2006/49 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
Golfbad Exploitatie B.V. (Golfbad Oss)
 
tegen
 
W. ter Haar en de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad
 
Bij brief van 22 maart 2006 met vijf bijlagen heeft P. Jongsma, algemeen directeur, namens Golfbad Exploitatie B.V. te Oss (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen W. ter Haar en de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad (hierna: verweerders). Hierop heeft T. Rooms, plaatsvervangend hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 24 april 2006.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 2 juni 2006. Aan de zijde van klaagster is daar voornoemde Jongsma verschenen. Namens verweerders was T. de Jong, chef opinieredactie, aanwezig.
DE FEITEN
 
Op 4 maart 2006 is in het Brabants Dagblad een column van de hand van Ter Haar verschenen onder de kop “Zwemdiploma”. Het artikel bevat onder meer de volgende passage:
Enige tijd geleden werd ik ook geattendeerd op nog zo’n fraai staaltje van regels zijn regels. Het betrof Martijn, een jongen uit Berghem. Hij is een leuke knul van acht jaar. Martijn heeft het niet zo makkelijk. Zijn moeder heeft een kwaadaardige tumor en is in de laatste dagen van haar leven. Ondanks die droeve ellende gaan de dagelijkse zaken zoveel mogelijk door.
Zo ook het proefzwemmen voor het B-diploma. In het Golfbad Oss lukt het Martijn na weken oefenen door het gat te zwemmen onder de waterspiegel. Eindelijk. De jongen kan nu afzwemmen en zijn zieke moeder nog wat levensvreugde schenken.
Martijn moet echter nog een baantje borstcrawl. En dat gaat mis. De badmeester is onverbiddelijk. Het afzwemmen gaat niet door. Regels zijn regels.
De vader van Martijn belt de strenge Osse badmeester. Of Martijn toch niet een kansje kan krijgen? Kan er niet een keertje een oogje worden toegeknepen?
De jongen verlangt zo naar de blijde twinkeling in de ogen van zijn doodzieke moeder. Het antwoord blijft uit. Dus de donderdag van het afzwemmen gaat Martijn met kleding, zwembroek en schoenen naar het zwembad.
Maar verkeerd gedacht. Martijn mag het water niet in. Met zijn zwemspullen onder de arm druipt het jochie af. De teleurstelling is groot.
En die is nog onmetelijk veel groter als een paar dagen later zijn moeder de strijd tegen de kanker op moet geven. Ze overlijdt. Martijn had haar zo graag zijn B-diploma nog willen laten zien. Maar: regels zijn regels.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster stelt dat zij in de column ten onrechte is neergezet als een starre organisatie waar regeltjes voor mensen gaan. Daarbij is een vergelijking met de bekende ‘paarse krokodilreclame’ gemaakt. Ter Haar heeft zich uitsluitend gebaseerd op de informatie van de vader van de desbetreffende jongen, zonder te verifiëren of die informatie volledig en juist was. Volgens klaagster is de column eenzijdig, onvolledig, bezijden de waarheid en grievend.
Zij stelt verder dat het een columnist is toegestaan een eigen mening te verkondigen. In dit geval is echter de schijn gewekt dat het om een waarheidsgetrouwe weergave van een situatie ging. Nu klaagster en een aantal van haar medewerkers schade wordt berokkend, had wederhoor moeten worden toegepast, hetgeen niet is gebeurd. Dit klemt te meer nu verweerders hadden moeten beseffen dat de column veel emotionele reacties zou kunnen oproepen. In dat verband wijst zij op verschillende ingezonden brieven, die op 10, 11 en 15 maart 2006 zijn gepubliceerd.
Naar aanleiding van de publicatie heeft klaagster Ter Haar uitgenodigd voor een gesprek. Ter Haar zegde zijn medewerking toe aan het plaatsen van een ingezonden brief maar weigerde het artikel te rectificeren of zich publiekelijk te excuseren.
Vervolgens heeft klaagster op 16 maart 2006 een brief naar het Brabants Dagblad gestuurd voor plaatsing op zaterdag 18 maart 2006. Op 17 maart liet Ter Haar weten dat de brief te lang was om als ingezonden brief te plaatsen. Omdat klaagster volledige plaatsing van belang vond, heeft zij daarop aangedrongen. Ter Haar liet toen weten dat dit mogelijk was door het inhuren van advertentieruimte. Klaagster had daartegen geen bezwaar en is toen doorverbonden met de acquisitie-afdeling. Zij is toen met die afdeling een prijs overeengekomen. Kort daarna vernam zij per e-mail dat de ‘advertentie’ niet zou worden geplaatst, maar dat de brief alsnog als ingezonden brief zou worden gepubliceerd, waarbij zij een voorstel voor een ingekorte versie ontving. Met die versie is zij niet akkoord gegaan, omdat daarin de onzorgvuldige werkwijze van verweerders buiten beschouwing bleef. Daarom heeft zij uiteindelijk besloten de brief in te trekken en aan te bieden aan een lokaal huis-aan-huisblad, alsmede de onderhavige klacht in te dienen.
Ter zitting benadrukt Jongsma dat klaagster vanwege de aard van de zaak liever geen actie had ondernomen, maar zich gelet op de publicatie daartoe toch genoodzaakt voelde. Het voornaamste bezwaar van klaagster is, dat zij na de publicatie niet in de gelegenheid is gesteld haar weerwoord te publiceren en dat geen excuses zijn aangeboden.
 
