2006/34 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
D. Verkijk
 
tegen
 
R. Kagie en E. Fallaux, hoofdredacteur van Vrij Nederland
 
Bij brief van 27 januari 2006 met diverse bijlagen heeft D. Verkijk te Sandy, USA (hierna: klager) een klacht ingediend tegen R. Kagie en E. Fallaux, hoofdredacteur van Vrij Nederland (hierna: verweerders). Vervolgens heeft klager in e-mails van 31 januari 2006 en van 6 februari 2006 met een bijlage zijn klacht nader toegelicht. Mr. G. Brunt, advocaat te Amsterdam, heeft namens verweerders op de klacht gereageerd in een schrijven van 16 maart 2006. Vervolgens hebben partijen nog bijlagen overgelegd. Ten slotte heeft klager bij brief van 27 maart 2006 met diverse bijlagen zijn klacht verduidelijkt.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 7 april 2006. Namens klager was daar P. Pierik, uitgever, aanwezig. Verweerders zijn verschenen vergezeld van mr. Brunt, die het standpunt van verweerders heeft toegelicht aan de hand van een pleitnotitie.
 
Een der leden van de Raad heeft zich verschoond. Partijen hebben desgevraagd geen bezwaar gemaakt tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en overige leden.
 
DE FEITEN
 
Bij e-mail van 19 september 2005 heeft klager een artikel over Harry Mulisch ter publicatie aan Fallaux aangeboden. Vervolgens heeft klager Fallaux op 25 september 2005 een herinnering gestuurd. Diezelfde dag heeft Fallaux in een e-mail op de e-mails van klager gereageerd en klager gevraagd of het verhaal bewerkt mag worden. Daarop heeft klager geantwoord in een e-mail van 27 september 2005. Klager heeft Fallaux nog aan een en ander herinnerd in e-mails van 6 en 11 oktober 2005. Het slot van het bericht van 11 oktober luidt:
Moet ik uit het uitblijven van reacties jouwerzijds concluderen, dat je van de hele zaak afziet? Als ik binnen een paar dagen niets van je hoor neem ik aan dat dit het geval is en dan ga ik proberen het elders onder te brengen. Ik zou dat jammer vinden, want zo’n verhaal vind ik toch thuis horen in een blad met een ondergrondse achtergrond.
 
In de eerste helft van januari 2006 heeft klagers uitgever P. Pierik in de voorjaarsprospectus van Uitgeverij Aspekt aangekondigd dat klagers pamflet “Harry Mulisch – Fel anti-nazi. Maar sinds wanneer?” in februari 2006 zal verschijnen. De tekst van de prospectus bevat onder meer de volgende passages:
Op basis van verklaringen van twee getuigen stelt Dick Verkijk in dit pamflet de vraag: ‘Vanaf wanneer?’ Die twee getuigen kennen elkaar niet maar beiden hebben onafhankelijk van elkaar een scherp beeld voor ogen dat wijst op een ‘jeugdzonde’ van Mulisch.
en
De tekst van dit boek is aanvankelijk aan een aantal dag- en weekbladen aangeboden. Die hebben om verschillende redenen van plaatsing afgezien. In een naschrift citeert Verkijk hun argumentatie en soms fundamentele kritiek op zijn verhaal – en zijn weerwerk daarop.
 
Op 15 januari 2006 heeft klager in een e-mail aan Kagie onder meer geschreven:
In aansluiting op ons telefoongesprek van vanmorgen/hier vanavond/bij jullie nog een paar opmerkingen. Ik heb VN indertijd dat artikel over Mulisch aangeboden en jullie hebben het niet willen plaatsen. Dat is een volstrekt legitiem standpunt en ik heb daar geen enkel probleem mee. Waar ik wel een probleem mee zou hebben is als jullie een stukje gaan schrijven waarbij jullie gebruik maken van gegevens die in dat verhaal staan. (…) Ik kan dan ook niet anders dan erop staan dat jullie uitsluitend de tekst in de aanbiedingsfolder als uitgangspunt nemen voor een eventueel stukje. Dat jullie Harry al hebben benaderd en het woord “Jeugdstorm” hebben laten vallen op basis van het door jullie geweigerde stuk is al een beetje jammer en als jullie toch iets daarover willen melden, dan uitsluitend op basis van wat Harry jullie daarover heeft gezegd. Ik heb niet meer gezegd dan wat in de aanbiedingstekst staat: een “jeugdzonde”. Ook de rest van mijn commentaar beperkt zich, tot na de publikatie door Aspekt, tot die aanbiedingstekst.(…)
 
