2006/44

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
 
tegen
 
A. Stegeman en de hoofdredacteur van ‘Undercover in Nederland’ (SBS6)
 
Bij brieven van 16 en 23 maart 2006 met diverse bijlagen heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen A. Stegeman en de hoofdredacteur van ‘Undercover in Nederland’ (hierna: verweerders). Hierop heeft mr. H.H.J. Verhagen, bedrijfsjurist van SBS6, gereageerd in een brief van 21 april 2006 met twee bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 11 mei 2006. Klager is daar verschenen en heeft zijn klacht toegelicht aan de hand van een notitie. Aan de zijde van verweerders waren Stegeman en mr. J. Meyer aanwezig. Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad een dvd-opname van de gewraakte uitzending bekeken.
 
DE FEITEN
 
Op 28 februari 2006 heeft SBS6 een aflevering van het televisieprogramma ‘Undercover in Nederland’ uitgezonden (hierna: de uitzending). In de uitzending gaat Stegeman onder een pseudoniem op zoek naar verboden wapens in Nederland. In dat verband zijn ook beelden uitgezonden van klager, die met een verborgen camera zijn gemaakt. Klager is met behulp van een zogeheten scrambling-techniek onherkenbaar gemaakt. Zijn naam is niet vermeld. Wel is zijn werkgever genoemd, een dienst van het Ministerie van Justitie, en is zijn kantoor in beeld gebracht.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat hij zich door een bericht in het Algemeen Dagblad van 25 februari 2006 ervan bewust werd dat beelden van hem zouden worden uitgezonden in de uitzending van 28 februari 2006. Vervolgens hebben klager en zijn advocaat op 27 februari contact gezocht met SBS6 en met het productiebedrijf van Stegeman. Klager heeft toen zijn bezwaren tegen de uitzending kenbaar gemaakt en meegedeeld dat hij gebruik wilde maken van zijn recht op wederhoor. Een medewerker van het productiebedrijf heeft toen toegezegd dat hij dit zou overleggen en daarna van zich zou laten horen, maar dat is niet gebeurd, aldus klager.
Hij stelt dat de uitgezonden beelden met een verborgen camera zijn opgenomen in zijn huis. Daarbij is zijn trouwfoto langdurig in beeld gebracht. Bovendien is zijn voordeur in beeld gebracht. Verder is de naam van zijn werkgever vermeld. Klager stelt dat hij door de beelden en de informatie in de uitzending herkenbaar was.
Verder stelt klager dat ten onrechte is gesuggereerd dat hij een groot handelaar in illegale messen zou zijn. Doordat bewust bepaalde beeld- en geluidsfragmenten zijn weggelaten en andere fragmenten uit hun verband zijn gehaald, is in de uitzending een onjuist beeld van hem geschetst. Hij is geen handelaar in illegale messen, maar een verzamelaar van legale messen. Stegeman heeft zich voorgedaan als een werkloze en een mes besteld dat illegaal was en nog in Nederland moest worden ingevoerd. Stegeman heeft hem door gebruikmaking van uitlokking, list en bedrog in de val gelokt. Het is juist dat hij het bewuste mes heeft besteld, maar hij was destijds in de veronderstelling dat het ging om een mes dat vrij verzameld mocht worden. Nadat hij twijfels kreeg over de mogelijke strafbaarheid van het bezit van het desbetreffende mes, heeft hij – nog vóór de uitzending – zelf politie en justitie in kennis gesteld van zijn misstap, die hij ten zeerste betreurt. Bovendien heeft hij in een e-mail van 19 februari 2006 – dus eveneens vóór de uitzending – aan Stegeman laten weten dat hij een fout had gemaakt met een illegaal mes en dat hij het terug wilde kopen, maar daar heeft Stegeman niet op gereageerd.
Klager benadrukt dat de uitzending grote, negatieve consequenties voor hem heeft gehad. Ten gevolge van de uitzending heeft zijn werkgever hem op non-actief gesteld en aangifte gedaan bij de politie. Uit het daarop volgende strafrechtelijke onderzoek is gebleken dat hij zich niet met illegale messenhandel inlaat en de zaak is inmiddels geseponeerd. Zijn werkgever heeft hem ondertussen in kennis gesteld van het voornemen de disciplinaire straf van ontslag op te leggen.
Klager betoogt dat hij door de uitzending in zijn eer en reputatie is aangetast en dat zijn carrière is vernietigd.
 
