2006/36 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
mr. A.A.M. van Agt 
 
tegen
 
J. de Haas en de hoofdredacteur van De Telegraaf
 
Bij brief van 16 februari 2006 met negen bijlagen heeft mr. H.F. Doeleman, advocaat te Amsterdam, namens mr. A.A.M. van Agt (hierna: klager) een klacht ingediend tegen J. de Haas en de hoofdredacteur van De Telegraaf (hierna: verweerders). Hierop heeft De Haas geantwoord in een brief van 23 maart 2006 met tien bijlagen. Vervolgens heeft mr. K. Gilhuis, advocaat te Amsterdam, namens verweerders nog twee bijlagen overgelegd bij brief van 27 maart 2006.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 7 april 2006. Klager was daar aanwezig tezamen met mr. Doeleman. Aan de zijde van verweerders zijn De Haas, A. Reekers (adjunct-hoofdredacteur) en mr. Gilhuis verschenen. Mr. Doeleman en mr. Gilhuis hebben de standpunten van partijen nader toegelicht aan de hand van pleitnotities.
 
DE FEITEN
 
Op 12 november 2005 is in De Telegraaf een artikel van de hand van De Haas verschenen onder de kop “Op kruistocht met de DUIVEL” en de subkop “Oud-premier Dries van Agt in strijd tegen Israël gesteund door omstreden antisemiet”.
De intro van het artikel luidt:
Dries van Agt wil nu ook, net als Gretta Duisenberg, internationaal het toneel op als activist voor de Palestijnen. De oud-premier zint op een nieuwe campagne tegen Israël en wordt daarbij terzijde gestaan door een comité van adviseurs. Een van de betrokkenen blijkt een wel heel opmerkelijke levensloop te hebben. Van de dagboeken van Himmler tot de Protocollen van Zion: wie is Israel Shamir?
Het artikel bevat in opvallende, grote rode letters de zinsneden “,,Mij persoonlijk valt niets te verwijten”” en “Geheimzinnige Shamir bekend in kringen neonazi’s en Ku Klux Klan”.
Verder bevat het artikel onder meer de volgende passages:
David Duke, Amerika’s bekendste racist en voormalig leider van de Ku-Klux-Klan, werd afgelopen zomer als held onthaald op een rechts-extremistisch congres in Oekraïne. Het thema: ‘Zionisme is de grootste bedreiging voor de moderne beschaving’. Naast Duke stond een glunderende Israel Shamir, naar eigen zeggen een tot het christendom bekeerde jood. Shamir figureert regelmatig op de aan Duke gelieerde neonazi-website Stormfront.
Opvallend genoeg duikt deze kennis van David Duke ook op in het gezelschap waarmee Dries van Agt zich heeft laten omringen in zijn strijd tegen Israël.
Sinds 2003 is Shamir lid van het internationale adviescomité van de Stichting International Forum for Justice and Peace. Een jaar later trad Van Agt toe als voorzitter van het comité. Onder de vlag van deze Nederlandse stichting leidde de voormalige CDA-prominent in augustus een ‘fact finding missie’ in Israël.
en
Deze week trad Van Agt opnieuw op de voorgrond, nu tijdens opnamen van het programma ‘Het Zwarte Schaap’, dat vanavond bij de Vara wordt uitgezonden. Samen met Gretta Duisenberg toont hij in het programma begrip voor zelfmoordaanslagen door Palestijnse terroristen.
Het slot van het artikel luidt:
Ondanks zijn omstreden antecedenten werd Shamir in 2003 als adviseur binnengehaald bij de Stichting International Forum for Justice and Peace. Oprichter en bestuursvoorzitter Ben Smoes zegt: ,,Ik heb Shamir erbij gehaald omdat hij het zo voor de Palestijnen opneemt. Hij doet dat wel scherp, ja. Ik kende hem van publicaties op internet.” Volgens Smoes, ex-zakenman in Hoevelaken, komt het comité van adviseurs onder leiding van Van Agt niet bijeen. ,,Wel stuur ik ze samen met Van Agt aan, we verspreiden voorstellen via e-mail.”
Van Agt reageert stomverbaasd wanneer we hem confronteren met het adviseurschap van Israel Shamir en diens achtergrond. De CDA-coryfee zegt de man helemaal niet te kennen: ,,Ik weet van toeten noch blazen. Staat hij als adviseur vermeld? Geen idee. Ik heb nog nooit van deze man gehoord.”
Is het niet vreemd dat de voormalig minister-president niet weet met wie hij samenwerkt?
,,Nee hoor, ik heb me daar niet in verdiept. Wel ga ik nu uitzoeken hoe dat zit met die meneer Shamir. Maar nogmaals, ik ben me van geen kwaad bewust. Mij persoonlijk valt niets te verwijten. Destijds is mij gevraagd om medewerking te verlenen en dat doe ik graag. Ik ben nou eenmaal spontaan en ja, ook naïef.
 