Verder heeft klager in een e-mail van 16 januari 2006 aan Fallaux en Kagie onder meer bericht:
Ondanks mijn verzoek daartoe, heb ik geen concept ontvangen van het verhaal(tje) dat jullie in VN wilden plaatsen n.a.v. mijn komende boekje over Harry Mulisch. (…) Het verhaal, dat ik jou, Emile, op 12 september vorig jaar heb toegestuurd, is op enigszins wonderlijke wijze maar toch zeer duidelijk niet geschikt geacht voor plaatsing in VN. Daarmee hebben jullie het recht verpand er gebruik van te maken. Het auteursrecht voor dat artikel berust bij mij en ik heb dat, na jullie weigering, toegekend aan uitgeverij Aspekt. Ik ontzeg jullie dus nu in alle duidelijkheid het recht gebruik te maken van de inhoud van dat door jullie geweigerde verhaal. (…) Als jullie er voor de publikatie van het boek al over willen schrijven, dan uitsluitend op basis van de tekst die in de aanbiedingsprospectus van Aspekt staat.(…)
 
Op 21 januari 2006 is in Vrij Nederland een artikel van de hand van Kagie verschenen onder de kop “Dick Verkijk versus Harry Mulisch”. De intro van het artikel luidt:
Was Harry Mulisch lid van de Jeugdstorm? Moeilijk voorstelbaar. Toch was het volgens een pamflet van oud-journalist Dick Verkijk wel degelijk het geval. ‘Absolute onzin,’ zegt Mulisch. ‘Het is gewoon wáár,’ beweert Verkijk. Overschreeuwt de pamflettist zich?
Verder bevat het artikel onder meer volgende passage:
Harry Mulisch doet de vermeende ontdekking van zijn ‘jeugdzonde’ in twee woorden af: ‘Totale idiotie.’ Volgens voormalig Oost-Europa-correspondent Dick Verkijk zou Mulisch in 1941 lid zijn geweest van de Nationale Jeugdstorm, de jongerenorganisatie van de NSB. Verkijk schreef daar een vlammend pamflet over, Harry Mulisch anti-nazi, maar sinds wanneer?, dat vanaf volgende week in de winkel ligt.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat hij de oorspronkelijke tekst van zijn stuk aan Fallaux heeft gestuurd op diens privé e-mailadres. Hij wilde daarmee voorkomen dat de inhoud door rondzwerven zou uitlekken en Mulisch ter ore zou komen voordat hij hem daar zelf over benaderd zou hebben. Op 11 januari 2006 heeft hij Fallaux per e-mail laten weten dat zijn stuk als pamflet door uitgeverij Aspekt zou worden uitgegeven. Klager wijst erop dat de versie die hij destijds aan Fallaux heeft gestuurd, daarna is uitgebreid met een Naschrift, Commentaar Harry Mulisch en Naschrift II.
Verder stelt klager dat Kagie tegen zijn verbod in gebruik heeft gemaakt van de tekst die hij aan Fallaux heeft gestuurd. Volgens klager heeft Kagie geprobeerd dat te omzeilen door een interview met hem te verzinnen. Daarbij is ten onrechte de indruk gewekt dat hij de in het artikel verwerkte informatie aan Kagie heeft verstrekt in hun telefoongesprek van 15 januari 2006. In het artikel zijn een paar woorden aangehaald die hij inderdaad heeft gezegd, maar die nauwelijks iets met het eigenlijke onderwerp te maken hadden. In dat gesprek heeft hij herhaaldelijk gezegd dat hij geen commentaar wenste te geven voordat het pamflet zou zijn gepubliceerd, aldus klager.
Verder heeft hij er bezwaar tegen dat Kagie al een negatief oordeel heeft over het pamflet en het afwijst als onwaar, zonder de hele tekst te kennen. Klager stelt voorts dat het artikel onjuiste, beledigende beweringen over hem bevat.
 