Verweerders stellen dat het programma onderdeel uitmaakt van een serie waarin Stegeman als undercover journalist maatschappelijke en sociale misstanden aan het licht brengt. Hiervoor is Stegeman een jaar lang undercover gegaan en heeft hij zeer uitgebreid en zorgvuldig onderzoek gedaan. Het programma houdt zich aan de morele journalistieke codes, waarbij voortdurend de verschillende belangen die in het geding zijn tegen elkaar worden afgewogen. Het doel van de serie is om burgers en politiek te informeren over heersende misstanden en om de politiek aan te zetten tot actie. Dat Stegeman in deze opzet is geslaagd, blijkt onder meer uit het feit dat naar aanleiding van een groot aantal uitzendingen Kamervragen zijn gesteld, dan wel dat politici hebben aangegeven daartoe voornemens te zijn.
Stegeman is via het internet in contact gekomen met klager, omdat hij een illegaal mes in de aanbieding had. De ontmoetingen en telefoongesprekken met klager zijn door Stegeman met een verborgen camera en geluidsopname-apparatuur geregistreerd. Met het oog op de belangen van klager is Stegeman daarbij zeer zorgvuldig te werk gegaan. Stegeman heeft getracht om de afspraak met klager buiten het woonhuis van klager te laten plaatsvinden, maar klager was daartoe bij nader inzien niet bereid. Om herkenning te voorkomen heeft Stegeman een aantal voorzorgsmaatregelen genomen. Zo is onder meer de voordeur niet herkenbaar in beeld gebracht, is het gezicht van klager onherkenbaar gemaakt en is zijn stem vervormd. Op de uitgezonden beelden is het onmogelijk om klager of zijn vrouw van de trouwfoto te herkennen, aldus verweerders.
Wat betreft het vermelden van de werkgever van klager stellen verweerders dat die informatie, nu het een dienst van het Ministerie van Justitie betrof, zeer relevant was ter illustratie van de misstand die Stegeman aan het licht wilde brengen. Het belang van klager om zijn werkgever niet genoemd te zien diende in dit geval te wijken voor het journalistieke belang bij het noemen van het feit dat een werknemer van die dienst zich bezighoudt met illegale wapenhandel en dat ook op kantoor doet.
Verder menen verweerders dat klager zich er ten onrechte over beklaagt dat geen wederhoor is toegepast. De uitspraken en handelingen van klager die Stegeman heeft gefilmd zijn alle door klager zelf gedaan en zijn bovendien zo voor zich sprekend dat zij geen verdere toelichting van klager behoeven. Deskundigen hebben de belichte misstand van commentaar voorzien om een goed, compleet beeld van de illegale wapenhandel in Nederland te schetsen. Specifieke uitlatingen over klager zijn daarbij achterwege gelaten.
Naar aanleiding van een opmerking van klager dat ‘hij zo’n beetje aan alles kan komen wat er in de markt te krijgen is’, is Stegeman tot de conclusie gekomen dat klager voor hém de grootleverancier van illegale wapens is. Klager heeft uitgebreid verteld over de manieren waarop hij de illegale messen het land binnensmokkelt. Dat klager nimmer willens en wetens een strafbaar feit zou hebben gepleegd, is niet juist, hetgeen ook blijkt uit de citaten die in de uitzending zijn opgenomen. Stegeman ontkent bewust fragmenten te hebben weggelaten dan wel uit hun verband te hebben gehaald.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Volgens het vaste oordeel van de Raad behoort een journalist degene over wie hij publiceert met ‘open vizier’ tegemoet te treden, dat wil zeggen zijn hoedanigheid aan hem bekend te maken. Slechts indien sprake is van zeer bijzondere omstandigheden kan rechtvaardiging bestaan voor het niet naleven van deze regel. Dergelijke omstandigheden kunnen zijn gelegen in het maatschappelijk belang dat met een publicatie wordt gediend. Dit belang betreft niet alleen het aan de kaak stellen van misstanden, teneinde te bewerkstelligen dat zij onderzocht worden, doch tevens het informeren van het publiek over feiten en bijzonderheden die de ernst van een situatie scherper naar voren doen komen en die zonder de gevolgde werkwijze niet aan het licht gebracht zouden kunnen worden.
 
