2006/48 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
de hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden
 
Bij brief van 4 april 2006 met een bijlage heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden (hierna: verweerder). Hierop heeft P. Sijpersma, hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 28 april 2006. Klager heeft daarop nog gereageerd bij brief van 17 mei 2006.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 2 juni 2006. Namens verweerder was E. van Dijk, adjunct-hoofdredacteur, aanwezig. Klager is daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 24 maart 2006 is in Dagblad van het Noorden een artikel gepubliceerd onder de kop “Hooghaler in vicieuze cirkel”. Het artikel gaat over een bestuursrechtelijke procedure waarin klager is betrokken. Volgens het bericht zou de gemeente klager geen bijstandsuitkering toekennen, voordat hij vertelt wat de verkoop van zijn aandelen in zijn bedrijf heeft opgebracht, terwijl die aandelen volgens klager onverkoopbaar zijn. Ook de bestuursrechter zou, aldus het bericht, tot de conclusie zijn gekomen dat het voor klager feitelijk onmogelijk is zijn aandelen te verkopen. In de publicatie zijn de naam en woonplaats van klager vermeld.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat zijn naam en woonplaats zijn vermeld, terwijl die vermelding geen toegevoegde waarde heeft voor het bericht. Verder bevat het artikel financiële details die evenmin een toegevoegde waarde hebben. Ten slotte is het niet de gewoonte om specifiek te vermelden dat iemand in de bijstand zit. Door deze wijze van berichtgeving is zijn privacy onnodig aangetast, aldus klager. 
Hij stelt verder dat in het artikel niet wordt ingegaan op de kern van de zaak, te weten het handelen van de gemeente. De rechter heeft duidelijk aangegeven dat de gemeente onjuist heeft gehandeld. Voor ondernemers die te maken krijgen met Wet Werk en Bijstand is het ook van belang dat daarover wordt geschreven.  
Klager meent dat de schade die hij heeft geleden ten gevolge van het handelen van de gemeente wordt versterkt door het aantasten van zijn goede naam.
 
Verweerder stelt dat de financiële situatie van klager en zijn afhankelijkheid van de gemeente, als bijstand uitkerende instantie, de essentie vormen van het bericht. Zonder vermelding daarvan zou het artikel onbegrijpelijk zijn geweest.
Verder staat het een journalist vrij om in verslagen van niet-strafrechtelijke terechtzittingen de namen van betrokkenen te vermelden. Bovendien is de journalist vrij in zijn selectie van nieuws, aldus verweerder.
Hij benadrukt dat op de redactie wel steeds een afweging wordt gemaakt tussen het belang van de publicatie en de eventuele schade die de publicatie voor betrokkenen kan hebben. Bij een verslag van een kort geding of een zitting van de bestuursrechter is echter geen sprake van verdachten of veroordeelden. Het gaat niet om belastende feiten, maar om botsende belangen. Alleen wanneer zwaarwegende belangen in het geding zijn, kan van de journalist in redelijkheid worden gevraagd terughoudend te zijn. Daarvan is hier geen sprake. De bestuursrechter oordeelt over de vraag hoe de overheid omspringt met de belangen van burgers. Met berichten over bestuursrechtelijke procedures is dus een algemeen belang gediend. Het vermelden van namen en feiten is vanwege de duidelijkheid gerechtvaardigd, aldus verweerder.
Ter zitting voegt Van Dijk hieraan toe dat hij wel begrijpt dat klager de publicatie vervelend vindt, maar dat dat niet betekent dat het artikel niet gepubliceerd had mogen worden.
  
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De kern van de klacht is dat door het vermelden van klagers persoonlijke gegevens en bepaalde details, de privacy van klager onnodig is aangetast. De Raad zal zich tot die kern beperken.
 
De Raad stelt voorop dat een journalist vrij is in zijn selectie van nieuws. Er is geen norm van journalistieke zorgvuldigheid die meebrengt dat een journalist toe- of instemming behoeft te hebben van degene over wie hij publiceert.
Dat neemt niet weg dat de journalist steeds een afweging dient te maken tussen het belang dat met de publicatie is gediend en de belangen die door de publicatie worden geschaad, en dat moet worden vermeden dat nodeloos schade wordt toegebracht.

Volgens het vaste oordeel van de Raad bestaat in het algemeen geen bezwaar tegen vermelding van de namen van de betrokken partijen als het gaat om verslaggeving van een openbare terechtzitting in een civielrechtelijke of – zoals hier het geval is – een bestuursrechtelijke procedure. In sommige gevallen kan het belang van een partij om zoveel mogelijk onherkenbaar te blijven zo zwaar wegen dat van het vermelden van de (volledige) naam moet worden afgezien.
 
Van een dermate zwaarwegend belang aan de zijde van klager, waardoor van het hiervoor geformuleerde uitgangspunt had moeten worden afgeweken, is echter niet gebleken. Dat hij de publicatie als grievend heeft ervaren, is daarvoor onvoldoende.
Gelet op het feit dat deze kwestie bij klager evident gevoelig ligt, had verweerder wellicht billijkheidshalve wat terughoudender daarover kunnen berichten. Er is echter geen grond voor de conclusie dat verweerder, door dat na te laten, grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke zorgvuldigheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. (vgl. onder meer: Ansems tegen de Leeuwarder Courant, RvdJ 2005/39 en X, Y en Z tegen De Gelderlander, RvdJ 2005/7)
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.  
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 25 juli 2006 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, dr. M.J. Broersma, mw. drs. M.G.N. Mathot, mw. E.H.C. Salomons en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.