2006/64 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X en Y
 
tegen
 
J. Schaafsma en de hoofdredacteur van De Telegraaf
 
Bij brief met twee bijlagen, door de Raad ontvangen op 12 juli 2006, hebben X en Y (hierna: klagers) een klacht ingediend tegen J. Schaafsma en de hoofdredacteur van De Telegraaf (hierna: verweerders). Verweerders hebben niet op de klacht gereageerd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 11 augustus 2006. Partijen zijn daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 21 maart 2006 is in De Telegraaf een artikel van de hand van Schaafsma verschenen onder de kop “Nederland Schoon roept Putten op matje na opruimboete - ‘Het wordt een bende’”. De intro van het artikel luidt:
,,Wij ruimen niets meer op, ze bekijken het maar!” Nadat de 74-jarige Barend Livestroo een boete van 75 euro kreeg opgelegd omdat hij een margarinekuipje dat op straat lag in de vuilnisbak deponeerde, keert Putten zich nu massaal tegen het schoonmaakbeleid van de gemeente”.
Verder bevat dit artikel onder meer de volgende passage:
‘Boosdoener’ bijzonder opsporingsambtenaar (BOA) X woont vlakbij Livestroo in de buurt. Hij is gisteren weer gewoon aan het werk gegaan. Zijn vrouw Y legt uit hoe zij ertegenaan kijken. ,,We zijn er goed ziek van, dat wel, maar mijn man heeft gewoon zijn werk gedaan. Een boterkuipje is huishoudelijk afval en dat moet die meneer maar gewoon op straat laten liggen of thuis in zijn eigen vuilnisbak gooien, maar dat deed hij niet”.”
 
HET STANDPUNT VAN KLAGERS
 
Klagers verwijten Schaafsma dat hij hen in het gewraakte artikel met voornaam, achternaam en woonplaats heeft genoemd. Dit heeft sterk bijgedragen aan hun identificeerbaarheid, aldus klagers. Volgens klagers zijn zij door de publicatie van het artikel in hun persoonlijk belang geschaad. Sinds de publicatie van het artikel zijn zij namelijk herhaaldelijk lastig gevallen. In discussieforums op internet, waaronder het forum van De Telegraaf, hebben verschillende mensen zelfs gedreigd X te mishandelen en te doden.
Klagers betogen voorts dat Schaafsma hun persoonlijke levenssfeer verder heeft aangetast dan in het kader van open berichtgeving nodig is. Gezien de commotie en bedreigingen die rond een eerder soortgelijk incident in Geldrop ontstonden, had Schaafsma zich bewust kunnen zijn van de gevolgen van het vermelden van een naam, aldus klagers. Ten slotte stellen klagers dat het artikel de kwestie op een eenzijdige wijze belicht en bovendien op tendentieuze wijze is geschreven.

BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
 
Voorop moet worden gesteld dat een journalist vrij is in zijn selectie van nieuws. Er is geen norm van journalistieke zorgvuldigheid die meebrengt dat een journalist toe- of instemming behoeft te hebben van degene over wie hij publiceert. Dat neemt niet weg dat de journalist wel steeds een afweging dient te maken tussen het belang dat met de publicatie is gediend en de belangen die door de publicatie worden geschaad, en dat moet worden vermeden dat nodeloos schade wordt toegebracht. Bovendien brengt de journalistieke verantwoordelijkheid met zich mee dat de persoonlijke levenssfeer over wie wordt gepubliceerd niet verder mag worden aangetast dan in het kader van een open berichtgeving nodig is.

Klagers hebben gesteld dat zij sinds de vermelding van hun volledige naam en woonplaats worden lastig gevallen en zelfs moeten vrezen voor represailles. Dit is uiteraard zeer betreurenswaardig. Gelet op de omstandigheden van dit geval kan echter niet worden gezegd dat het belang van klagers om onherkenbaar te blijven zwaarder had moeten wegen dan het belang van het vermelden van hun volledige naam.
Daarvoor is redengevend dat verweerders hoor en wederhoor hebben toegepast door Y de mogelijkheid te bieden om haar visie op de gebeurtenissen te geven en dat zij van die mogelijkheid gebruik heeft gemaakt. Niet gesteld noch anderszins gebleken is dat zij toen te kennen heeft gegeven niet met naam en woonplaats in het artikel te willen verschijnen.
 
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerders geen grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. (vgl. onder meer: Okuman tegen Boogaard, RvdJ 2005/67)
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 13 september 2006 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, dr. M.J. Broersma, mw. C.J.E.M. Joosten, mr. A.H. Schmeink en mr. drs. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg, secretaris.