2006/39 ongegrond niet-ontvankelijk

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
S.K.A. Brown en H. Brown
 
tegen
 
H.J. Korterink en B. van Hout
 
Bij brief van 22 februari 2006 met diverse bijlagen heeft S.K.A. Brown te Amsterdam (hierna: Brown), mede namens zijn moeder H. Brown, een klacht ingediend tegen H.J. Korterink en B. van Hout. Van Hout heeft gereageerd in een brief van 26 maart 2006. Korterink heeft niet gereageerd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 28 april 2006 buiten aanwezigheid van partijen.
 
DE FEITEN
 
Korterink exploiteert de website misdaadjournalist.web-log.nl. Op de beginpagina van die website staat onder meer:
Opzet: In 2006 ben ik begonnen met het bijhouden van een soort dagboek, om eventuele geïnteresseerden een blikje te laten werpen achter de schermen van het misdaadverslaggeversleven. Op 2 februari ben ik voor het eerst online gegaan. Je krijgt een beetje een indruk van hoe bepaalde verhalen tot stand komen, waar ik mee bezig ben, onderzoeken waar ik wel aan begin maar waarover misschien nooit iets in druk zal verschijnen. Wellicht leidt het tot interessante tips.
en
Geïnteresseerd in een specifiek onderwerp? Meld het en misschien heb ik er al eens iets aan gedaan en kan ik snel met informatie komen. Interessante tips over duistere familiegeheimen, verborgen criminele acties of misdadig verdwenen personen? Zet de speurhond op het spoor!
 
Op 14 februari 2006 is op de website van Korterink een ingezonden brief van Van Hout verschenen, waarin deze reageert op een andere ingezonden brief. De brief van Van Hout bevat onder meer de volgende passages:
Inderdaad, ik haal mijn informatie uit het riool, niet uit het wijwatervat, maar ik ga niet roeren in die muk. Evenmin zet ik een pistool op het hoofd van ‘mijn onderwerpen’. Wat jullie me vertellen is aan jullie, je weet dat ik journalist ben, en geen vriend, ik heb me nooit anders voorgedaan, maar me wel altijd aan de afspraken gehouden met betrekking tot feitenverificatie.
en
Dan die suggestieve opmerking van je: ik heb nog nooit giften of gunsten aangenomen, hand- noch spandiensten verleend, naar boevenfeestjes geweest, evenmin mijn verjaardag in Yab Yum gevierd, of op een andere manier gefêteerd door het crime-gilde. De suggestie die jij doet is stuitend en onmogelijk hard te maken, tenzij je gebruikmaakt van de gemiddelde Steve Brown-getuige, die voor een snuif coke hun moeder nog aan de hoogste boom hangen.
en
Toch tracht je mij te chanteren, dan wel de suggestie te wekken dat je dat kunt. (…) Pogingen daartoe zijn in het verleden al eerder gedaan, met tegengesteld succes overigens. Pogingen daartoe hebben Brown, zijn ghostwriter en uitgever tonnen gekost aan schadeloosstellingen aan mijn adres.
Ik ben daarentegen mijn afspraken tot discretie of anonimiteit altijd nagekomen, maar dat waren geen beperkingen waar ik journalistiek niet mee uit de voeten kan.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Brown stelt, kort samengevat, dat de zinsnede “tenzij je gebruikmaakt van de gemiddelde Steve Brown-getuige, die voor een snuif coke hun moeder nog aan de hoogste boom hangen.” beledigend is, mede voor zijn moeder.
Verder stelt hij dat de ingezonden brief van Van Hout onjuistheden bevat. Volgens Brown heeft hij nooit geld aan Van Hout betaald. Het is juist dat de uitgever waar Van Hout op doelt, in eerste aanleg door de rechter is veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding. Die vergoeding bedroeg echter geen ‘tonnen’, maar 25.000 euro. Bovendien is de uitgever tegen de uitspraak in hoger beroep gegaan, zodat het ook mogelijk is dat Van Hout uiteindelijk geen schadevergoeding heeft ontvangen, aldus Brown.
 
Van Hout is niet inhoudelijk op de klacht ingegaan. In zijn brief heeft hij de Raad gewezen op de achtergrond van Brown.
 
BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID van H. Brown
 
Artikel 2, eerste lid, van het Reglement van de Raad bepaalt dat een klaagschrift moet worden ingediend door een ‘rechtstreeks belanghebbende’. Volgens het vaste oordeel van de Raad kan een klager als zodanig worden aangemerkt, indien zijn belang bij de gewraakte publicatie direct betrokken is en hij door die publicatie persoonlijk in zijn belang is geraakt.
 
De Raad begrijpt de stellingen van H. Brown aldus, dat zij een persoonlijk belang zou hebben bij een oordeel van de Raad, omdat in de zinsnede “tenzij je gebruikmaakt van de gemiddelde Steve Brown-getuige, die voor een snuif coke hun moeder nog aan de hoogste boom hangen.” naar haar is verwezen.
 
In deze zin wordt een groep personen in samenhang met hun moeder aangeduid. Weliswaar wordt daarbij gebruikgemaakt van de naam van de zoon van H. Brown, maar die omstandigheid kan niet leiden tot het oordeel dat haar belang direct betrokken is bij de publicatie. Ook overigens is van dergelijke omstandigheden niet gebleken. H. Brown is derhalve in haar klacht niet-ontvankelijk.
 
(vgl. onder meer: Blöte tegen KRO Netwerk, RvdJ 2004/88)
BEOORDELING VAN DE KLACHT van S.K.A. Brown voor zover gericht tegen Korterink
 
Voldoende aannemelijk is dat Korterink de website misdaadjournalist.web-log.nl beheert en dat hij dat doet als journalist in de zin van artikel 4 van de Statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek. Het toelaten, althans niet verwijderen van een bericht op die website vormt dus een journalistieke gedraging, zodat de Raad bevoegd is de klacht te beoordelen.
 
Dit toelaten/niet verwijderen kan op één lijn worden gesteld met het plaatsen van een ingezonden brief in een nieuwsblad, een handeling die onder omstandigheden kan leiden tot het oordeel dat de grenzen zijn overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is. In dit geval is echter niets naar voren gekomen dat een dergelijk oordeel zou kunnen rechtvaardigen. Deze klacht is derhalve ongegrond.

(vgl. Gerla tegen Kat, RvdJ 2004/26)
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT van S.K.A. Brown voor zover gericht tegen Van Hout
 
Van Hout presenteert zich in zijn ingezonden brief als journalist. Gezien de inhoud van de brief moet worden geconcludeerd dat deze zodanig verband houdt met de beroepsuitoefening van Van Hout, dat de Raad bevoegd is daarover te oordelen.
 
De klacht is allereerst gericht tegen de zinsnede “tenzij je gebruikmaakt van de gemiddelde Steve Brown-getuige, die voor een snuif coke hun moeder nog aan de hoogste boom hangen.” Volgens Brown is deze zin beledigend.
 
Het gaat hier om een brief van Van Hout gericht aan een derde. Daarin heeft hij kennelijk de naam van Brown als metafoor gebruikt ter aanduiding van een groep personen. Daarbij gaat het duidelijk om een persoonlijke opvatting van Van Hout. Bezien in de context van de publicatie acht de Raad dit niet van zodanige aard dat Van Hout daarmee grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
Verder heeft Brown gesteld dat de zin “Pogingen daartoe hebben Brown, zijn ghostwriter en uitgever tonnen gekost aan schadeloosstellingen aan mijn adres.” onjuist is. Volgens klager zou de uitgever niet zijn veroordeeld tot het betalen van ‘tonnen’, maar tot het betalen van 25.000 euro. Bovendien zou de uitgever tegen de uitspraak in hoger beroep zijn gegaan.
 
Voor zover het standpunt van klager al juist is – hetgeen de Raad niet kan beoordelen – dan nog is geen sprake van een omissie van zodanige ernst, dat Van Hout daarmee jegens Brown journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld.

BESLISSING
 
H. Brown is in haar klacht niet-ontvankelijk. De klacht van S.K.A. Brown is ongegrond.  
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting op de website misdaadjournalist.web-log.nl te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 30 juni 2006 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, T.G.G. Bouwman, drs. B.J. Brouwers, mw. C.J.E.M. Joosten en mw. drs. P.C.J. van Schaveren, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.