Verweerders stellen voorop dat het niet ongebruikelijk is om ervaringen van horen zeggen, te verwerken in een column. Ter Haar heeft de column gebaseerd op een gesprek met de vader van de desbetreffende jongen. De vader heeft zijn verhaal later nog bevestigd in een ingezonden brief. In de column is een en ander verduidelijkt met een vergelijking, zoals vaker in een column gebeurt. Een column is immers geen feitelijk nieuwsverhaal. Wellicht was het beter geweest – maar niet noodzakelijk – de zaak eerst in een nieuwsbericht te beschrijven, waarbij het toepassen van wederhoor gebruikelijk is, alvorens er een column aan te wijden.
In de column is niemand schandalig gedrag of harteloosheid verweten. Er is beschreven dat door klaagster geen oogje is dichtgeknepen om de jongen de gelegenheid te geven zijn moeder op haar sterfbed te verrassen. De column is niet onnodig grievend of onzorgvuldig.
Na de publicatie van de column en de vele – soms emotionele – reacties erop, is er contact geweest met klaagster. Ter Haar heeft te kennen gegeven dat hij zich kon voorstellen dat klaagster niet gelukkig was met de publicatie, maar dat hij achter zijn column stond. Over een rectificatie of andere uiting van excuses is niet meer gesproken. Wel is klaagster de gelegenheid geboden in een ingezonden brief te reageren. De brief van klaagster bestond echter uit 620 woorden en voldeed daarmee niet aan de regels voor ingezonden brieven. Zij kreeg de mogelijkheid haar brief aan te passen en terug te brengen tot 500 woorden, waarmee zij de norm van 250 woorden ruimschoots mocht overschrijden. Klaagster heeft uiteindelijk zelf besloten de brief in te trekken. Het plaatsen van de brief in de vorm van een advertentie is aan de orde geweest, maar door de directie en hoofdredactie van het Brabants Dagblad afgewezen.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Volgens het vaste oordeel van de Raad komt aan columnisten een grote vrijheid toe om hun persoonlijke mening te geven over gebeurtenissen of personen, waarbij stijlmiddelen als overdrijven, chargeren en bewust eenzijdig belichten geoorloofd zijn, zij zich stellig mogen uitdrukken en desgewenst scheldwoorden mogen bezigen. De column is een journalistiek genre waar meer mag dan in andere journalistieke genres. Ook de vrijheid van de columnist kent echter haar grenzen. Enerzijds worden die bepaald door de wet, anderzijds worden die grenzen bepaald door wat, gegeven de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Van overschrijding van deze grenzen is sprake wanneer columnisten bij het uiten van hun persoonlijke mening over personen kwalificaties bezigen of vergelijkingen trekken waartoe de feiten in redelijkheid geen aanleiding geven. (vgl. onder meer: Dammen tegen Giphart en AD Utrechts Nieuwsblad, RvdJ 2006/2)
 
Uit het ter zitting verhandelde is gebleken dat de kern van de klacht niet de publicatie van de column is als zodanig, maar de wijze waarop verweerders vervolgens zijn omgegaan met klaagsters ingezonden brief. De Raad zal zich tot die kern beperken.
 
Het gaat hier om een column met een zeer beladen onderwerp, waarin klaagster en een van haar medewerkers negatief is afgeschilderd. Voorts hebben verschillende lezers daarop emotioneel – en voor klaagster en de desbetreffende medewerker wederom negatief – gereageerd. Daargelaten de vraag of in dit bijzondere geval wederhoor had moeten worden toegepast, is zonder meer voorstelbaar dat klaagster alsnog haar visie op de zaak naar voren wilde brengen. Evenzeer is voorstelbaar dat zij daarvoor, gelet op de aard van de kwestie, meer ruimte nodig had, dan volgens de bij het Brabants Dagblad geldende regels voor ingezonden brieven is toegestaan.
 
Alhoewel het tot de vrijheid van een redactie behoort om ingezonden brieven te redigeren en in te korten, hadden verweerders onder de gegeven omstandigheden ruimhartiger met klaagsters ingezonden brief dienen om te gaan. Kennelijk vonden ook verweerders dat sprake was van zodanige bijzondere omstandigheden, dat zij de gebruikelijke norm van 250 woorden wilden verruimen tot 500 woorden. Niet valt in te zien waarom zij dan niet tot plaatsing van de oorspronkelijke brief van klaagster – die 620 woorden bevatte – hadden kunnen overgaan. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat klaagster de integrale publicatie van haar brief van zodanig groot belang achtte, dat zij daarvoor zelfs wilde betalen.
 
Door aldus te handelen en na te laten hebben verweerders grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke zorgvuldigheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING
 
De klacht is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in het Brabants Dagblad te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 31 juli 2006 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter,
dr. M.J. Broersma, mw. drs. M.G.N. Mathot, mw. E.H.C. Salomons en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.