2006/56 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
C.E.M. Goseling
 
tegen
 
P. Alleblas en de hoofdredacteur van AD Haagsche Courant
 
Bij brief van 14 maart 2006 met een bijlage heeft C.E.M. Goseling te Leidschendam (hierna: klager) een klacht ingediend tegen P. Alleblas en de hoofdredacteur van AD Haagsche Courant (hierna: verweerders). Hierop heeft D. Mulkens, hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 18 april 2006 met een bijlage.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 16 juni 2006. Klager is daar verschenen en heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van een notitie. Aan de zijde van verweerders waren Alleblas en P.P. Marijnen, chef eindredactie, aanwezig.
 
Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, hebben partijen desgevraagd laten weten geen bezwaar te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.
 
DE FEITEN
 
Op 11 maart 2006 is in AD Haagsche Courant een artikel van de hand van Alleblas verschenen onder de kop “’Als we degraderen, voel ik me verantwoordelijk’ – Voorzitter Peter Grötzinger van Tonegido/Haagsche Bluf is spelletjes en intriges beu, maar weigert weg te lopen bij de club die hij zestien jaar liefheeft”. Het artikel behelst een interview met P. Grötzinger, voorzitter van de voetbalclub Tonegido/Haagsche Bluf, en bevat onder meer de volgende passage:
Toen mijn vrouw mijn schoonmoeder moest verzorgen en ik pas op de plaats wilde maken vanwege de privé-situatie, heb ik tegen mijn mede-bestuursleden gezegd: ‘Jongens, ik treed formeel even af. Doordeweeks kom ik om die en die reden niet op de club.’ Dan denk je dat dat duidelijk is. Blijken er toch mensen te zijn die zeggen: ‘Waar blijft die Grötzinger toch? We zien hem nooit meer op de club.’ Moet ik me dan tegenover alle leden op de club verantwoorden? En je denkt dat ze mijn taken zolang overnemen, maar nee. Ondertussen gebeurde er van alles. Ik wilde niet meer met Carel Goseling (destijds secretaris) door één deur. Hij kwam elke dag bij me en wist dat ik doordeweeks niet kon komen. Maar als ze vroegen waar ik was, zei hij: ‘Dat weet ik niet’. Onbetrouwbaar.
 
Vervolgens is op 14 maart 2006 een artikel verschenen, eveneens van de hand van Alleblas, onder de kop “Kwaad op Grötzinger – Buitenwacht reageert verbaasd over uitlatingen voorzitter Tonegido”. In dat artikel wordt klager aan het woord gelaten. De publicatie bevat onder meer de volgende passage:
Carel Goseling was niet bepaald blij toen hij de uitlatingen van zijn ex-medebestuurslid onder ogen kreeg. ,,Peter heeft wel meer in z’n eigen kleuren een verhaal geschetst, maar een paar dingen kloppen echt niet. Hij zegt dat hij destijds om privé-redenen formeel even is afgetreden, maar dat kan helemaal niet volgens de statuten. En dat ik niet wist waar Peter was als mensen dat aan me vroegen is onjuist. Ik heb juist met Peter afgesproken dat ik net deed of ik van niets wist als ze vroegen waar hij doordeweeks was. Anders wist iedereen hem wel te vinden.” Het steekt Goseling dat Grötzinger hem ‘onbetrouwbaar’ vindt. ,,Ik ben ook een jaar penningmeester geweest. Als iemand onbetrouwbaar is, dan benoem je iemand niet tot penningmeester.(…)”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat hij in het artikel ten onrechte als onbetrouwbaar wordt afgeschilderd. Dat is zeer schadelijk, mede omdat hij als redacteur buitenland werkzaam is bij de GPD. Hij heeft aldus een openbare functie, waarin hij contacten heeft met hooggeplaatste personen. Betrouwbaarheid speelt daarbij een grote rol. Klager wijst erop dat Grötzinger inmiddels in een brief aan hem het woord ‘onbetrouwbaar’ heeft teruggetrokken. Daarnaast stelt klager dat het artikel diverse onjuistheden bevat over de gang van zaken bij de voetbalclub.
Volgens klager heeft Alleblas klakkeloos het verhaal van Grötzinger opgetekend zonder weerwoord te vragen. Klager meent dat Alleblas wederhoor had moeten toepassen. Dat Alleblas als sportjournalist op de hoogte was van de feiten en desondanks ervoor heeft gekozen het interview zonder kanttekening te publiceren, versterkt zijn standpunt, aldus klager.
Hij heeft vervolgens in een e-mail om een rectificatie gevraagd, hetgeen ertoe leidde dat hij op 13 maart 2006 twee keer telefonisch contact heeft gehad met Alleblas. In die gesprekken erkende Alleblas dat het geschetste beeld niet geheel conform de waarheid was, maar dat Grötzinger het zo had gezegd. Verder verontschuldigde Alleblas zich voor de gang van zaken en deelde hij mee dat klager alsnog kon reageren in een artikel dat de volgende dag zou worden geplaatst. Klager benadrukt dat het artikel van 14 maart 2006 tot stand is gekomen, nadat hij zelf aan de bel heeft getrokken. De publicatie van dat artikel neemt niet weg dat verweerders onzorgvuldig hebben gehandeld door in eerste instantie geen wederhoor toe te passen.
Ten slotte merkt klager op dat hij liever had gezien dat verweerders een formele rectificatie hadden geplaatst. Desgevraagd erkend hij ter zitting dat hij dit in zijn gesprekken met Alleblas niet heeft gezegd.
 
