijdrage in de rubriek ‘Te Gast’. Die rubriek is bestemd voor langere, opiniërende bijdragen van mensen buiten de redactie. In januari 2006 is opnieuw een brief van klager geplaatst.
Naar de mening van verweerder komt klager niets tekort en is er bij de redactie genoeg bereidheid om hem de nodige uitleg te geven. Klagers verwijt dat niet is gereageerd op zijn poging een afspraak te maken, is onjuist. Klager liet weten dat hij op een bepaalde dag bij de krant was en vroeg of hij diezelfde middag met verweerder kon spreken. Verweerder had op dat moment echter al andere verplichtingen. Van een tweede poging een afspraak te maken, is verweerder niets bekend.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
Klager maakt bezwaar tegen de wijze waarop verweerder omgaat met zijn ingezonden brieven.
 
Volgens het vaste oordeel van de Raad heeft de redactie in beginsel de vrijheid een ingezonden brief van een lezer al dan niet te plaatsen. In beginsel is het ook aan de redactie om de frequentie te bepalen, waarin brieven van lezers worden geplaatst. Gelet op die vrijheid, dient de Raad het beleid van een redactie ter zake marginaal te toetsen.
Bovendien heeft een redactie in beginsel de vrijheid om ingezonden brieven in te korten of te redigeren. Bij het gebruikmaken van dit recht dient te worden voorkomen dat afbreuk wordt gedaan aan de inhoud of de strekking van de ingezonden brief.
Verder heeft de Raad herhaaldelijk overwogen dat een redactie vrij is in haar selectie van nieuws. Daartoe behoort ook de vrijheid van de redactie om aan een bepaald onderwerp geen c.q. niet langer aandacht te besteden.
 
De Raad acht de door verweerder gehanteerde regels betreffende het plaatsen van ingezonden brieven niet onredelijk. Zij bieden enerzijds de lezer voldoende houvast en anderzijds de redactie de haar toekomende ruimte. Afgezien van feit dat in de Leeuwarder Courant duidelijk is vermeld dat ingezonden brieven kunnen worden ingekort, zijn de regels ook herhaaldelijk aan klager uitgelegd.

Voorts heeft klager niet aannemelijk gemaakt dat de zonder zijn medeweten geschrapte zinnen een zo essentieel onderdeel van zijn brieven uitmaakten, dat weglating ervan afbreuk zou doen aan inhoud of strekking ervan. Overigens heeft klager in zijn brief van 23 december 2005 ten aanzien van de plaatsing van zijn brief van 5 december 2005 ook erkend dat ‘de kern van zijn boodschap goed is weergegeven’.
 
Het betoog van klager dat verweerder gehouden zou zijn om klager vooraf over wijzigingen te informeren dan wel klager in de gelegenheid te stellen zelf zijn brief aan te passen, kan niet worden gevolgd. Indien een lezer ongevraagd een stuk ter publicatie heeft ingezonden, mag een redactie gebruik maken van de hiervoor geformuleerde vrijheid tot het inkorten of redigeren van brieven, zonder de schrijver voorafgaand aan de publicatie over de wijzigingen te informeren.
 
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
(vgl. onder meer: De Soeten tegen de Oegstgeester Courant en Uitgeverij Verhagen, RvdJ 2006/18 en Schouten tegen de Stentor, RvdJ 2005/4)
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.  
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in de Leeuwarder Courant te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 19 september 2006 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, mw. C.J.E.M. Joosten, mw. drs. J.X. Nabibaks en mw. drs. P.C.J. van Schaveren, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.