2006/60 onbevoegd

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
J.T.T. Smeets   
 
tegen
 
V. Ronnes
 
Bij brief van 6 mei 2006 met twee bijlagen heeft J.T.T. Smeets te Boxmeer (hierna: klager) een klacht ingediend tegen V. Ronnes (hierna: verweerder). De secretaris van de Raad heeft klager bij brief van 15 mei 2006 meegedeeld dat de Raad eerst zal beoordelen of hij bevoegd is over de klacht te oordelen. Vervolgens heeft klager bij brieven van 23 mei en 3 juni 2006 zijn standpunt toegelicht en diverse bijlagen overgelegd. Verweerder is in de gelegenheid gesteld ten aanzien van de bevoegdheid van de Raad een reactie te sturen, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
 
De bevoegdheid van de Raad is beoordeeld ter zitting van de Raad van 16 juni 2006 buiten aanwezigheid van partijen. Een der leden van de Raad was plotseling verhinderd, een ander Raadslid heeft zich verschoond. De zaak is daarom behandeld door de voorzitter en resterende leden.
 
DE FEITEN
 
Op 27 februari 2006 heeft verweerder eenmalig een publicatie verspreid onder de titel “Daklozenkrant Boxmeer” (hierna: de uitgave). De uitgave bevat een artikel over klager.
 
HET STANDPUNT VAN KLAGER
 
Klager stelt dat verweerder, die als journalist werkzaam is voor diverse media, de uitgave heeft verspreid tijdens een evenement op carnavalsmaandag. In de uitgave is ten onrechte de indruk gewekt dat verweerder een interview met hem heeft gehad. Volgens klager heeft verweerder hem, als toenmalig raadslid vlak voor de gemeenteraadsverkiezingen van 7 maart 2006, met opzet en kwade bedoelingen bij de kiezer in diskrediet gebracht.
Van een journalist mag worden verwacht dat hij kennis en kunde heeft om ervoor te zorgen dat mensen niet (opzettelijk) gekwetst kunnen worden. Journalist ben je 24 uur per dag en dan behoor je ook in je vrije tijd vanuit je professie te handelen, aldus klager.
 
BEOORDELING VAN DE BEVOEGDHEID
 
Ingevolge artikel 3 lid 1 van de Statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek heeft de Raad tot taak om in de bij hem aanhangig gemaakte zaken betreffende journalistieke gedragingen te beoordelen of de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Krachtens artikel 4 lid 1 van deze Statuten wordt onder journalistieke gedraging verstaan: een handelen of nalaten van een journalist in de uitoefening van zijn beroep.

Niet ter discussie staat dat verweerder journalist is. De vraag die derhalve moet worden beantwoord, is of het schrijven c.q. verspreiden van de “Daklozenkrant Boxmeer” kan worden aangemerkt als gedaan in de uitoefening van zijn beroep.
 
De Raad overweegt daartoe dat de uitgave “Daklozenkrant Boxmeer” – met het daarin vervatte artikel over klager – voornamelijk elementen van niet-journalistieke aard bevat, zoals (pogingen tot) satire en amusement. Deze elementen hebben een zodanige invloed op de uitgave dat deze in zijn geheel als van niet-journalistieke aard moet worden aangemerkt. Van een uitgave die verweerder heeft geschreven c.q. verspreid in de uitoefening van zijn beroep als journalist is dus geen sprake. Aangezien het journalistieke normenstelsel voor de beoordeling van dergelijke gedragingen niet is bedoeld, acht de Raad zich niet bevoegd om een inhoudelijk oordeel te geven over de klacht. (vgl. onder meer: Smit tegen ‘BNN University’, RvdJ 2006/32 en Muller tegen Schilling, RvdJ 2001/14)
 
BESLISSING
 
De Raad acht zich onbevoegd over de klacht te oordelen.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 8 september 2006 door mw. mr. M.E. Leijten, voorzitter, mw. mr. H.M.A. van Meurs en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.