2006/40 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
T. Bakker
 
tegen
 
de hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden
 
Bij brief van 23 februari 2006 met een bijlage heeft T. Bakker te Veendam (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden (hierna: verweerder). Vervolgens heeft klager zijn klacht nader toegelicht in een brief van 6 maart 2006. P. Sijpersma, hoofdredacteur, heeft op de klacht gereageerd in een brief van 20 maart 2006 met een bijlage.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 28 april 2006 buiten aanwezigheid van partijen.
 
DE FEITEN
 
Op 1 februari 2006 is in Dagblad van het Noorden een artikel verschenen onder de kop “’Wij zijn door mijnheer B. tot in het diepst van onze ziel gekrenkt’”. De intro van dit artikel luidt:
Het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap (NIK) heeft het helemaal gehad met Tammo Bakker uit Veendam. Bakker wil dat de gemeente een deel van de joodse begraafplaats in Ommelanderwijk afstaat aan het Sjilo Genootschap. Met zijn plan om de Rijdende Rechter in te schakelen lijkt hij zijn hand te hebben overspeeld.
Het artikel bevat verder de tussenkop “’Wat bezielt die man? Hij is gestoord, compleet mesjokke’”.
 
Naar aanleiding van deze publicatie heeft klager verweerder een ingezonden brief gestuurd. De brief van klager is in enigszins gewijzigde vorm op 11 februari 2006 in Dagblad van het Noorden gepubliceerd onder de kop “Sjilo Genootschap”.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat hij in het artikel op een erg badinerende manier wordt beschreven in een zaak die hij belangeloos voor het Sjilo Genootschap behartigt. Na de publicatie heeft hij zich direct tot de redactie gewend met het verzoek om plaatsing van een weerwoord. Hem is toen meegedeeld dat hij een ingezonden brief kon sturen. Dat heeft hij per e-mail gedaan op 3 februari 2006. Omdat plaatsing uitbleef, heeft hij de redactie op 8 februari schriftelijk een herinnering gestuurd. Nadat een redacteur hem vervolgens telefonisch had meegedeeld dat zijn ingezonden stuk te lang was, heeft hij het ingekort tot 201 woorden. Zijn brief is uiteindelijk pas geplaatst op 11 februari 2006. Daarbij is de eerste belangrijke regel “Ik wil de lezers gerust stellen. Het gaat goed met mij. Ik ben niet gestoord en ook niet mesjokke.” weggelaten.
Volgens klager is hem toegezegd dat zijn brief 200 woorden mocht bevatten. Er zijn echter maar 182 woorden geplaatst. Hij meent dat in zijn bescheiden reactie niet geknipt had mogen worden. Zijn reactie staat toch al niet in verhouding tot het artikel, dat van hem een totaal verkeerd beeld heeft gegeven, en is pas na 11 dagen geplaatst, aldus klager. Hij betoogt dat verweerder niet naar behoren heeft gehandeld.
 
Verweerder stelt dat klager de redactie in eerste instantie een reactie had gestuurd die ongeveer even lang was als het artikel van 1 februari 2006. Klager is er toen op gewezen dat voor ingezonden stukken een aantal spelregels geldt. Die spelregels worden elke dag bij de rubriek ‘Brieven’ gepubliceerd en luiden: “Brieven mogen maximaal 200 woorden lang zijn. U dient ze te voorzien van naam, adres, postcode, woonplaats en telefoonnummer. Alleen naam en woonplaats worden gepubliceerd. De redactie kan brieven redigeren, inkorten of weigeren.
Klager is verzocht zijn reactie in te korten tot 200 woorden, met welk verzoek hij uiteindelijk akkoord ging. Het aantal van 200 woorden is echter een maximum en geen gefixeerd aantal waaraan rechten kunnen worden ontleend, aldus verweerder. Dat is ook aan klager uitgelegd, toen hij na plaatsing van zijn brief contact met de redactie opnam. Daarbij is klager meegedeeld dat zijn brief was ingekort, omdat er voor de rubriek ‘Brieven’ die dag weinig ruimte was. Die inkorting was verantwoord omdat de kern van klagers betoog in stand bleef, aldus verweerder. Hij meent dat klager geen onrecht is aangedaan.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Klager maakt bezwaar tegen de wijze waarop zijn ingezonden brief is gepubliceerd. Volgens het vaste oordeel van de Raad heeft een redactie in beginsel de vrijheid om ingezonden brieven in te korten of te redigeren. Verweerder heeft dit beginsel tot uitdrukking gebracht in de ‘spelregels’ die hij bij zijn rubriek ‘Brieven’ publiceert. De Raad acht deze ‘spelregels’ niet onaanvaardbaar. Zij bieden enerzijds de lezer voldoende houvast en anderzijds de redactie de haar toekomende ruimte. Niet is gebleken dat tussen partijen is overeengekomen dat klagers brief integraal zou worden gepubliceerd als deze niet meer dan 200 woorden zou bevatten, zoals klager heeft gesteld.
 
Bij het gebruikmaken van het recht tot inkorten c.q. redigeren dient een redactie wel te voorkomen dat afbreuk wordt gedaan aan de inhoud of de strekking van de ingezonden brief.
Klager heeft niet aannemelijk weten te maken dat de zonder zijn medeweten geschrapte zin een zo essentieel onderdeel van zijn brief uitmaakte, dat weglating ervan afbreuk zou doen aan inhoud of strekking ervan. Klager wilde in zijn brief reageren op het artikel van 1 februari 2006 en duidelijk maken waarom hij het met die publicatie niet eens is. Die strekking is overeind gebleven, ondanks de wijziging die door verweerder is aangebracht.
 
De Raad komt derhalve tot de slotsom dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk verantwoord is.
 
(vgl. onder meer: De Soeten tegen de Oegstgeester Courant en Uitgeverij Verhagen, RvdJ 2006/18 en Schouten tegen de Stentor, RvdJ 2005/4).
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.  
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in Dagblad van het Noorden te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 30 juni 2006 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, T.G.G. Bouwman, drs. B.J. Brouwers, mw. C.J.E.M. Joosten en mw. drs. P.C.J. van Schaveren, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.