2006/41 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
J.A.S. Roebroek
 
tegen
 
B. Thimister en de hoofdredacteuren van Dagblad De Limburger en het Limburgs Dagblad
 
Bij brief van 16 maart 2006 met twee bijlagen heeft mr. J.L. ten Hove, advocaat te Maastricht, namens J.A.S. Roebroek (hierna: klager) een klacht ingediend tegen B. Thimister en de hoofdredacteuren van Dagblad De Limburger en het Limburgs Dagblad (hierna: verweerders). Hierop heeft H. Brinkman, adjunct-hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 7 april 2006 met een bijlage.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 28 april 2006. Klager is daar verschenen en heeft zijn klacht toegelicht aan de hand van een pleitnotitie. Aan de zijde van verweerders was voornoemde Brinkman aanwezig.
 
Een der leden van de Raad heeft zich verschoond. Partijen hebben desgevraagd geen bezwaar gemaakt tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en overige leden.
 
DE FEITEN
 
Op 11 februari 2006 is in Dagblad De Limburger en het Limburgs Dagblad op de voorpagina een artikel verschenen van de hand van Thimister onder de kop “’Spelers moesten fiscus misleiden’”. Het artikel bevat onder meer de volgende passages:
Voorzitter Jef Roebroek van voetbalvereniging EHC uit Hoensbroek heeft twee weken geleden de spelersgroep van de club gevraagd de Belastingdienst te misleiden.
Dat zeggen drie anonieme bronnen binnen de club. Roebroek gaf de selectie volgens hen opdracht een bedrag ver onder de werkelijke vergoeding te noemen als de fiscus daar naar zou vragen.
en
Roebroek ontkent ten stelligste dat hij de spelers van EHC vooraf over het bezoek van de fiscus heeft ingelicht en instructies heeft gegeven. ,,Wat een onzinverhaal.”
Het artikel is vervolgd onder de kop “’Bezoek fiscus is routinecontrole’”. Dit vervolgartikel bevat onder meer de volgende passage:
Naar verluidt onderzoekt de Belastingdienst de boekhouding van de club omdat deze beweert geen geld te hebben voor de verbouwing van haar complex aan de Demstraat. Om die reden is subsidie aangevraagd bij de gemeente Heerlen.
EHC heeft de Belastingdienst donderdag over de vloer gehad. Roebroek laat echter weten dat het om een routinecontrole gaat. Van een onaangekondigde inval is volgens hem geen sprake.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat hij in het artikel ten onrechte is beschuldigd van misleiding van de belastingdienst en dat sprake is van onjuiste, grievende berichtgeving. Hij heeft nimmer inlichtingen en/of instructies aan voetbalspelers gegeven over het verschaffen van informatie aan de fiscus. Het artikel maakt melding van drie anonieme bronnen. Een van die bronnen heeft zijn verklaring naderhand ingetrokken. Dat maakt dat het artikel slechts is gebaseerd op twee anonieme bronnen, van wie klager overigens het bestaan betwist.
Volgens klager moeten de aard en ernst van dergelijke zware beschuldigingen uiterst zorgvuldig worden onderzocht. De verklaringen van de twee anonieme bronnen hadden niet zonder onderzoek naar de gegrondheid ervan gebruikt mogen worden, aldus klager.
Verder stelt klager dat hij noch de voetbalvereniging EHC een subsidie-aanvraag bij de gemeente heeft ingediend. Thimister heeft eerst het artikel gepubliceerd en heeft pas daarna uitgezocht of hetgeen hij over het subsidieverzoek had geschreven wel juist is, wat niet het geval bleek. Thimister heeft de desbetreffende passage verzonnen ter onderbouwing van zijn insinuaties omtrent de misleiding van de fiscus.
Klager stelt voorts dat Thimister het beginsel van wederhoor onvoldoende heeft toegepast. Hij is door Thimister slechts in de gelegenheid gesteld telefonisch te verduidelijken of de belastingdienst inderdaad bij EHC een controle heeft uitgevoerd. Tijdens dat telefoongesprek heeft Thimister terloops geïnsinueerd dat spelers van EHC wellicht meer dan slechts een onkostenvergoeding ontvingen en dat zij hoogstwaarschijnlijk instructies van hem hadden gehad om de fiscus te misleiden. Hij heeft daarop geantwoord: ‘Wat een onzinverhaal’. In het gesprek is hij echter niet op de hoogte gebracht van de inhoud c.q. strekking van het artikel en van het eventuele bestaan van anonieme verklaringen ten aanzien van het aanzetten tot misleiding van de fiscus.
Direct na de publicatie heeft hij een verzoek tot rectificatie ingediend. Vervolgens heeft de redactie daartoe een voorstel gedaan dat luidt: “In het artikel ‘Spelers moesten fiscus misleiden’ van zaterdag 11 februari beschuldigen drie niet met naam genoemde bronnen binnen de voetbalvereniging ECH in Hoensbroek voorzitter J. Roebroek ervan dat hij de spelersgroep opdracht zou hebben gegeven onjuiste informatie aan de belastingdienst te verstrekken over hun vergoedingen. Een van de drie bronnen heeft die verklaring naderhand ingetrokken. Ook staat in het artikel dat bij de gemeente subsidie is aangevraagd voor een verbouwing van het sportcomplex aan de Demstraat. Er is echter geen subsidieverzoek ingediend.” Aangezien de voorgestelde tekst ertoe zou leiden dat opnieuw zware beschuldigingen aan zijn adres zouden worden gepubliceerd, kon hij daarmee niet akkoord gaan.
Klager concludeert dat verweerders aldus jegens hem onzorgvuldig hebben gehandeld.
 