Verweerders stellen dat klager zijn artikel zonder beperking aan Fallaux heeft toegestuurd; tussen klager en Vrij Nederland zijn geen afspraken gemaakt. Klager heeft nergens vermeld dat hij het stuk vertrouwelijk heeft toegestuurd. Pas na het telefoongesprek met Kagie op 15 januari 2006 heeft klager laten weten dat zijn stuk alleen gebruikt mocht worden als Vrij Nederland tot publicatie daarvan was overgegaan.
Naar aanleiding van de aankondiging van het pamflet heeft Kagie op 13 januari 2006 gebeld met de uitgever. Pierik heeft Kagie toen uit eigen beweging het telefoonnummer van Verkijk gegeven. Vervolgens heeft Kagie klager op 15 januari gesproken. Aanvankelijk beantwoordde klager de vragen van Kagie op wat cryptische wijze, maar verderop in het gesprek deed hij dat trouwhartig en zonder restricties. Dat een interview is voorgewend is dus niet juist. Het interview heeft daadwerkelijk plaatsgevonden.
Volgens verweerders is in het artikel geen informatie uit het stuk van klager gebruikt die hen niet reeds uit andere hoofde bekend was geworden. Kagie had kennisgenomen van de aankondiging van het pamflet en heeft hierover met Mulisch gesproken, die beschikte over de concepttekst van het stuk van klager. Alleen al door het gesprek met Mulisch was Kagie er dus van op de hoogte dat klager over Mulisch schreef dat deze lid zou zijn geweest van de Nationale jeugdstorm. Kagie heeft in het artikel verwerkt wat hij van klager heeft vernomen en wat hem uit andere bron bekend was. Verder was de informatie langs andere weg openbaar, voordat het gewraakte artikel is verschenen. Alle media beschikten na de bijeenkomst ‘Vers van de Pers’, een beurs waar uitgeverijen hun nieuwe titels presenteren, op 16 januari over meer informatie dan de aanbiedingstekst inhield. Op die bijeenkomst is ook gesproken over het vermeende lidmaatschap van Mulisch van de ‘Jeugdstorm’. Verweerders wijzen in dit verband op publicaties in NRC Handelsblad van 16 januari, in de Volkskrant en Het Parool op 17 januari en op een uitzending van het televisieprogramma NOVA van 17 januari.
Verder stellen verweerders dat het artikel gaat over het nieuwsfeit van het aangekondigde pamflet van klager, waarin deze een aanval doet op Mulisch en het feit dat Kagie het bewijs daarvoor erg dun vindt. Er wordt niet ingegaan op de inhoud van het pamflet anders dan het feit dat klager zich op de herinnering van twee bejaarde mensen baseert bij de vergaande beschuldiging dat Mulisch lid zou zijn geweest van de Jeugdstorm. Over die feiten handelde het telefonische interview van 15 januari. Het artikel bevat geen passages die zijn terug te vinden in het stuk van klager.  
In het artikel worden op kritische wijze de uitgangspunten van het pamflet van klager besproken. Dat Kagie concludeert dat sprake is van een schotschrift, is gerechtvaardigd. Van onnodig grievende uitlatingen over het pamflet of de persoon van klager is geen sprake. Een journalist die een opiniërend stuk schrijft, na beide partijen gehoord te hebben, heeft met inachtneming van journalistieke zorgvuldigheid gehandeld.
Verweerders concluderen dat zij geen grenzen hebben overschreden.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat verweerders onzorgvuldig hebben gehandeld door in het artikel van 21 januari 2006 informatie te gebruiken uit het stuk dat klager op 19 september 2005 aan Fallaux heeft gestuurd.
 
In het gewraakte artikel is aandacht besteed aan het aanstaande verschijnen van klagers pamflet “Harry Mulisch – Fel anti-nazi. Maar sinds wanneer?”.
De Raad stelt voorop dat een journalist vrij is in zijn selectie van nieuws. Er is geen norm van journalistieke zorgvuldigheid die meebrengt dat een journalist toe- of instemming behoeft te hebben van degene over wie hij publiceert.
 
Klager heeft zijn oorspronkelijke stuk uit eigen beweging aan Fallaux ter publicatie aangeboden. Daarbij heeft klager op geen enkele wijze kenbaar gemaakt dat Fallaux de informatie uit het stuk als vertrouwelijk diende te beschouwen. Niet is gebleken dat tussen partijen afspraken zijn gemaakt over het al dan niet publiceren van het stuk. Van een embargo – een overeenkomst, waarbij de nieuwsverschaffer informatie verstrekt en de ontvangende partij geheimhouding toezegt gedurende een korte termijn – is geen sprake. (vgl. onder meer: Ambtshalve uitspraak inzake embargo’s, RvdJ 2003/50)
 
Toen publicatie uitbleef heeft klager het stuk in gewijzigde vorm door Uitgeverij Aspekt laten uitgeven. De uitgave is medio januari 2006 aangekondigd in de voorjaarsprospectus van de uitgeverij. Aan de uitgave is blijkbaar ook aandacht besteed op 16 januari 2006 tijdens de beurs ‘Vers van de Pers’, waarna diverse media over de uitgave hebben bericht.
Verder hebben verweerders onbetwist gesteld dat zij voorafgaand aan de publicatie Harry Mulisch hebben benaderd om zijn visie op de zaak te vernemen.
 
Al deze omstandigheden in aanmerking genomen bestaat geen grond voor de conclusie dat verweerders misbruik hebben gemaakt van de informatie die zij over klagers pamflet hebben vergaard, door daarover te publiceren op de wijze zoals zij hebben gedaan.
 
Ook overigens is naar het oordeel van de Raad geen sprake van journalistiek onzorgvuldig handelen jegens klager. Het artikel bevat, behalve nieuwsfeiten en uitlatingen van bronnen, opiniërende elementen van Kagie.Het staat een journalist vrij over een bepaald feit zijn mening te verkondigen, mits duidelijk is dat het om zijn persoonlijke opvatting gaat. In het artikel komen geen kwalificaties of vergelijkingen voor die journalistiek ontoelaatbaar zijn. Het feit dat klager het artikel als beledigend heeft ervaren, is daarvoor onvoldoende. (vgl. onder meer: Hanssen tegen Theunissen (HP/De Tijd), RvdJ 2005/48)

BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in Vrij Nederland te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 20 juni 2006 door mw. mr. M.E. Leijten, voorzitter, mw. F. Santing, drs. P. Sijpersma en mw. drs. I. Wassenaar, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.