2006/46 gegrond niet-ontvankelijk

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
 
tegen
 
de hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden
 
Bij brief van 31 maart 2006 met drie bijlagen heeft mr. F.P. Holthuis, advocaat te Den Haag, namens X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden (hierna: verweerder). Hierop heeft E. van Dijk, adjunct-hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 15 mei 2006.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 2 juni 2006. Namens klager is daar mr. M.J.A.E. Rijssenbeek, advocaat te Den Haag, verschenen. Aan de zijde van verweerder zijn voornoemde Van Dijk en R. Zijlstra, verslaggever, verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 1 september 2005 is in Dagblad van het Noorden en tevens op de website www.dvhn.nl een artikel verschenen onder de kop “’De Schrik’ terug in de Van Mesdag: cirkel rond”. Daarin is bericht dat klager sinds kort terug is in de Van Mesdagkliniek in Groningen, waaruit hij acht jaar geleden is ontsnapt. Aan het slot is bericht dat klager werkt aan zijn terugkeer in de maatschappij. In het artikel is de volledige naam van klager vermeld. Klager heeft een uitdraai van de website-publicatie overgelegd die dateert van 15 januari 2006.
 
Op 17 oktober 2005 is op de website van Dagblad van het Noorden, www.dvhn.nl, een artikel gepubliceerd onder de kop “’TBS-er zoekt vrouw’: twijfels, twijfels, twijfels”. Daarin wordt een uitzending aangekondigd van het televisieprogramma ‘Zembla’ van diezelfde dag. In het artikel, waarin onder meer is vermeld dat het verhaal van klager in de uitzending van ‘Zembla’ wordt behandeld, is de volledige naam van klager vermeld.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat het artikel van 1 september 2005 ging over een interne overplaatsing in het kader van zijn TBS-behandeling. Het had geen raakvlakken met actuele TBS-zaken of enige TBS gerelateerde maatschappelijke discussie. Er is dan ook geen functioneel belang te duiden waarom zijn volledig naam diende te worden vermeld, aldus klager. Hij heeft zich op 25 oktober 2005 bij de redactie beklaagd over deze wijze van verslaggeving. Verweerder heeft zich in een brief van 3 november 2005, gericht aan klagers raadsman, verweerd door te stellen dat hij de naam van klager eerder had vermeld en dat het doel juist was om klager – gezien diens verleden – te identificeren. Volgens klager gaat dat verweer niet op. Wellicht bestond destijds, ten tijde van zijn ontsnapping uit de Van Mesdagkliniek, reden om zijn naam te vermelden, maar nu niet. De journalist dient telkens opnieuw een afweging te maken.
Klager heeft nimmer zijn recht op privacy prijsgegeven en is geen publieke figuur, die bepaalde inbreuken zou moeten tolereren. Het door verweerder gestelde doel om hem te identificeren is geen belang dat een inbreuk op zijn privacy rechtvaardigt. Slechts in die gevallen dat identificatie van de betrokkene noodzakelijk is voor de nieuwswaarde van het bericht, kan van een inbreuk op de privacy sprake zijn en dan nog is het uiteindelijke oordeel afhankelijk van alle omstandigheden van het geval. In dit geval was er echter geen enkele acute reden voor identificatie en was het ook goed mogelijk geweest hem op een andere wijze aan te duiden, aldus klager.
Voor wat betreft het artikel van 17 oktober 2005 stelt klager dat hij de indruk heeft dat verweerder nimmer meer een afweging maakt waar het zijn privacybelangen betreft. Ook in dit geval bestonden geen zwaarwegende argumenten om zijn volledige personalia te openbaren. Daarentegen heeft hij er wel degelijk voldoende belang bij dat geen sprake zal zijn van een langer en meer voortschrijdende inbreuk op zijn privacy. Klager wijst erop dat herhaling de kracht van herinnering is; voortdurende herhaling veroorzaakt een sterkere herinnering bij het publiek, hetgeen leidt tot extra leedtoevoeging.
 
