2006/57 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

 

D. Verkijk

 

tegen

 

de hoofdredacteur van NRC Handelsblad

 

Bij brief van 5 april 2006 met zes bijlagen heeft D. Verkijk te Sandy, USA?(hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van NRC Handelsblad (hierna: verweerder). Hierop heeft F. Jensma, hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 25 april 2006 met vier bijlagen. Klager heeft per e-mail van 26 april 2006 nog e-mailcorrespondentie met verweerder overgelegd. Ten slotte heeft klager in een brief van 14 mei 2006 met een bijlage op het antwoord van verweerder gereageerd.

 

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 16 juni 2006. Partijen zijn daar niet verschenen. Vanwege de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad is de zaak behandeld door de voorzitter en drie leden.

 

DE FEITEN

Begin 2006 is een pamflet van de hand van klager verschenen onder de kop “Harry Mulisch – Fel anti-nazi. Maar sinds wanneer?”. Daarin schrijft klager onder meer dat Mulisch lid van de Jeugdstorm is geweest.

 

In het Historisch Nieuwsblad van april 2006 is een artikel verschenen onder de kop “Juridisch dossier: Harry Mulisch g? Jeugdstormer”. De intro van dit artikel luidt:
Volgens Dick Verkijk is schrijver Harry Mulisch in de Tweede Wereldoorlog lid geweest van de Jeugdstorm, de jeugdorganisatie van de NSB. Een rapport van de politieke recherche uit 1946 geeft Verkijk echter ongelijk.
Verder bevat dit artikel de volgende passages:
Het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) bewaart een centrale ledenlijst van de Jeugdstorm, waarop de naam Mulisch niet voorkomt. Het instituut houdt wat de betrouwbaarheid van deze administratie betreft echter een slag om de arm.
en
Het dossier van Karl Mulisch bevindt zich in het Nationaal Archief in Den Haag. (…) Er is ? zogenaamde Staat van Inlichtingen bij, op 8 juli 1946 opgesteld door de politieke recherche, afdeling Amsterdam, waarin de politieke houding van zijn zoon Harry ter sprake komt. Na een standaardlijst waarin wordt gevraagd of de verdachte lid was van NSB, WA, SS, NSKK, Landwacht, Jeugdstorm of andere nationaal-socialistische nevenorganisaties – alle opties zijn beantwoord met een ontkennend kruisje – volgt de vraag: ‘Behoorde zijn/haar echtgenoot(e) of een van zijn haar/kinderen tot een der in de vragen 1 tot en met 7 genoemde organisaties? Zoo ja, tot welke?’ Achter deze vraag staat met getypte letters het antwoord ‘neen’.

De politieke recherche concludeerde dus dat Harry Mulisch g? lid van de Jeugdstorm was geweest. Hoe kwam zij aan die informatie? Doorgaans gingen de rechercheurs in hun speurwerk naar ‘foute’ Nederlanders grondig te werk. Voor zover er schriftelijke bewijzen waren van ‘fout’ gedrag, werden die zoveel mogelijk verzameld.
Verder leunden de tenlasteleggingen vaak op verklaringen van derden. Een veel gepraktiseerd middel was het buurtonderzoek: rechercheurs kwamen bij de omwonenden van de politiek delinquenten aan de deur om te vragen hoe deze bekendstonden.
Goede kans dus dat rechercheurs ook bij de ouders van ‘Anton S.’ hebben aangebeld. Hadden deze toen gemeld dat Mulisch jr. in zijn Jeugdstorm-uniform door de straat had gewandeld, dan was dat zeker in het dossier van de vader terechtgekomen. In het klimaat vlak na de oorlog werden dergelijke misstappen niet gauw over het hoofd gezien.

 

Op 23 maart 2006 is in NRC Handelsblad een artikel verschenen onder de kop “’Onschuld Mulisch bewezen’”. Daarin wordt verwezen naar de hiervoor bedoelde publicatie in het Historisch Nieuwsblad. De intro van het artikel luidt:
Harry Mulisch is geen lid geweest van de Jeugdstorm, de jeugdafdelingen van de NSB. Dit blijkt uit rapporten van de politieke recherche uit 1946, schrijft het Historisch Nieuwsblad deze maand. Onlangs beweerde de journalist Dick Verkijk in het pamflet Harry Mulisch, fel anti-nazi maar sinds wanneer? dat de schrijver lid was van de NSB-jongerenafdeling. Hij baseerde zich op verklaringen van twee getuigen. Mulisch deed de beweringen af als ‘quatsch’.
Verder bevat het artikel de volgende passages:
Op de ledenlijst van de Jeugdstorm, in het bezit van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), bleek de naam Mulisch niet voor te komen.
en
Uit het dossier blijkt dat de politieke recherche ook navraag heeft gedaan naar de achtergrond van de echtgenote en de kinderen van Karl Mulisch. Zij bleken echter geen lid te zijn van de Jeugdstorm of een andere, nationaal-socialistische nevenorganisatie. Het Historisch Nieuwsblad benadrukt dat de recherche destijds grondig onderzoek deed, waarbij ze onder meer buurtgenoten raadpleegde.

 

De klacht is gericht tegen het artikel in NRC Handelsblad.