Het artikel is geïllustreerd met een fotocollage met centraal een foto van Israel Shamir, links onder het portret van klager en rechtsonder een portret van Gretta Duisenberg. Verder zijn afbeeldingen te zien van Ku Klux Klan-figuren, Palestijnse actievoerders en Arabische teksten. Het bijschrift bij deze collage luidt:
Dries van Agt bevindt zich in zijn strijd tegen Israël in het gezelschap van Gretta Duisenberg én de mysterieuze man met zonnebril, die zich overal presenteert als Israel Shamir maar in werkelijkheid een andere identiteit heeft.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Samengevat stelt klager het navolgende. Sinds een aantal jaren na zijn pensionering houdt hij zich bezig met het Israëlisch-Palestijnse conflict. Zijn uitgangspunt daarbij is de onverkorte toepassing van het internationale recht in het voormalige mandaatgebied Palestina.
Alhoewel blijkens de intro wordt beoogd na te gaan wie Shamir is, kan het artikel niet anders worden opgevat dan als een grote beschuldiging aan zijn adres, aldus klager. Hij is ten onrechte in verband gebracht met antisemitisme en ten onrechte beticht van het tonen van begrip voor zelfmoordaanslagen door Palestijnse terroristen.  
Ter toelichting merkt hij op dat de adviescommissie van de Stichting International Forum for Justice and Peace fungeert als comité van aanbeveling. Verder worden de individuele leden door het bestuur van de Stichting van geval tot geval geraadpleegd. De adviescommissie maakt geen deel uit van de structuur van de Stichting. Shamir is in mei 2003 toegetreden tot de adviescommissie en heeft zich naar aanleiding van het artikel teruggetrokken. Klager is in 2004 tot de adviescommissie toegetreden en was op dat moment niet op de hoogte van het lidmaatschap van Shamir, laat staan van diens specifieke achtergronden.
Volgens klager blijkt uit het slot van het artikel dat verweerders ervan op de hoogte waren hoe de adviescommissie functioneerde, dat de leden onderling geen contact hadden en dat geen vergaderingen plaatsvinden van de adviescommissie. Het gaat dus niet aan om hem, door hem af te schilderen als een persoon die nauw samenwerkt met Shamir, direct in verband te brengen met antisemitisme.
Klager geeft toe dat hij zich beter had dienen te oriënteren omtrent de achtergronden van leden van de adviescommissie. Hij is in vol vertrouwen afgegaan op het bestuur van de Stichting toen hij werd uitgenodigd toe te treden tot de adviescommissie. Daarbij komt dat ook het bestuur van de Stichting niet (volledig) op de hoogte was van de achtergronden van Shamir. Deze omissies rechtvaardigen echter niet om hem zo nauw met Shamir en diens antisemitisme in verband te brengen dat hij zelf als antisemiet wordt afgeschilderd. Een en ander was overigens aan De Haas bekend toen hij een dag voor de publicatie contact opnam met het bestuur van de Stichting en met klager.
Van behoorlijk wederhoor is geen sprake geweest, aldus klager. Hij meent dat het op de weg van De Haas had gelegen in een eerder stadium wederhoor te plegen. De Haas heeft hem slechts een uur de tijd gegeven om commentaar te leveren. Bovendien heeft De Haas niet kenbaar gemaakt dat het artikel niet zozeer gewijd was aan de Stichting als wel aan het lidmaatschap van Shamir van de adviescommissie en de nauwe verbondenheid van klager met Shamir. De Haas heeft evenmin kenbaar gemaakt dat hij het artikel in gereedheid had gebracht waarin klager in een onaanvaardbaar negatieve context werd opgevoerd. De Haas heeft slechts volstaan met Shamir negatief af te schilderen en vervolgens aan hem te vragen hoe hij voorzitter kan zijn van de adviescommissie als daarvan een man als Shamir deel uit maakt, aldus klager. Hij meent verder dat zijn mededelingen en die van Smoes voldoende aanleiding vormden om het artikel ingrijpend te wijzigen en de publicatie zonodig uit te stellen.
Verder stelt klager dat in het artikel ten onrechte is vermeld dat hij in het televisieprogramma ‘Het Zwarte Schaap’ begrip toont voor zelfmoordaanslagen door Palestijnse terroristen en dat daardoor ten onrechte is gesuggereerd dat hij die zelfmoordaanslagen zou vergoelijken. Hij probeert er wel een verklaring voor te geven, maar dat is iets heel anders. In het bedoelde televisieprogramma heeft hij zelfmoordaanslagen van Palestijnse terroristen bij herhaling en met nadruk verfoeilijk genoemd.
Naar aanleiding van de publicatie heeft klager zich op 14 november 2005 met een ‘Open brief aan De Telegraaf’ tot De Telegraaf en het ANP gewend. Verder heeft hij zich kort na de publicatie schriftelijk gewend tot de hem bekende redacteur van De Telegraaf, de heer K. Lunshof. In beide brieven heeft hij zijn bezwaren tegen de publicatie kenbaar gemaakt. Noch De Haas, noch Lunshof, noch de hoofdredacteur van De Telegraaf heeft op de Open brief dan wel de brief aan Lunshof gereageerd.
Klager concludeert dat verweerders door zo te handelen en na te laten journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld.
 