Verweerders stellen voorop dat hun uitgangspunt is bronnen met naam en toenaam te vermelden. Alleen in uitzonderlijke gevallen baseren zij zich op anonieme bronnen. In dat geval moet wel sprake zijn van twee onafhankelijk van elkaar gegeven verklaringen. De hoofdredactie maakt van geval tot geval een afweging voordat zij overgaat tot publicatie.
In dit geval hebben verweerders zich aanvankelijk op drie bronnen gebaseerd, te weten één met naam en toenaam en twee die niet wilden dat hun naam werd vermeld. Verweerders wijzen er in dit verband op dat het publiek geheim is dat in het (Limburgse) amateurvoetbal spelers worden betaald voor hun verdiensten. In die context is begrijpelijk dat een betrokkene die een belastende verklaring aflegt, represailles vreest en zijn naam geheim wil houden. Pas op het moment dat het artikel al voor eindredactie was afgegeven, wilde de eerstbedoelde bron bij nader inzien niet genoemd worden en kwam hij terug op zijn verklaring door nog slechts van een bescheiden ‘onkostenvergoeding’ te spreken. Ter zitting voegt Brinkman hieraan toe dat dit in het artikel vermeld had moeten worden. Verweerders hadden dat in een rectificatie willen rechtzetten, maar klager is met die rectificatie niet akkoord gegaan.
Overigens betwisten verweerders dat de twee overgebleven anonieme bronnen niet zijn nagetrokken. De hoofdredactie heeft zich vergewist van het bestaan van de bronnen en de juistheid van de verklaringen. Brinkman heeft toegelicht dat deze bronnen in de week na de publicatie hetzelfde tegen de hoofdredactie hebben verklaard als eerder tegen Thimister.
Wat betreft de passage over de subsidie-aanvraag stellen verweerders dat het woord ‘subsidieverzoek’ door een onjuiste interpretatie van de eindredacteur bij diens bewerking van het verhaal is toegevoegd. Thimister valt derhalve niet te verwijten dat hij op dat punt geen wederhoor heeft toegepast, aldus verweerders. Verweerders wijzen erop dat het tweede deel van de aangeboden rectificatie op dit punt betrekking heeft.
Zij stellen voorts dat klager geen tegenvoorstel voor een rectificatie heeft gedaan. Ook hun mondelinge voorstel om in elk geval de foutieve vermelding van het subsidieverzoek te rectificeren, was voor klager onvoldoende.
Desgevraagd heeft Brinkman ter zitting nog toegegeven dat het terugtrekken van de bron aanleiding had moeten zijn om de kwestie verder te onderzoeken en de publicatie uit te stellen.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De kern van de klacht is dat het artikel ongefundeerde beschuldigingen aan het adres van klager bevat en dat die beschuldigingen ten onrechte zijn onderbouwd met de bewering dat de voetbalvereniging EHC subsidie zou hebben aangevraagd bij de gemeente Heerlen. De Raad zal zich tot die kern beperken.
 