 

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

 

Klager stelt dat het artikel diverse onjuistheden bevat. Zo bestaat er geen ledenlijst van de Jeugdstorm bij het NIOD. Er is een handgeschreven register van onbekende herkomst met namen waarvan niemand precies weet wie en waarom ze in dat register staan. Dat register bevat weliswaar ook namen van Jeugdstormers, maar de lijst wordt door het NIOD onvolledig geacht. Het niet voorkomen in dat register zegt dus weinig, aldus klager.
Volgens hem is verder onjuist dat uit een rapport van de politieke recherche zou blijken dat grondig buurtonderzoek is verricht. Dat heeft het Historisch Nieuwsblad ook niet beweerd, maar slechts verondersteld. Klager stelt verder dat de antwoorden op de Staat van Inlichtingen, over de achtergrond van de echtgenote en kinderen van Karl Mulisch, afkomstig waren van Karl Mulisch zelf.
Ter ondersteuning van zijn stellingen verwijst klager naar een door hem ontvangen e-mail van een archivaris van het Nationaal Archief, waarin deze onder meer heeft geschreven: “In de dossiers Mulisch sr heb ik diverse doorslagen aangetroffen van een zogenaamde “Staat van Inlichtingen” van de PRA Amsterdam, een voorbedrukt en nader in te vullen tweezijdig A-4 vel met getypte antwoorden op voorbedrukte vragen. Het stuk met de antwoorden is gedateerd “8 juli 1946” (…) De doorslagen kennen geen handtekening of paraaf van “De verbalisant”, cq van de verdachte. (…) Eveneens een niet ondertekende doorslag van dezelfde datum “8 juli 1946”. Hierbij staat aan het eind ook nog de formule “Aldus naar waarheid ‘op verklaringen verdachte’ opgemaakt, Amsterdam 8 juli 1946”. De tekst ‘op verklaringen verdachte’ is getypt toegevoegd aan de gedrukte tekst. In het dossier heb ik geen getuigenverklaringen aangetroffen van buren van Mulisch sr, of opmerkingen over een buurtonderzoek.
In een ingezonden brief heeft klager de redactie op een en ander geattendeerd. Nadat hem was meegedeeld dat zijn brief niet zou worden geplaatst, heeft klager zich tot verweerder gewend. Deze liet hem uiteindelijk weten dat hij ‘de controverse waarvoor klager zijn aandacht vraagt van matig belang vindt’ en verwees hem voor vragen over de ingezonden brievenrubriek naar de desbetreffende redactie.
Klager stelt dat de zaak voor hem niet van matig belang is. Hij meent dat hij in de publicatie impliciet wordt gekarakteriseerd als een waardeloze onderzoeker, die over het hoofd heeft gezien dat in het dossier van Mulisch sr het bewijs vastligt dat Harry Mulisch geen lid van de Jeugdstorm is geweest. Hij is van mening dat verweerder een en ander had moeten erkennen door zijn rectificatie te plaatsen.
Ten slotte wijst klager erop dat hij naar aanleiding van de publicatie in het Historisch Nieuwsblad ook aan dat medium een ingezonden brief heeft gestuurd, die in het mei-nummer is geplaatst.

 

Verweerder stelt dat de Raad geen inhoudelijk oordeel toekomt over de vraag of het juist is dat hij de kwestie ‘Mulisch/Jeugdstorm’ als ‘van matig belang’ heeft gewogen. De kwestie is in hoofdzaak beknopt behandeld in drie artikelen. In die publicaties zijn geen fouten gemaakt die een rectificatie rechtvaardigen. Het door klager gewraakte artikel geeft weer wat het Historisch Nieuwsblad over de kwestie meldde. In zijn ingezonden brief treedt klager in discussie over de publicatie in het Historisch Nieuwsblad. Die brief hoort dus eerder thuis in het Historisch Nieuwsblad, aldus verweerder.
Hij wijst erop dat hij klager heeft geschreven dat diens brief te lang was en het onderwerp van onvoldoende belang. De krant komt grote vrijheid toe bij het samenstellen van de rubriek ‘ingezonden brieven’. Verweerder meent dat hij met het gebruik van die vrijheid binnen betamelijke grenzen is gebleven.

 

BEOORDELING VAN DE KLACHT
?
Naar het oordeel van de Raad laat de publicatie de lezer weinig ruimte voor een andere conclusie dan dat klager het met zijn pamflet “Harry Mulisch, fel anti-nazi maar sinds wanneer?”, waarin hij vermeldt dat Mulisch lid van de Jeugdstorm is geweest, volstrekt bij het verkeerde eind heeft. Aldus wordt klager in de uitoefening van zijn beroep als journalist/publicist zodanig gediskwalificeerd, dat verweerder die suggestie niet zonder deugdelijke grondslag had mogen publiceren.

 

Zoals in het artikel is vermeld, is dit gebaseerd op een publicatie in het Historisch Nieuwsblad. In die publicatie is echter een duidelijk voorbehoud gemaakt ten aanzien van de betrouwbaarheid van de vermeende ledenlijst van de Jeugdstorm. Verder is in die publicatie geenszins vermeld dat daadwerkelijk een grondig buurtonderzoek naar de achtergrond van Harry Mulisch heeft plaatsgevonden.

 

Klager heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de beweringen over het register en het buurtonderzoek, die in de gewraakte publicatie zijn opgenomen, onvoldoende genuanceerd en daardoor onjuist zijn.

 

Aldus is niet gebleken dat voor de publicatie voldoende grondslag bestond. Het had op de weg van verweerder gelegen de onzorgvuldige berichtgeving recht te zetten, al dan niet aan de hand van de ingezonden brief van klager.

 

De Raad komt derhalve tot de slotsom dat verweerder, door te handelen en na te laten als hiervoor bedoeld, de grenzen heeft overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is.

 

BESLISSING

 

De klacht is gegrond.

 

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in NRC Handelsblad te publiceren.

 

Aldus vastgesteld door de Raad op 8 september 2006 door mw. mr. M.E. Leijten, voorzitter, drs. C.M. Buijs, mw. mr. H.M.A. van Meurs en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.