2006/50 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
de hoofdredacteur van ‘Zembla’ (VARA)
 
Bij brief van 17 april 2006 heeft mr. F.P. Holthuis, advocaat te Den Haag, namens X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van ‘Zembla’ (hierna: verweerder). Hierop heeft mw. mr. M.F. Hartstra, bedrijfsjurist van de VARA, geantwoord in een brief van 16 mei 2006 met als bijlage een dvd-opname van de gewraakte uitzending.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 2 juni 2006. Namens klager is daar mr. M.J.A.E. Rijssenbeek, advocaat te Den Haag, verschenen. Aan de zijde van verweerder zijn C. Driehuis (eindredacteur), mw. H. Nietsch (verslaggever), mw. E. Reijnen (research redacteur) en mw. mr. B. Metsemakers (bedrijfsjurist) verschenen. Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad een dvd-opname van de gewraakte uitzending bekeken.
DE FEITEN
Op 17 oktober 2005 is een aflevering van het televisieprogramma ‘Zembla’ uitgezonden onder de titel “TBS-er zoekt vrouw”, waarin aandacht is besteed aan het feit dat veel TBS-ers vanuit de kliniek proberen een partner te vinden (hierna: de uitzending). In de uitzending zijn onder meer de ex-partner van klager en haar oom aan het woord gelaten. Verder zijn de directeur van de sociale werkplaats, waar klager en zijn ex-partner werkzaam waren, en de reclasseringsambtenaar van klager geïnterviewd. Klager is in de uitzending aangeduid met zijn voornaam en de initiaal van zijn achternaam.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat in de uitzending een aantal succesverhalen in beeld is gebracht en daarnaast een aantal gevallen waarin de aangeknoopte relatie verkeerd is afgelopen. In dat kader heeft zijn ex-partner uitvoerig verklaard dat zij door hem met geweld gedwongen zou zijn werkzaam te zijn, en te blijven, in de prostitutie. Daarnaast geeft de oom van klagers ex-partner ongezouten zijn mening. De directeur van de sociale werkplaats en zijn reclasseringsambtenaar geven desgevraagd antwoord op de vraag waarom het in het geval van klager is misgegaan en of niet eerder had moeten worden ingegrepen. Wat zij van de beschuldigingen aan klagers adres vinden, wordt niet gevraagd. De wijze van presenteren van feiten en meningen, met name door het ontbreken van klagers weerwoord, laat de kijker weinig ruimte voor een andere conclusie dan dat klager zijn ex-partner in de prostitutie heeft gedwongen. Dit is echter niet juist. De uitzending bevat derhalve ongefundeerde ernstige beschuldigingen aan zijn adres, die slechts zijn gebaseerd op één bron.
Verder stelt klager dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten wederhoor toe te passen. Weliswaar heeft de redactie van ‘Zembla’ getracht contact te zoeken met de advocaten van klager, maar daarmee staat nog niet vast dat verweerder aan zijn verplichtingen jegens klager heeft voldaan. Voor zover klager heeft kunnen nagaan is er telefonisch contact geweest met zijn voormalige raadsman, die de redactie heeft verwezen naar de raadsman die op dat moment de belangen van klager behartigde. Wat met deze raadsman is besproken is klager niet bekend, maar feit is dat met hem zelf nooit contact is opgenomen. Dit had in de rede gelegen, indien de raadslieden van klager hadden aangegeven dat zij geen medewerking wensten te verlenen. Met name de ernst van de beschuldiging geeft daartoe alle aanleiding. Ter zitting voegt mr. Rijssenbeek hieraan toe dat de door de redactie benaderde raadslieden klager alleen hebben bijgestaan in strafzaken, terwijl het hier om andere belangen gaat. De redactie had moeten verifiëren of deze raadslieden in dit geval namens klager mochten spreken. Klager wijst erop dat de redactie ook in een ander, in de uitzending besproken geval, met de desbetreffende TBS-er heeft gesproken.
Klager merkt ten slotte op dat het feit dat zijn achternaam niet is genoemd, niet tot de slotsom kan leiden dat het achterwege blijven van hoor en wederhoor gerechtvaardigd was. Het merendeel van de TBS-bevolking weet dat het om klager ging. Bovendien worden in de uitzending zodanige details vermeld dat hij daardoor op eenvoudige wijze kan worden geïdentificeerd.
 