Verweerder stelt voorop dat hij terughoudend is in het schenden van de privacy in strafrechtzaken. Per keer maakt hij de afweging of het vermelden van de volledige naam vanuit journalistiek oogpunt gerechtvaardigd is.
In de eerste berichten over klager, in oktober 1997, kenden de voorgangers van Dagblad van het Noorden geen terughoudendheid. De volledige namen van klager en degene met wie hij was ontsnapt werden vermeld. Daarnaast ging de berichtgeving in die tijd gepaard met het tonen van hun portretten. Zowel de namen als de foto’s waren door justitie vrijgegeven in het kader van de opsporing. Ook toen werd gemeld dat klager vastzat voor doodslag. Klagers ontsnapping destijds uit de Van Mesdagkliniek heeft in Groningen tot veel opschudding geleid. Zo kwam de Tweede Kamer in spoeddebat bijeen en werd de directeur personeel en veiligheid van de Van Mesdagkliniek op non-actief gesteld. In alle berichten daarover bleef verweerder de volledige namen van klager en zijn partner vermelden, in navolging van het opsporingsbericht. Andere media, zowel regionaal als landelijk, hanteerden dezelfde werkwijze en gebruikten evenmin initialen. Voor zover verweerder bekend heeft klager daartegen nooit bezwaar gemaakt.
Klagers terugkeer naar de Van Mesdagkliniek was een vermeldenswaardig nieuwsfeit. Volgens verweerder is klager alleen bij de lezer bekend met gebruikmaking van zijn volledige naam. Het doel was dan ook klager te identificeren.
Het bericht van 17 oktober 2005 kan niet los worden gezien van de publicatie van 1 september 2005, aldus verweerder. Hij meent dat de herhaalde vermelding van klagers naam in het belang was van een volledige berichtgeving en kan worden beschouwd als essentieel voor de waarde van het bericht.
Desgevraagd voegt Zijlstra hieraan ter zitting toe dat de laatste keren – vóór de publicatie van 1 september 2005 – over klager is bericht, toen degene met wie hij destijds was ontsnapt, was overleden en de Van Mesdagkliniek werd gereorganiseerd, te weten eind jaren ’90/begin 2000.
 
BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID ten aanzien van het artikel van 1 september 2005
 
Artikel 2a van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek luidt:
  1. Een klaagschrift moet worden ingediend binnen 6 maanden nadat de journalistieke gedraging, waartegen de klacht is gericht, heeft plaatsgevonden.
  2. Een klaagschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn door het secretariaat van de Raad voor de Journalistiek is ontvangen.
  3. Indien een klaagschrift niet tijdig is ingediend, is de klager in zijn klacht niet-ontvankelijk.
  4. Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend klaagschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de klager in verzuim is geweest.
Klager heeft weliswaar een uitdraai van de website-publicatie van 15 januari 2006 overgelegd, maar voor de vraag wanneer de hiervoor bedoelde termijn is gaan lopen, dient te worden uitgegaan van de dag waarop het bericht op de website is geplaatst, te weten 1 september 2005.
 
Vaststaat dat de klacht niet binnen de termijn van zes maanden, te rekenen vanaf 1 september 2005, bij de Raad is binnengekomen.
 
Klager heeft zich reeds bij brief van 25 oktober 2005 tot de redactie van Dagblad van het Noorden gewend. Verweerder heeft daarop gereageerd in een brief van 3 november 2005, gericht aan de raadsman van klager. Niet valt in te zien waarom klager c.q. zijn raadsman zich niet tijdig tot de Raad had kunnen wenden om zich over verweerders werkwijze ten aanzien van het artikel van 1 september 2005 te beklagen. Gesteld noch gebleken is van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat klager in verzuim is geweest. Dit leidt ertoe dat klager in zijn klacht betreffende het artikel van 1 september 2005 niet-ontvankelijk is.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT ten aanzien van het artikel van 17 oktober 2005
 
Voorop moet worden gesteld dat een nieuwsbericht zoveel mogelijk de gegevens dient te bevatten, die het het publiek mogelijk maken zich een waarheidsgetrouw beeld van het desbetreffende nieuwsfeit te vormen. Daartegenover staat dat, volgens het vaste oordeel van de Raad, de journalistieke verantwoordelijkheid met zich brengt dat de persoonlijke levenssfeer van degene over wie wordt gepubliceerd, niet verder mag worden aangetast dan in het kader van een open berichtgeving nodig is.
 