Verweerders stellen dat klager middelpunt was geworden van een verhit publiek debat over het Israëlisch-Palestijnse conflict, in welk verband zij verwijzen naar diverse publicaties. Naar aanleiding van de commotie rond klager besloten verweerders nader onderzoek in te stellen naar diens beweegredenen en naar de kringen waarin hij verkeert. Dat onderzoek leidde tot de gewraakte publicatie, die de vrucht is van zeer uitgebreid en degelijk bronnenonderzoek.
Nadat De Haas op 10 november 2005 uit de kring van inlichtingendiensten de bevestiging had gekregen dat het vergaarde bronnenmateriaal op waarheid berust, werd in verband met de actualiteit besloten op 12 november tot publicatie over te gaan. Het actuele kader werd mede geschetst door de voortdurende commotie over klager in met name CDA-kringen en zijn aanstaande optreden in het programma ‘Het Zwarte Schaap’.
Volgens verweerders hebben getuigen die bij de opnamen van het programma aanwezig zijn geweest, bevestigd dat klager het opnam voor Gretta Duisenberg en tevens begrip toonde voor Palestijnse aanslagen. Dat klager zelfmoordaanslagen verfoeilijk heeft genoemd, betekent niet dat hij geen begrip heeft voor dergelijke acties. Verweerders verwijzen ter zake naar andere publicaties, waarin klager zich in dezelfde zin over zelfmoordaanslagen heeft uitgelaten.
Verweerders betwisten dat zij geen behoorlijk wederhoor hebben toegepast. De Haas heeft eerst op 11 november contact opgenomen met Smoes. In zijn reactie, die in het artikel is opgenomen, gaf Smoes aan dat hij op de hoogte was van uitingen van Shamir voordat hij hem vroeg toe te treden tot het adviescomité waarvan klager later voorzitter werd. Tevens is vermeld dat het comité volgens Smoes niet als zodanig bijeenkomt. Volgens verweerders heeft Smoes op geen enkel moment te kennen gegeven afstand te nemen van het gedachtegoed van Shamir. Smoes heeft het faxnummer van klager aan De Haas gegeven en klager alvast ingelicht dat een journalist contact met hem zou opnemen. Vervolgens heeft De Haas klager een fax gestuurd, hetgeen leidde tot een telefonisch onderhoud tussen beiden. Dat in die fax een tijdspanne van een uur werd aangegeven, had een praktische reden en was niet bedoeld om klager onder druk te zetten. Klager heeft daarover ook niet geklaagd. Hij wist dat het artikel de volgende dag zou worden gepubliceerd en heeft op geen enkel moment verzocht om uitstel van publicatie om een vollediger weerwoord te kunnen geven. Uitstel van publicatie zou geen enkel journalistiek doel hebben gediend, nu de feiten genoegzaam bekend waren en niet viel te verwachten dat het nader horen van klager en/of Smoes tot een wezenlijk andere inhoud van het artikel zou leiden. In de gesprekken met klager en Smoes zijn ook geen feiten naar voren gekomen die een ander licht wierpen op de persoon van Shamir, aldus verweerders.
Zij stellen verder dat zij, in het kader van hun taak als publieke waakhond, de plicht hebben om aan de kaak te stellen dat de Stichting International Forum for Justice and Peace – die een prominente rol speelt in het maatschappelijke debat over de Israëlisch-Palestijnse kwestie en waarvan klager boegbeeld is – banden heeft met een persoon als Shamir. Verweerders hebben terecht gesignaleerd dat klager zich bij zijn acties heeft ingelaten met een persoon wiens achtergronden uitermate dubieus zijn. Van een voormalig minister-president mag worden verwacht dat hij op de hoogte is van de achtergronden van de personen met wie hij deelneemt aan de activiteiten van een adviescomité. Als dat niet het geval is dan is dat niet alleen naïef, zoals klager zelf stelt, maar ook opmerkelijk. Dat zij hun waakhondfunctie goed hebben vervuld blijkt ook uit het feit dat de Stichting na publicatie heeft besloten de banden met Shamir te verbreken.
Verweerders benadrukken dat klager zich als bekende Nederlander en als ex-politicus meer moet laten welgevallen dan een gewone Nederlander. Dit geldt temeer nu klager zelf op een actieve wijze een maatschappelijk debat heeft aangezwengeld, waarin hij stevig stelling heeft genomen.
Ten slotte stellen verweerders dat zij niet onzorgvuldig hebben gehandeld door niet te reageren op de brieven van klager. De aan Lunshof gerichte brief is niet wezenlijk anders dan de ‘open brief’ waarin klager louter stellingen poneert en niet om een reactie vraagt. De brief aan Lunshof, die lid is van de hoofdredactie, eindigt met de zinsnede dat klager een ‘amende honorable’ verwacht. De hoofdredactie zag echter geen enkele aanleiding tot het vragen van vergiffenis of het bekennen van ongelijk. Door het uitblijven van een reactie moet dat voldoende duidelijk zijn gemaakt aan klager. Er bestaat geen journalistieke plicht tot het beantwoorden van brieven, zeker als daar niet expliciet om wordt gevraagd, aldus verweerders.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De klacht bestaat uit de volgende onderdelen:
  1. klager is ten onrechte in verband gebracht met antisemitisme;
  2. ten onrechte is vermeld dat klager in het televisieprogramma ‘Het Zwarte Schaap’ begrip toont voor zelfmoordaanslagen van Palestijnse terroristen;
  3. er is onvoldoende wederhoor toegepast;
  4. verweerders hebben ten onrechte niet gereageerd op de brieven van klager.
Ad 1.
Kern van klagers bezwaar is dat hij in het artikel zó nauw in verband wordt gebracht met Shamir dat alle aan Shamir toegeschreven verwerpelijke opvattingen onaanvaardbaar negatief op hem afstralen.
De Raad overweegt dat verweerders de term 'antisemiet' niet hebben gebruikt ter aanduiding van klager maar als typering voor Shamir. In dat licht moet ook de fotocollage worden bezien. Daarin is Shamir als ‘spin in een web’ afgebeeld, waarbij in beeld is gebracht dat Shamir zowel banden heeft met klager als met Ku Klux Klan-figuren en Palestijnse actievoerders. Dat het klager onwelgevallig is dat opvattingen van Shamir en met name de kwalificatie 'antisemiet' op hem afstralen, betekent niet dat verweerders journalistiek onzorgvuldig jegens hem hebben gehandeld. (vgl. Van der Land tegen TV Gelderland, RvdJ 2002/22)
Het staat immers niet ter discussie dat beiden tegelijkertijd lid zijn geweest van het adviescomité van de Stichting International Forum for Justice and Peace. Dat klager kennelijk niet op de hoogte was van de achtergronden van Shamir, dient voor zijn rekening te komen. Immers, gezien klagers staat van dienst had hij zich ervan op de hoogte kunnen en behoren te stellen welke personen aan het adviescomité verbonden waren, voordat hij als voorzitter tot dat comité – en daarmee als boegbeeld van de Stichting – toetrad.
Overigens hebben verweerders voldoende duidelijk gemaakt dat klager niet op de hoogte was van de achtergronden van Shamir en dat hij van oordeel is dat hem niets te verwijten valt. De publicatie laat de lezer voldoende ruimte voor een andere conclusie dan dat klager de opvattingen van Shamir zou delen. Dit onderdeel van de klacht is derhalve ongegrond.
 