Verweerders stellen dat weliswaar in eerste instantie geen wederhoor is toegepast, maar in tweede instantie wel. Zij wijzen in dat verband op de publicatie van 14 maart 2006, waarin klager uitgebreid in de gelegenheid is gesteld alsnog zijn visie op de zaak te geven. Overigens heeft klager geen voorbeelden van onjuistheden gegeven, zodat zij het standpunt van klager ter zake niet kunnen weerleggen, aldus verweerders.
Zij stellen verder dat Alleblas op de hoogte was van de sportieve prestaties van de voetbalclub, maar geen inzicht had in het reilen en zeilen van het bestuur. Het is bovendien niet juist dat Alleblas het verhaal van Grötzinger klakkeloos heeft opgetekend. Alleblas heeft een selectie gemaakt en een beeld geschetst van een moeizame en langdurige periode van het voorzitterschap van Grötzinger. De opmerking dat klager onbetrouwbaar is, komt voor rekening van Grötzinger en valt onder het recht van vrije meningsuiting. Verweerders wijzen erop dat klager op die uitlating heeft kunnen reageren in het artikel van 14 maart 2006.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De kern van de klacht is dat klager in het artikel van 11 maart 2006 als ‘onbetrouwbaar’ is afgeschilderd, zonder dat wederhoor is toegepast. De Raad zal zich tot die kern beperken.
 
Klager is als ‘onbetrouwbaar’ aangeduid bij de uitoefening van zijn functie als secretaris van een voetbalclub. Aldus is de kwalificatie ‘onbetrouwbaar’ zeer grievend en wordt klager daardoor niet alleen privé maar ook zakelijk gediskwalificeerd. Volgens het vaste oordeel van de Raad dient een journalist bij het publiceren van ernstige beschuldigingen met bijzondere zorgvuldigheid te werk te gaan. Die bijzondere zorgvuldigheid brengt in het algemeen onder meer mee dat wederhoor dient te worden toegepast. Dat de beschuldigingen zouden zijn geuit door een geïnterviewde, maakt dat niet anders.
Voorts heeft de Raad herhaaldelijk overwogen dat – voor zover wederhoor is geboden – uit een oogpunt van evenwichtige berichtgeving bij voorkeur in een en dezelfde publicatie tot uitdrukking dient te komen dat met betrekking tot hetgeen daarin aan de orde is, wederhoor is toegepast.
Niet ter discussie staat dat verweerders voorafgaand aan de publicatie van 11 maart 2006 geen wederhoor bij klager hebben toegepast. Gesteld noch gebleken is van bijzondere omstandigheden die dat rechtvaardigen. Dat verweerders na de publicatie van 11 maart klager alsnog de gelegenheid hebben geboden zijn visie op de zaak te geven, kan daaraan niet afdoen.
 
Daarbij komt dat klager, gelet op de onzorgvuldige berichtgeving, een adequate rectificatie mocht verwachten. De publicatie van 14 maart 2006 kan echter niet als zodanig worden beschouwd. Bij het rectificeren dient de journalist aan de lezer duidelijk te maken dat hij in de te rectificeren publicatie niet juist heeft bericht. Dat is hier niet gebeurd.
 
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerders door zo te handelen en na te laten de grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. (vgl. onder meer: OSV B.V. tegen ‘TROS Opgelicht’, RvdJ 2006/19 en Janssens tegen Ubags (de Ster), RvdJ 2005/18)
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in AD Haagsche Courant te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 8 september 2006 door mw. mr. M.E. Leijten, voorzitter, drs. C.M. Buijs, mw. mr. H.M.A. van Meurs en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.