2006/58 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
D. Verkijk 
 
tegen
 
de hoofdredacteur van AD Nieuwsmedia
 
Bij brief van 5 april 2006 met vijf bijlagen heeft D. Verkijk te Sandy, USA (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van AD Nieuwsmedia (hierna: verweerder). Hierop heeft A. Kalmann, lid van de hoofdredactie, geantwoord in een brief van 5 mei 2006. Klager heeft daarop nog gereageerd in een brief van 14 mei 2006 met een bijlage.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 16 juni 2006. Partijen zijn daar niet verschenen. Vanwege de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad is de zaak behandeld door de voorzitter en drie leden.
 
DE FEITEN
 
Begin 2006 is een pamflet van de hand van klager verschenen onder de kop “Harry Mulisch – Fel anti-nazi. Maar sinds wanneer?”. Daarin schrijft klager onder meer dat Mulisch lid van de Jeugdstorm is geweest.
 
In het Historisch Nieuwsblad van april 2006 is een artikel verschenen onder de kop “Juridisch dossier: Harry Mulisch géén Jeugdstormer”. De intro van dit artikel luidt:
Volgens Dick Verkijk is schrijver Harry Mulisch in de Tweede Wereldoorlog lid geweest van de Jeugdstorm, de jeugdorganisatie van de NSB. Een rapport van de politieke recherche uit 1946 geeft Verkijk echter ongelijk.
Verder bevat dit artikel de volgende passages:
Het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) bewaart een centrale ledenlijst van de Jeugdstorm, waarop de naam Mulisch niet voorkomt. Het instituut houdt wat de betrouwbaarheid van deze administratie betreft echter een slag om de arm.
en
Het dossier van Karl Mulisch bevindt zich in het Nationaal Archief in Den Haag. (…) Er is één zogenaamde Staat van Inlichtingen bij, op 8 juli 1946 opgesteld door de politieke recherche, afdeling Amsterdam, waarin de politieke houding van zijn zoon Harry ter sprake komt. Na een standaardlijst waarin wordt gevraagd of de verdachte lid was van NSB, WA, SS, NSKK, Landwacht, Jeugdstorm of andere nationaal-socialistische nevenorganisaties – alle opties zijn beantwoord met een ontkennend kruisje – volgt de vraag: ‘Behoorde zijn/haar echtgenoot(e) of een van zijn haar/kinderen tot een der in de vragen 1 tot en met 7 genoemde organisaties? Zoo ja, tot welke?’ Achter deze vraag staat met getypte letters het antwoord ‘neen’.
De politieke recherche concludeerde dus dat Harry Mulisch géén lid van de Jeugdstorm was geweest. Hoe kwam zij aan die informatie? Doorgaans gingen de rechercheurs in hun speurwerk naar ‘foute’ Nederlanders grondig te werk. Voor zover er schriftelijke bewijzen waren van ‘fout’ gedrag, werden die zoveel mogelijk verzameld.
Verder leunden de tenlasteleggingen vaak op verklaringen van derden. Een veel gepraktiseerd middel was het buurtonderzoek: rechercheurs kwamen bij de omwonenden van de politiek delinquenten aan de deur om te vragen hoe deze bekendstonden.
Goede kans dus dat rechercheurs ook bij de ouders van ‘Anton S.’ hebben aangebeld. Hadden deze toen gemeld dat Mulisch jr. in zijn Jeugdstorm-uniform door de straat had gewandeld, dan was dat zeker in het dossier van de vader terechtgekomen. In het klimaat vlak na de oorlog werden dergelijke misstappen niet gauw over het hoofd gezien.
 