Ad 2.
In het artikel is vermeld dat klager in het televisieprogramma ‘Het Zwarte Schaap’ begrip toont voor zelfmoordaanslagen door Palestijnse terroristen. De Raad acht het aannemelijk dat door het gebruik van de term ‘begrip tonen voor’ bij de gemiddelde lezer de indruk wordt gewekt dat klager dergelijke aanslagen goedpraat. Deze suggestie zal door het grote publiek als zeer afkeurenswaardig worden beschouwd en werpt derhalve een zodanige smet op klager dat deze niet zonder deugdelijke feitelijke grondslag gepubliceerd had mogen worden.
Uit hetgeen door partijen naar voren is gebracht maakt de Raad op, dat tijdens de opnamen van het programma langdurig is gediscussieerd over de zelfmoordaanslagen en dat het grootste gedeelte van de discussie niet is uitgezonden. Klager zou zich in die discussie eerst minder en later meer genuanceerd over de aanslagen hebben uitgelaten.
Klager heeft aangevoerd dat hij weliswaar een verklaring voor de zelfmoordaanslagen probeert te vinden, maar dat hij die aanslagen niet vergoelijkt. Volgens klager heeft hij in ieder geval de zelfmoordaanslagen herhaaldelijk ‘verfoeilijk’ genoemd, is dit ook uitgezonden en derhalve aan het grote publiek kenbaar gemaakt. Verweerders hebben deze stellingen niet weersproken.  
Naar het oordeel van de Raad hebben verweerders het standpunt van klager inzake de zelfmoordaanslagen van Palestijnse terroristen ten onrechte samengevat als ‘begrip tonen voor’ en aldus zonder deugdelijke grondslag de hiervoor bedoelde suggestie gewekt. Verweerders hebben op dit punt grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maarschappelijk aanvaardbaar is.
 
