2006/35 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
de Regionale Ambulancevoorziening Gooi en Vechtstreek
 
tegen
 
de hoofdredacteur van De Nieuws Ster
 
Bij brief van 14 februari 2006 met een bijlage heeft R.K. Ton, directeur, namens de Regionale Ambulancevoorziening Gooi en Vechtstreek te Bussum (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Nieuws Ster (hierna: verweerder). B.F. ten Herkel, uitgever van De Nieuws Ster, heeft daarop geantwoord in een brief met twee bijlagen, die door de Raad op 21 maart 2006 is ontvangen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 7 april 2006. Namens klaagster was daar haar plaatsvervangend directeur F. Berg aanwezig. Verweerder is daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 8 februari 2006 is in De Nieuws Ster een artikel verschenen onder de kop “Tragisch overlijden”. De intro van het artikel luidt:
Met het tragische overlijdensgeval van een Loosdrechts meisje doet de vraag zich voor of de organisatie van de urgente medische zorg in onze regio wel klopt en of de kwaliteit van die zorg wel voldoende is gewaarborgd.
Verder bevat het artikel onder meer de volgende passages:
Haar overlijden lijkt het gevolg van een dramatische samenloop van te laat, te weinig en te oppervlakkig.
en
Binnen een kwartier staat de politie voor de deur, evenals de auto van de huisartsenpost en een ambulance. Die blijkt niet de juiste apparatuur aan boord te hebben, dus even later staat er een tweede ambulance. Er wordt geprobeerd in haar luchtpijp te snijden om de ademhaling op gang te houden, maar dit mislukt.
 
Vervolgens is op 15 februari 2006 in De Nieuws Ster een ingezonden brief van voornoemde Ton verschenen onder de kop “Ingezonden bericht”. De intro van deze publicatie luidt:
Op woensdag 8 februari 2006 heeft er in uw krant een artikel gestaan onder de kop “Tragisch overlijden” over het overlijden van een jonge vrouw waar de ambulancedienst Gooi & Vechtstreek daags ervoor hulp verleend heeft. Ik acht de inhoud van het betreffende artikel inhoudelijk verre van correct. De ambulancedienst is door voornoemd artikel in haar goede naam aangetast en de kennis en kunde van de individuele medewerkers is hiermee onterecht in twijfel getrokken. Tevens heeft het betreffende artikel onterecht geleid tot onzekerheid bij de burgers in onze regio over de kwaliteit van de ambulancehulpverlening in de regio Gooi & Vechtstreek. Dit heeft zich daags na het verschijnen van de betreffende publicatie geuit in vragen van burgers aan onze ambulancedienst.

Het artikel is door de redactie voorzien van het volgende naschrift:
Het bedoelde artikel is de weergave van een gesprek over de gang van zaken met de ouders van het meisje, die bij de behandeling door het ambulancepersoneel aanwezig waren. Als dit verslag correctie behoeft dan zijn wij erkentelijk voor deze verhelderende brief van de RAGV. Hoor en wederhoor leek in eerste instantie niet nodig, omdat de auteur van het artikel niet de bedoeling had kritiek te leveren op de ambulancedienst, maar integendeel meldde dat de ambulance ‘binnen een kwartier’ aanwezig was en dat ‘even later’ een tweede ambulance kwam. Maar in tweede instantie wordt de RAGV de gelegenheid tot een reactie hierbij graag geboden.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster stelt dat haar ambulancedienst is gevraagd assistentie te verlenen bij een jongedame
die dreigde te stikken. Conform de procedure heeft de meldkamermedewerker direct een ambulance gestuurd en gevraagd de dienstdoende huisarts mee te gaan. Ter plaatse bleek dat de patiënte ernstige ademhalingsproblemen had, die waarschijnlijk werden veroorzaakt door een groot abces in haar keel. Aangezien bij de patiënte de vitale functies waren bedreigd, is conform landelijke richtlijnen direct een tweede ambulance ter assistentie meegestuurd. De reden daarvoor is gelegen in het feit dat in een dergelijke situatie door het ambulancepersoneel in zeer korte tijd veel handelingen moeten worden uitgevoerd. In het artikel van 8 februari 2006 is dan ook ten onrechte gesuggereerd dat de eerste ambulance niet de juiste apparatuur bij zich had. Daarnaast is ten onrechte gesuggereerd dat de incisie niet is gelukt. De ambulanceverpleegkundige heeft conform de Landelijke Ambulance Protocollen besloten een incisie te maken in de hals om via die weg een opening in de luchtpijp te creëren om op die manier alsnog zuurstof te kunnen toedienen aan de patiënte. Die moeilijke handeling is technisch correct uitgevoerd en als zodanig succesvol geweest, aldus klaagster. Zij stelt verder dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten wederhoor bij haar toe te passen.
Klaagster betoogt dat door de publicatie van 8 februari haar goede naam is aangetast en de kennis en kunde van haar medewerkers ten onrechte in twijfel is getrokken. Het artikel heeft geleid tot onzekerheid bij de burgers in de regio over de kwaliteit van de ambulance-hulpverlening door klaagster. Zij heeft daags na het verschijnen van het artikel veel vragen van burgers ontvangen over de kwaliteit van de door klaagster verleende zorg.
Desgevraagd deelt Berg ter zitting mee dat de plaatsing van de ingezonden brief naar zijn mening maar gedeeltelijk genoegdoening biedt, omdat het leed door de publicatie van 8 februari al was geschied.
 