In het artikel wordt beweerd dat klager, als voorzitter van de voetbalvereniging EHC, spelers van die vereniging zou hebben gevraagd de belastingdienst te misleiden. Naar het oordeel van de Raad is dit een zodanig zware beschuldiging, dat verweerders deze niet zonder deugdelijke grondslag hadden mogen publiceren.
 
Volgens het artikel zijn de beschuldigingen afkomstig van drie anonieme bronnen. Nu een van deze bronnen vervolgens zijn verklaring heeft teruggetrokken, is de publicatie uiteindelijk gebaseerd op twee anonieme bronnen.
 
De Raad heeft eerder overwogen dat bij publicaties van ernstige beschuldigingen hoge eisen moeten worden gesteld aan de controle van de juistheid van de feitelijke c.q. als feitelijk gepresenteerde elementen daarin. Een journalist die zich in zo een geval beroept op een geheimhoudingsplicht tegenover bronnen die anoniem wensen te blijven, behoeft die bronnen weliswaar niet te noemen, maar dient wel aannemelijk te kunnen maken dat hij de van die bronnen verkregen informatie elders geverifieerd heeft.  (vgl. onder meer: Brown tegen Middelburg en Het Parool, RvdJ 2006/12)
 
Verweerders hebben aangevoerd dat zij de juistheid van de verklaringen van de anonieme bronnen in die zin zijn nagegaan, dat de hoofdredactie – na de publicatie – de bronnen nogmaals heeft gehoord en dat de bronnen toen hetzelfde hebben verklaard als eerder tegen Thimister. Verweerders hebben geen navraag gedaan bij de belastingdienst noch – ter zake van de subsidie-aanvraag – bij de gemeente Heerlen. Verweerders hebben voorts erkend dat de bewering over de subsidie-aanvraag achteraf onjuist is gebleken.
 
Aldus is niet gebleken dat verweerders de van hun anonieme bronnen verkregen informatie deugdelijk hebben geverifieerd en dat voor de beschuldigingen aan het adres van klager voldoende grondslag bestond. Daarbij komt dat het terugtrekken van zijn verklaring door de bron die aanvankelijk in de publicatie genoemd zou worden, voor verweerders aanleiding had behoren te zijn de kwestie nader te onderzoeken, zoals Brinkman ook ter zitting heeft erkend.
Door toch te berichten zoals zij hebben gedaan, hebben verweerders grenzen overschreden van hetgeen – gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
Het had op de weg van verweerders gelegen de onzorgvuldige berichtgeving op adequate wijze recht te zetten en zij hebben dat ten onrechte nagelaten. Naar het oordeel van de Raad kan het rectificatievoorstel van verweerders, zoals door klager overgelegd, niet als adequate rechtzetting worden beschouwd nu dat voorstel zich niet uitstrekt tot alle onvolkomenheden als hiervoor bedoeld. Voor zover de klacht erop is gericht dat verweerders ten onrechte hebben geweigerd een rectificatie te plaatsen, is deze derhalve evenzeer gegrond.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.  
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in Dagblad De Limburger en het Limburgs Dagblad te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 30 juni 2006 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, T.G.G. Bouwman, mw. C.J.E.M. Joosten en mw. drs. P.C.J. van Schaveren, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.