Bovendien is, volgens het vaste oordeel van de Raad, ten aanzien van het vermelden van persoonlijke gegevens van verdachten c.q. veroordeelden bijzondere terughoudendheid geboden. Een journalist dient zoveel mogelijk te voorkomen dat hij gegevens publiceert met behulp waarvan een verdachte of veroordeelde op eenvoudige wijze kan worden geïdentificeerd. Dat de identiteit van de betrokkene door een reportage bekend wordt, maakt de reportage evenwel op zichzelf niet onzorgvuldig, ook al is sprake van een inbreuk op de privacy van betrokkene. Een dergelijke inbreuk overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek alleen dan, indien deze inbreuk niet in redelijke verhouding staat tot het doel van de publicatie en derhalve een disproportionele aantasting van het privé-leven van de betrokkene vormt. Er dient derhalve een afweging plaats te vinden tussen het belang van de betrokkene bij de bescherming van zijn privacy enerzijds en mogelijke belangen van derden en het maatschappelijke belang anderzijds.
 
Kennelijk zijn de persoonsgegevens van klager na zijn ontsnapping uit de Van Mesdagkliniek door het Openbaar Ministerie vrijgegeven teneinde de opsporing en aanhouding van klager te bevorderen. Het doel van het publiceren van de persoonsgegevens van klager was op de datum van zijn aanhouding, eveneens jaren geleden, bereikt.
Of met de publicatie van die gegevens daarna grenzen zijn overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt enerzijds belang toe aan het maatschappelijk belang dat met de publicatie is gediend en anderzijds aan de mate waarin de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene is aangetast.
Bovendien mag, zoals de Raad eerder heeft overwogen, naarmate een langere periode is verstreken na het plaatsvinden van het criminele gebeuren, van de journalist een grotere mate van zorgvuldigheid worden verlangd met het oog op het belang van de verdachte c.q. veroordeelde.
 
De publicatie van 17 oktober 2005 gaat over een uitzending van het televisieprogramma ‘Zembla’ van dezelfde dag. Niet valt in te zien welke maatschappelijke relevantie het vermelden van de volledige naam van klager had. Klager had – net als de andere TBS’ers waarover in het artikel is bericht – eenvoudig op andere wijze kunnen worden aangeduid, zonder dat afbreuk was gedaan aan de aard en inhoud van de berichtgeving.
Verweerder heeft nog aangevoerd dat hij in eerdere artikelen over klager diens volledige naam heeft vermeld. Namens verweerder is ter zitting desgevraagd naar voren gebracht dat die eerdere berichten dateren van 4,5 jaar en langer vóór de gewraakte publicatie. Wellicht was klagers naam destijds een feit van algemene bekendheid, maar niet is gebleken dat dit – het lange tijdsverloop in aanmerking genomen – nog steeds het geval is.
 
Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat verweerder niet op verantwoorde wijze het belang van klager bij de bescherming van zijn privacy heeft afgewogen tegen het maatschappelijke belang dat met de publicatie is gediend.
 
Onder deze omstandigheden vormt het vermelden van klagers naam in het artikel van 17 oktober 2005 een ongerechtvaardigde aantasting van zijn privé-leven. Verweerder heeft aldus grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. (vgl. onder meer: X tegen BNR Nieuwsradio, RvdJ 2006/6 en X tegen Ebisch, RvdJ 2001/3)
 
BESLISSING
 
Voor zover de klacht is gericht tegen het artikel van 1 september 2005 is klager in zijn klacht niet-ontvankelijk. De klacht gericht tegen het artikel van 17 oktober 2005 is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in Dagblad van het Noorden en op de website www.dvhn.nl te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 25 juli 2006 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter,
dr. M.J. Broersma, mw. drs. M.G.N. Mathot, mw. E.H.C. Salomons en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.