Verweerders hebben met de publicatie beoogd hun kijkers te informeren omtrent de illegale wapenhandel die in Nederland op grote schaal wordt bedreven. De Raad acht het aannemelijk dat verweerders zonder toepassing van de gevolgde werkwijze niet aan het licht hadden kunnen brengen of bedoelde misstand al dan niet bestaat.
 
Het voorgaande neemt echter niet weg dat bij uitzending van het materiaal dat op deze basis is verkregen, zeer zorgvuldig te werk dient te worden gegaan. Voordat tot openbaarmaking wordt besloten, moeten degenen die daarvoor journalistiek verantwoordelijk zijn, een zorgvuldige afweging maken tussen het belang van vrijheid van meningsuiting en het recht op privacy. Een besluit om gebruik te maken van verborgen opname-apparatuur en de opnamen vervolgens uit te zenden is slechts voldoende verantwoord, als de belangen die daarbij gediend zijn in ruime mate opwegen tegen de inbreuk die door de opnamen wordt gemaakt op rechten en rechtmatige belangen van de betrokkenen. (vgl. onder meer: Ambtshalve uitspraak inzake het gebruik van verborgen opname-apparatuur, RvdJ 1996/44 en Brown tegen De Vries, RvdJ 1998/8)
In de uitzending is klagers portret weliswaar onherkenbaar gemaakt, maar zijn werkgever is genoemd en verder zijn zijn trouwfoto en kantoor in beeld gebracht. Met verweerders is de Raad van oordeel dat het journalistiek relevant is om, gezien het onderwerp van de uitzending, te vermelden dat klager werkt bij een dienst van het Ministerie van Justitie. Doordat het getoonde kantoor echter zichtbaar een specifieke afdeling van het Ministerie in een provinciestad is, wordt het – met name voor hen die daar werkzaam zijn – vrij eenvoudig om klager te identificeren. De uitzending had op dit punt en ook voor wat betreft het tonen van de trouwfoto terughoudender kunnen zijn, zonder dat afbreuk was gedaan aan de aard en inhoud ervan. Naar het oordeel van de Raad is onvoldoende rekening gehouden met de belangen van klager en is sprake van een inbreuk op zijn privacy die verder gaat dan in het kader van de berichtgeving noodzakelijk was.
 
Verder is algemeen uitgangspunt dat hoor en wederhoor plaatsvindt, waarbij degene wiens rechten en belangen door de opname rechtstreeks worden geraakt met de vervaardiging en de inhoud van de opname wordt geconfronteerd. (vgl. Ambtshalve uitspraak inzake het gebruik van verborgen opname-apparatuur, RvdJ 1996/44) Heimelijk verzameld materiaal kan immers voor verschillende interpretaties vatbaar zijn. Dat neemt niet weg dat door de verstoring van het vertrouwen door de journalist, het verkrijgen van een serieus weerwoord niet altijd kan worden verwacht. In dat geval dient terughoudendheid te worden betracht bij het verbinden van gevolgtrekkingen of diskwalificaties daaraan. (vgl. Turks-Islamitische Culturele Stichting tegen de EO, RvdJ 2003/35)
 
Het gaat hier om ernstige beschuldigingen die klager zowel persoonlijk als in de uitoefening van zijn werk zeer diskwalificeren. Verweerders hadden derhalve hetzij klager dienen te confronteren met het verzamelde materiaal en hem in de gelegenheid behoren te stellen daarop te reageren dan wel moeten volstaan met een drogere presentatie van dat materiaal. Door te concluderen dat klager voor Stegeman een ‘groot leverancier van verboden wapens’ is, zonder klager wederhoor te bieden, hebben verweerders ook op dit punt jegens klager journalistiek onzorgvuldig gehandeld. Bij dit oordeel heeft de Raad mede in aanmerking genomen hetgeen hij hiervoor ten aanzien van de schending van klagers privacy heeft overwogen.
 
BESLISSING
 
Voor zover de klacht ziet op de schending van klagers privacy alsmede op het niet toepassen van wederhoor is deze gegrond. Voor het overige is de klacht ongegrond.    
 
De Raad verzoekt verweerders bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van ‘Undercover in Nederland’ en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op hun website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 11 juli 2006 door prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, waarnemend voorzitter, drs. G.H.J.M. Bueters, mw. F.W. Dresselhuys, mw. drs. I. Wassenaar en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.