2006/62 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
H.D. van Bohemen 
 
tegen
 
de hoofdredacteur van NRC Handelsblad  
 
Bij brief van 1 mei 2006 met een bijlage heeft H.D. van Bohemen te Schipluiden (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van NRC Handelsblad (hierna: verweerder). Hierop heeft F. Jensma, hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 17 mei 2006.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 30 juni 2006. Partijen zijn daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 6 januari 2006 heeft klager een ingezonden brief aan verweerder gestuurd onder de kop “Dexia debacle: Vertrouwen in de rechtsstaat blijft geschonden”. Die brief is niet geplaatst.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat hij kort na 6 januari 2006 een e-mail ontving waarin hem werd meegedeeld dat zijn brief niet zou worden geplaatst omdat die te persoonlijk zou zijn. Vervolgens heeft hij herhaaldelijk schriftelijk om opheldering gevraagd. Uiteindelijk ontving hij op 27 maart 2006 een schriftelijk antwoord van verweerder met de bevestiging van de weigering zijn brief te plaatsen, maar zonder opgave van redenen.
Klager meent dat de onafhankelijke berichtgeving op een ernstige manier is geschaad. Hij oppert dat er wellicht een verband is met dreigbrieven die verweerder van Dexia zou hebben ontvangen. Klager acht het onbegrijpelijk dat verweerder kennelijk toegeeft aan dergelijke druk. Hij meent dat zijn brief niet te persoonlijk is, gezien het feit dat vele Nederlanders op dezelfde wijze financieel zijn getroffen als hij.
 
Verweerder stelt dat hij tientallen artikelen over de ‘Dexia-kwestie’ heeft gepubliceerd. Geen kant van die kwestie is onbelicht gebleven. Alleen al daarin is een grond te vinden om (nog) een ingezonden brief over die kwestie te weigeren. Inhoudelijk kwam zijn oordeel over klagers brief erop neer dat het vooral een persoonlijk relaas betrof van een gedupeerde, hetgeen weinig toevoegde aan de berichtgeving.
Verweerder meent dat zijn communicatie met klager correct is geweest. Hij maakt bezwaar tegen de niet onderbouwde suggestie van klager dat de krant ‘kennelijk toegeeft aan dergelijke druk’. Daarvan is niets gebleken. Verweerder heeft zijn eigen beslissing genomen.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
Klager maakt bezwaar tegen het feit dat zijn ingezonden brief niet is geplaatst. Volgens het vaste oordeel van de Raad heeft de redactie in beginsel de vrijheid een ingezonden brief van een lezer al dan niet te plaatsen. Gelet op die vrijheid, dient de Raad het beleid van een redactie ter zake marginaal te toetsen.
Verder heeft de Raad herhaaldelijk overwogen dat een redactie vrij is in haar selectie van nieuws. Daartoe behoort ook de vrijheid van de redactie om aan een bepaald onderwerp geen c.q. niet langer aandacht te besteden.
 
Verweerder heeft aangevoerd dat hij al in diverse artikelen aandacht aan de ‘Dexia-kwestie’ heeft besteed en dat klagers brief aan die berichtgeving niets toevoegde. Bovendien was de brief van klager naar het oordeel van verweerder te persoonlijk, hetgeen aan klager is meegedeeld. De Raad acht het beleid van de redactie, om klagers brief om voormelde redenen niet te plaatsen, niet onaanvaardbaar. Dat klager van mening is dat zijn brief niet te persoonlijk is geweest, kan daaraan niet afdoen.
 
Naar het oordeel van de Raad bestaat derhalve geen grond voor de conclusie dat verweerder grenzen heeft overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is, door de brief van klager niet te plaatsen.
 
(vgl. onder meer: De Soeten tegen de Oegstgeester Courant en Uitgeverij Verhagen, RvdJ 2006/18)
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.  
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in NRC Handelsblad te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 11 september 2006 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, T.R. Harkema, mw. C.J.E.M. Joosten, mw. drs. J.X. Nabibaks en mw. drs. P.C.J. van Schaveren, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.