Verweerder stelt dat klagers ex-partner in de uitzending verklaart dat zij in een seksclub werkte omdat er meer geld nodig was, onder meer omdat klager graag een andere auto wilde hebben. Vervolgens is aan haar gevraagd waarom zij niet bij klager wegging, waarop zij antwoordde dat klager haar dan zou mishandelen. Dat zou zijn gesuggereerd dat klager zijn ex-partner met geweld heeft gedwongen in de prostitutie werkzaam te zijn, is dus niet juist.
Verder stelt verweerder dat klager zich ten tijde van het onderzoek door de redactie bevond in een huis van bewaring, als verdachte van mishandeling van zijn ex-partner. Verdachten mogen geen contact hebben met media en daarom is contact opgenomen met klagers raadslieden. De eerste verklaarde niet meer voor klager op te treden, waarna meermaals contact is opgenomen met de raadsman die op dat moment de belangen van klager behartigde. Deze verklaarde dat het niet in het belang van klager was dat de redactie met klager zelf contact opnam. Vervolgens heeft de redactie nog enkele keren met deze raadsman van klager over de zaak gesproken. De raadsman heeft niet gevraagd om de uitzending vooraf te mogen zien. Evenmin heeft hij laten weten dat hij niet wilde dat het item over klager zou worden uitgezonden. Aldus heeft de redactie alles gedaan om aan haar verplichting tot het vragen van wederhoor te voldoen. Ook in het andere, in de uitzending besproken, geval waarop klager heeft gewezen, heeft de redactie alleen gesproken met de raadsman en echtgenote van de desbetreffende TBS-er.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De klacht bestaat uit de volgende onderdelen:
  1. in de uitzending is klager ervan beschuldigd zijn ex-partner met geweld te hebben aangezet tot prostitutie, terwijl voor die beschuldiging onvoldoende grondslag bestaat;
  2. verweerder heeft ten onrechte nagelaten wederhoor bij klager toe te passen.
Ad 1.
In de uitzending heeft de ex-partner van klager verteld dat zij in een seksclub werkte, omdat klager extra geld nodig had voor onder meer het aanschaffen van een andere auto. Vervolgens heeft de interviewster haar voorgelegd, dat zij bij klager weg had kunnen gaan. Daarop antwoordde zij dat zij meerdere malen op het punt heeft gestaan te vertrekken, maar dat klager haar dan bedreigde met een mes of haar in elkaar sloeg.
Naar het oordeel van de Raad kan het door klager gestelde niet uit de uitzending worden afgeleid. De uitzending laat de kijker voldoende ruimte voor een andere conclusie dan dat klager zijn ex-partner met geweld heeft gedwongen in de prostitutie werkzaam te zijn. Dit onderdeel van de klacht is derhalve ongegrond.
 
Ad 2.
Klager heeft gesteld dat verweerder onvoldoende wederhoor heeft toegepast door alleen contact op te nemen met de raadslieden van klager en niet met hem zelf. Dit standpunt kan niet worden gevolgd. Een raadsman mag als betrouwbare bron en als belangenbehartiger van zijn cliënt  worden beschouwd. Verweerder mocht dan ook afgaan op de woorden van klagers toenmalige raadsman en ervan uitgaan dat klager formeel door hem werd vertegenwoordigd. Niet valt in te zien waarom verweerder uit eigen beweging had moeten verifiëren of die vertegenwoordiging zich niet alleen uitstrekte tot de strafzaak tegen klager, maar ook tot het contact met verweerder over de uitzending – zoals klager heeft gesteld – nog daargelaten dat de strafzaak in de uitzending ter sprake is geweest. Door contact op te nemen met de toenmalige raadsman van klager heeft verweerder voldoende toepassing gegeven aan het beginsel van hoor en wederhoor. Ook op dit punt is de klacht ongegrond.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van ‘Zembla’ anders deze beslissing integraal of in samenvatting op zijn website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 31 juli 2006 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter,
dr. M.J. Broersma, mw. drs. M.G.N. Mathot, mw. E.H.C. Salomons en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.