2006/52 onbevoegd

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
M. Kat
 
tegen
 
F. Jensma
 
Bij brief van 21 maart 2006 met vier bijlagen heeft M. Kat te Amsterdam (hierna: klager) een klacht ingediend tegen F. Jensma, hoofdredacteur van NRC Handelsblad (hierna: verweerder). Vervolgens heeft de secretaris van de Raad klager bij brief van 29 mei 2006 verzocht gemotiveerd aan te geven waarom hij naar zijn mening ontvankelijk is in zijn klacht. Klager heeft daarop geantwoord bij e-mailberichten van 26 mei 2006 en 13 juni 2006. Verweerder is in de gelegenheid gesteld ten aanzien van de ontvankelijkheid van klager te reageren, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 14 juli 2006 buiten aanwezigheid van partijen.
 
DE FEITEN
 
Bij brief van 11 januari 2006 heeft klager een klacht tegen verweerder ingediend. In brieven van 14 februari 2006 en 28 februari 2006 heeft verweerder zijn visie betreffende de ontvankelijkheid van klager uiteengezet. Op zijn zitting van 17 maart 2006 heeft de Raad de ontvankelijkheid van klager beoordeeld. In zijn beslissing van 15 mei 2006 heeft de Raad klager niet-ontvankelijk verklaard (RvdJ 2006/29).
 
Bij brief van 21 maart 2006 heeft klager de onderhavige klacht tegen verweerder ingediend. Deze heeft betrekking op hetgeen verweerder in zijn brieven in de hiervoor bedoelde klachtprocedure naar voren heeft gebracht.
 
HET STANDPUNT VAN KLAGER
 
Klager stelt dat verweerder in diens brieven de suggestie heeft gewekt dat de klacht niet losgezien kan worden van het gegeven dat klager een afgewezen ex-medewerker van NRC Handelsblad is. Aldus heeft verweerder gepoogd zijn motieven in diskrediet te brengen, door de indruk te wekken dat hij handelt uit persoonlijke frustratie. Dit is een aantoonbare leugen, aldus klager. Hij heeft zelf de relatie met NRC Handelsblad verbroken vanwege een stuitend en consequent gebrek aan de meest fundamentele vormen van journalistieke integriteit. Klager stelt dat verweerder, in een procedure die handelt over zijn persoonlijke gebrek aan integriteit, zijn toevlucht neemt tot een leugen om klager daarmee in diskrediet te brengen. Verweerder overschrijdt daarmee de grens van wat in journalistieke zin als maatschappelijk aanvaardbaar kan worden beschouwd, aldus klager.
 
BEOORDELING VAN DE BEVOEGDHEID
 
Ingevolge artikel 3 lid 1 van de Statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek heeft de Raad tot taak om in de bij hem aanhangig gemaakte zaken betreffende journalistieke gedragingen te beoordelen of de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Krachtens artikel 4 lid 1 van deze Statuten wordt onder journalistieke gedraging verstaan: een handelen of nalaten van een journalist in de uitoefening van zijn beroep.
 
De klacht heeft betrekking op de gedragingen van verweerder in het kader van een tussen klager en verweerder gevoerde klachtprocedure. Eerst beoordeelt de Raad ambtshalve of in deze kwestie sprake is van journalistieke gedragingen als hiervoor bedoeld.
 
De Raad heeft in een groot aantal zaken het handelen van journalisten in het verband van de afhandeling van een in eerste instantie bij die journalisten ingediende klacht als journalistieke gedragingen aangemerkt. Echter, waar het handelen van journalisten betreft in het kader van een juridische of tuchtrechtelijke procedure, dient het belang van het in volle vrijheid voeren van verweer zodanig zwaar te wegen dat niet meer van een journalistiek gedraging in de zin van de Statuten kan c.q. mag worden gesproken. De Raad is derhalve niet bevoegd over deze gedragingen te oordelen. (vgl. Smit tegen Omroepvereniging VARA, RvdJ 2005/52)
 
De secretaris van de Raad heeft klager bij brief van 29 mei 2006 meegedeeld dat de Raad eerst zou beoordelen of hij in zijn onderhavige klacht ontvankelijk is. Nu de Raad, zoals hiervoor overwogen, tot het oordeel is gekomen dat de Raad de bevoegdheid in deze mist, komt hij niet meer aan de ontvankelijkheidsvraag toe.
 
BESLISSING
 
De Raad is niet bevoegd over de klacht te oordelen.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 1 september 2006 door mr. A. Herstel, voorzitter, drs. G.T.M. Driehuis, mw. drs. M.G.N. Mathot, mw. E.H.C. Salomons en drs. L.W. Verhagen, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. L. Bultman-den Haan, plaatsvervangend secretaris.