2006/54 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
Reiber Adviesgroep B.V.
 
tegen
 
de hoofdredacteur van RTV Noord
 
Bij brief van 15 mei 2006 met twee bijlagen, waaronder een video-opname, heeft P. Mulder, directeur, namens Reiber Adviesgroep B.V. gevestigd te Groningen (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van RTV Noord (hierna: verweerder). Hierop heeft R. Dijkhuis, directeur/hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 19 mei 2006. Klaagster heeft daarop nog gereageerd in een schrijven van 27 juni 2006.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 14 juli 2006. Partijen zijn daar niet verschenen. Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad de video-opname van de gewraakte uitzending bekeken.
 
DE FEITEN
 
Op 9 mei 2006 is in een uitzending van het televisieprogramma ‘Noord Nieuws’ aandacht besteed aan een strafzaak inzake oplichting. De man die ter zake van oplichting van klanten is veroordeeld, is als financieel adviseur actief geweest in het pand waar klaagster tegenwoordig kantoor houdt. In de uitzending is een deel van de voorgevel van dat pand in beeld gebracht evenals het logo van klaagster.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster maakt bezwaar tegen het in beeld brengen van de voorgevel van het pand waar zij kantoor houdt en het tonen van haar logo. Klaagster is een financieel adviesbureau en is voor haar omzet mede afhankelijk van het winkelende publiek. Zij betoogt dat het kantoor door de mensen die de uitzending hebben gezien, geassocieerd zal worden met de frauduleuze handelingen van de desbetreffende oplichter. Het publiek zal daardoor een ander kantoor zoeken voor financieel advies, aldus klaagster. Zij wijst erop dat dat het aantal binnenlopende potentiële klanten is gedaald in de periode die volgde op de uitzending.
 
Verweerder stelt dat in de uitzending de naam van de huidige eigenaar niet volledig zichtbaar in beeld is gebracht. Klaagster is niet in diskrediet gebracht en van onzorgvuldige journalistiek is geen sprake, aldus verweerder.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Bovendien dient een journalist, volgens het vaste oordeel van de Raad, bij het publiceren van ernstige beschuldigingen met bijzondere zorgvuldigheid te werk te gaan. Dit geldt ook als de betrokkene slechts zijdelings een rol speelt in de publicatie en daardoor wordt gediskwalificeerd (vgl. onder meer: Le Coultre tegen Van den Heuvel en Koolhoven, RvdJ 2006/24)
 
De uitzending gaat over een veroordeelde man, die als financieel adviseur werkzaam was in het pand waar klaagster, een financieel adviesbureau, tegenwoordig kantoor houdt. Een gedeelte van de voorgevel van dat pand is in beeld gebracht, waarbij het logo van klaagster te herkennen is.
In de uitzending zijn voorts beelden en logo’s van andere bedrijven getoond, die op enigerlei wijze met de desbetreffende oplichter in verband kunnen worden gebracht.
Aldus kan de uitzending tot verwarring leiden bij het publiek over de mogelijke betrokkenheid van klaagster bij de desbetreffende oplichter en diens onoorbare praktijken. Niet ter discussie staat dat klaagster niets met de desbetreffende oplichter te maken heeft.
 
Gelet op het belang van klaagster had verweerder hetzij in zijn berichtgeving meer terughoudend kunnen zijn en de beelden van klaagsters kantoor en haar logo achterwege kunnen laten dan wel nadrukkelijk kunnen vermelden dat in het pand inmiddels een ander financieel kantoor is gevestigd, zonder afbreuk te doen aan de inhoud en nieuwswaarde van de uitzending. Dat heeft verweerder echter nagelaten.

Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerder, door te handelen en na te laten als hiervoor bedoeld, de grenzen heeft overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van ‘Noord Nieuws’ en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op zijn website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 1 september 2006 door mr. A. Herstel, voorzitter, drs. G.T.M. Driehuis, mw. drs. M.G.N. Mathot, mw. E.H.C. Salomons en drs. L.W. Verhagen, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. L. Bultman-den Haan, plaatsvervangend secretaris.