Verweerder stelt dat in het artikel van 8 februari 2006 een actuele zaak is samengevat als ‘een dramatische samenloop van te laat, te weinig en te oppervlakkig’. Daarmee is niet de ambulancedienst speciaal op de korrel genomen, maar al het medisch handelen en nalaten van alle betrokken hulpverleners.
Volgens verweerder is het toepassen van wederhoor bij klaagster niet aan de orde geweest. Enerzijds door de actualiteit van de zaak, anderzijds omdat hij niet de intentie had de ambulancedienst in een kwaad daglicht te plaatsen. Nadat bleek dat klaagster een andere kijk op de zaak had, was het geen probleem om het wederhoor van klaagster middels een ingezonden brief te plaatsen.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad stelt voorop dat het maatschappelijk relevant en journalistiek geboden kan zijn om journalistiek onderzoek te verrichten naar (vermeende) misstanden in de gezondheidszorg. Het is immers een taak van de pers om misstanden aan de kaak te stellen. Het staat een journalist vrij om zulks te doen aan de hand van een concreet geval, maar daarbij dient hij wel zorgvuldig te werk te gaan en moet de publicatie door feiten worden onderbouwd. (vgl. onder meer: Ruissen tegen Van Dijk en HP/De Tijd, RvdJ 2006/15)
 
In het artikel van 8 februari 2006 wordt aan de orde gesteld of ‘de urgente medische zorg in de regio wel klopt en of de kwaliteit van die zorg wel voldoende is gewaarborgd’. In dat verband wordt vermeld dat het overlijden van de desbetreffende patiënte het gevolg lijkt van ‘een dramatische samenloop van te laat, te weinig en te oppervlakkig’ handelen.
Over de dienst van klaagster en de door haar medewerkers verstrekte hulpverlening wordt verder vermeld dat ‘de eerste ambulance niet de juiste apparatuur aan boord blijkt te hebben’ en dat ‘wordt geprobeerd in haar luchtpijp te snijden om de ademhaling op gang te houden, maar dit mislukt’.
 
Naar het oordeel van de Raad laat de publicatie de lezer weinig ruimte voor een andere conclusie dan dat de door klaagster verstrekte hulpverlening – zowel in het algemeen als in het weergegeven geval – niet deugt. Deze beschuldiging werpt een zodanige smet op klaagster dat deze niet zonder deugdelijke feitelijke grondslag gepubliceerd had mogen worden. Een dergelijke grondslag ontbreekt echter.

Verder dient, volgens het vaste oordeel van de Raad, een journalist bij het publiceren van ernstige beschuldigingen met bijzondere zorgvuldigheid te werk te gaan. Die bijzondere zorgvuldigheid brengt in het algemeen onder meer mee dat wederhoor dient te worden toegepast. Voorts heeft de Raad herhaaldelijk overwogen dat – voor zover wederhoor is geboden – uit een oogpunt van evenwichtige berichtgeving bij voorkeur in een en dezelfde publicatie tot uitdrukking dient te komen dat met betrekking tot hetgeen daarin aan de orde is, wederhoor is toegepast.
Niet ter discussie staat dat verweerder voorafgaand aan de publicatie van 8 februari 2006 geen wederhoor bij klaagster heeft toegepast. Gesteld noch gebleken is van bijzondere omstandigheden die dat rechtvaardigen. Dat verweerder na de publicatie van 8 februari klaagster alsnog de gelegenheid heeft geboden haar visie op de zaak te geven, kan daaraan niet afdoen.
 
Daarbij komt dat klaagster, gelet op de onzorgvuldige berichtgeving, een adequate rectificatie mocht verwachten. De plaatsing van klaagsters ingezonden brief kan echter niet als zodanig worden beschouwd. Bij het rectificeren dient de journalist aan de lezer duidelijk te maken dat hij in de te rectificeren publicatie niet juist heeft bericht. Dat is hier niet gebeurd.
 
De Raad komt derhalve tot de slotsom dat verweerder door zo te handelen en na te laten de grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. (vgl. onder meer: OSV B.V. tegen ‘TROS Opgelicht’, RvdJ 2006/19 en Janssens tegen Ubags (de Ster), RvdJ 2005/18)
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.  
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in De Nieuws Ster te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 20 juni 2006 door mw. mr. M.E. Leijten, voorzitter, T.G.G. Bouwman, mw. F. Santing, drs. P. Sijpersma en mw. drs. I. Wassenaar, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.