Op 25 maart 2006 is in AD in de rubriek ‘winnaar & verliezer’ een artikel verschenen dat luidt:
Winnaar van de week – Toch geen fascist
Hij is geen lid geweest van de Jeugdstorm, de jongerenbeweging van de NSB. Rapporten van de politieke recherche tonen aan dat deze beschuldiging van journalist Dick Verkijk tegenover Harry Mulisch ‘quatsch’ is.
Verliezer van de week – Tweederangs journalist
Twee maanden geleden verscheen het pamflet Harry Mulisch: Fel anti-nazi. Maar sinds wanneer? van Dick Verkijk, die naar eigen zeggen ‘bijna op de kop af slechts twee jaar jonger’ is dan Mulisch. Deze blijkt nu niet in lichtblauwe uniformen door Haarlem te hebben gelopen.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager acht het onjuist en beledigend dat hij in het artikel als ‘verliezer’ en ‘tweederangs journalist’ is gekwalificeerd. Verweerder zou die kwalificaties niet hebben gebruikt als hij wederhoor had toegepast. In een e-mailbericht van 29 maart 2006 heeft hij verweerder bericht dat deze zijn pamflet noch de publicatie in het Historisch Nieuwsblad, waarop het artikel is gebaseerd, goed heeft gelezen. Verder heeft hij verweerder erop gewezen dat de zin “Rapporten van de politieke recherche tonen aan dat deze beschuldiging van journalist Dick Verkijk tegenover Harry Mulisch ‘quatsch’ is.”, net als de publicatie in het Historisch Nieuwsblad, op lucht is gebaseerd. Verweerder heeft ten onrechte geweigerd het artikel te rectificeren, aldus klager.
 
Verweerder stelt dat de rubriek ‘winnaar & verliezer’ een uitgesproken speels, columnachtig karakter heeft. Er wordt steeds gezocht naar iets dat of iemand die in een bepaalde week positief of negatief in de publiciteit is geweest. In de week voorafgaand aan de publicatie kwam het pamflet van klager opnieuw in het nieuws door een publicatie in het Historisch Nieuwsblad, waarin werd betoogd dat Mulisch geen Jeugdstormer was geweest. Hierover is in Trouw en NRC Handelsblad bericht. De publicitaire golf was aanleiding om Mulisch tot winnaar en klager tot verliezer van de week uit te roepen. Dat betekent niet dat verweerder daarmee het pamflet van klager heeft neergesabeld en zich achter Mulisch heeft geschaard. Hij heeft alleen op speelse wijze gesignaleerd wat zich die week rond de kwestie had voorgedaan. Het gebruik van het kopje ‘tweederangs journalist’ is een verwijzing naar de typering ‘een jaloerse derderangs journalist’ die Mulisch voor klager gaf. Volgens verweerder moet een journalist die een gerenommeerd schrijver neerzet als een nazi, zelf geen al te lange tenen hebben.
Verweerder bestrijdt verder dat hij wederhoor had moeten toepassen. Als er een nieuwe publiciteitsgolf komt waaruit blijkt dat Mulisch toch fout had en dat klager dus gelijk had, dan zal hij in de rubriek ‘winnaar & verliezer’ de rollen omdraaien. Dat heeft hij klager overigens ook laten weten.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het artikel deel uitmaakt van een vaste, lichte rubriek. Gelet op de luchtige en kennelijk opzettelijk overdreven tendentieuze toon, zijn de bedoeling van het artikel en de aard van de daarin opgenomen informatie voor de gemiddelde lezer voldoende duidelijk: de publicatie behelst met name de persoonlijke visie van de auteur, feitelijke verslaglegging staat niet voorop en overdrijving als stijlmiddel wordt niet geschuwd.
 
In dit licht bezien acht de Raad de publicatie niet onaanvaardbaar. In het artikel komen geen kwalificaties of vergelijkingen voor die journalistiek ontoelaatbaar zijn. Dat klager het artikel als beledigend heeft opgevat, is daarvoor onvoldoende.
Bij dit oordeel heeft de Raad mede in aanmerking genomen dat klager met het uitbrengen van zijn pamflet zelf de discussie over Harry Mulisch heeft aangezwengeld en zich aldus een zekere mate van aantasting van zijn persoonlijke levenssfeer moet laten welgevallen. (vgl. onder meer Westbroek en Schnetz tegen Haighton en Broertjes, RvdJ 2004/61)
 
Aan klager kan weliswaar worden toegegeven dat niet is gebleken dat de zin “Rapporten van de politieke recherche tonen aan dat deze beschuldiging van journalist Dick Verkijk tegenover Harry Mulisch ‘quatsch’ is.” op een deugdelijke grondslag is gebaseerd. Deze omissie is echter – gelet op de aard en context van de gehele publicatie – niet van zodanige ernst, dat verweerder daarmee jegens klager journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld.
 
Gelet op het voorgaande bestaat evenmin grond voor de conclusie dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd het artikel te rectificeren.
 
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. (vgl. onder meer: Ockels tegen Scholtens en de Volkskrant, RvdJ 2005/19)
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in AD te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 8 september 2006 door mw. mr. M.E. Leijten, voorzitter, drs. C.M. Buijs, mw. mr. H.M.A. van Meurs en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.