2006/4 niet-ontvankelijk

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

M.R. de Wit

tegen

de hoofdredacteur van Panorama

Bij brief van 17 september 2005 met één bijlage heeft M.R. de Wit te Alkmaar (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Panorama (hierna: verweerder). Vervolgens heeft de secretaris van de Raad klager bij brief van 23 september 2005 verzocht gemotiveerd aan te geven waarom naar zijn mening sprake is van een geval als bedoeld in artikel 2a lid 4 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek. Klager heeft daarop geantwoord in een schrijven van 24 september 2005. Bij brief van 26 september 2005 met één bijlage heeft Sanoma Men's Magazines B.V. namens verweerder op de klacht gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 18 november 2005 buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Op 16 april 2004 is in Panorama een artikel van de hand van F. de Brouwer gepubliceerd met de kop "Een misdadige spagaat", dat gaat over klager. In het artikel wordt aan de orde gesteld dat klager wordt verdacht van het plegen van verschillende strafbare feiten. In de publicatie wordt onder meer klagers advocate aan het woord gelaten.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat het artikel suggestief, onjuist en rancuneus is. Volgens hem heeft ten onrechte geen hoor en wederhoor plaatsgevonden, zijn de in het artikel genoemde bronnen niet betrouwbaar en is ten onrechte niet in het artikel opgenomen dat hij inmiddels is vrijgesproken van de in het artikel genoemde diefstalen en brandstichting.
Ten aanzien van zijn ontvankelijkheid stelt klager dat hij tijdens zijn preventieve detentie nooit op de hoogte is gebracht van de gewraakte publicatie. Pas na zijn vrijlating op 22 juli 2005 is hij van het artikel op de hoogte gebracht, aldus klager. Hij betoogt dat hem aldus niet kan worden tegengeworpen dat hij zijn klacht eerst meer dan een jaar na publicatie van het artikel heeft ingediend.

Verweerder stelt voorop dat klager al tijdens zijn detentie op de hoogte is geweest van de publicatie. Volgens verweerder zijn tijdschriften als Panaroma in de gevangenis te lezen. Bovendien heeft voorafgaand aan de publicatie veelvuldig contact plaatsgevonden met de advocate van klager. De Brouwer heeft toen verzocht klager te mogen bezoeken en geprobeerd met klager in contact te komen. Klager heeft echter via zijn advocate laten weten dat hij De Brouwer pas na zijn vrijlating te woord zou staan. Voorts merkt verweerder op dat het artikel voor publicatie is toegezonden aan de advocate van klager. Haar reactie is in het artikel verwerkt. Verweerder betoogt dat klager dan ook in zijn klacht niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID

Op 1 februari 2005 is in het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek artikel 2a ingevoerd, dat luidt als volgt:
1. Een klaagschrift moet worden ingediend binnen 6 maanden nadat de journalistieke gedraging, waartegen de klacht is gericht, heeft plaatsgevonden.
2. Een klaagschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn door het secretariaat van de Raad voor de Journalistiek is ontvangen.
3. Indien een klaagschrift niet tijdig is ingediend, is de klager in zijn klacht niet-ontvankelijk.
4. Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend klaagschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de klager in verzuim is geweest.

De onderhavige klacht, ingediend ná 1 februari 2005, heeft betrekking op een journalistieke gedraging van 16 april 2004. Toentertijd kende het Reglement geen termijn voor het indienen van een klaagschrift op straffe van niet-ontvankelijkheid en in de huidige tekst van het Reglement is hieromtrent geen overgangsrecht opgenomen.
Echter, een redelijke uitleg van de nieuwe regeling brengt mee dat voor klachten over publicaties van vóór 1 februari 2005 de termijn op laatstgenoemde datum begint te lopen. Deze klachten moeten dus in beginsel vòòr 1 augustus 2005 zijn ingediend, tenzij redelijker-wijs niet aan de klager kan worden tegengeworpen dat hij dat niet heeft gedaan. (vgl. X tegen Haan, RvdJ 2005/29)
Dat laatste is niet aannemelijk geworden. Met name is niet gebleken dat klager niet al ten tijde van zijn detentie op de hoogte was van het bestaan van het gewraakte artikel. Klager moet dan ook in zijn klacht niet-ontvankelijk worden verklaard.

BESLISSING

Klager is in zijn klacht niet-ontvankelijk.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in Panorama te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 27 januari 2006 door mw. mr. W.M.E. Thomassen, voorzitter, T.G.G. Bouwman, mw. drs. M.G.M. Mathot, drs. P. Sijpersma en prof. drs. E. van Thijn, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P. Blok, plaatsvervangend secretaris.