Ad 3.
In lijn met eerdere uitspraken overweegt de Raad dat, indien aan een betrokkene om een reactie wordt gevraagd, die betrokkene niet steeds vooraf volledig behoeft te worden geïnformeerd over de inhoud van de publicatie. Volstaan kan worden met aan betrokkene voldoende duidelijk mee te delen, waarop het te geven commentaar betrekking moet hebben. Daarbij is de mate waarin een journalist opening van zaken moet geven afhankelijk van de aard van het te publiceren bericht. (vgl. onder meer: Van den Doel tegen Heijboer, RvdJ 2003/23)
De strekking van het artikel is dat Shamir deel uitmaakt van het adviescomité van de Stichting International Forum for Justice and Peace, dat Shamir verwerpelijke opvattingen heeft en dat klager met Shamir in verband kan worden gebracht omdat hij voorzitter van het desbetreffende adviescomité is.
Gelet op de reactie van klager, die duidelijk in het artikel is verwerkt, moet hem die strekking voldoende duidelijk zijn geweest. Gesteld noch gebleken is dat de weergave van die reactie onjuistheden bevat. De stelling van verweerders dat klager geen bezwaar heeft gemaakt tegen de hem gegeven termijn om te reageren, heeft klager overigens niet weersproken. Dat klager wellicht niet voldoende adequaat gebruik heeft gemaakt van de hem geboden gelegenheid tot wederhoor, kan verweerders niet worden verweten. Dit onderdeel van de klacht is derhalve ongegrond.
 
Ad 4.
Het zou verweerders hebben gesierd als zij op de brieven van klager hadden gereageerd. Partijen zouden dan wellicht tot elkaar hebben kunnen komen. Dat verweerders dit hebben nagelaten kan echter niet leiden tot het oordeel dat zij grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat het uitblijven van een reactie zonder meer duidelijk maakte dat verweerders niet bereid waren om op de in de brief aan Lunshof gestelde eis van klager (een ‘amende honorable’) in te gaan. (vgl. onder meer: W, X, Y en Z tegen De Telegraaf, RvdJ 2004/71)
 
BESLISSING
 
Voor zover de klacht is gericht tegen de vermelding dat klager in het televisieprogramma ‘Het Zwarte Schaap’ begrip toont voor zelfmoordaanslagen van Palestijnse terroristen, is deze gegrond. Voor het overige is de klacht ongegrond.    
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 20 juni 2006 door mw. mr. M.E. Leijten, voorzitter, T.G.G. Bouwman, mw. F. Santing, drs. P. Sijpersma en mw. drs. I. Wassenaar, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.