2006/33 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
C. Kommer
 
tegen
 
de hoofdredacteur van ‘Reportage’ (SBS6)  
 
Bij brief van 9 oktober 2005 met drie bijlagen heeft C. Kommer te Ugchelen (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het televisieprogramma ‘Reportage’ (verweerder) bij de Raad voor de Journalistiek te België, die de klacht heeft doorgestuurd aan de Raad voor de Journalistiek in Nederland (verder: de Raad). De klacht is door het secretariaat van de Raad ontvangen op 17 oktober 2005.  
Naar aanleiding van de ontvangst van de klacht heeft E. van Stade, programma-directeur van SBS6, telefonisch contact opgenomen met klager om te bezien of partijen in overleg tot een oplossing zouden kunnen komen. Dit heeft niet tot een bevredigend resultaat geleid.
Vervolgens heeft mr. S.F.M. Hoogenbosch, bedrijfsjuriste van SBS Broadcasting B.V., op 14 november 2005 een video-opname van de gewraakte uitzending aan de Raad gestuurd. Bij brief van 15 november 2005 heeft mr. Hoogenbosch op de klacht gereageerd.
In een brief van 29 november 2005 heeft de secretaris van de Raad klager verzocht zijn bezwaren nader toe te lichten. Hierop heeft klager geantwoord in een brief van 5 december 2005. Mr. Hoogenbosch heeft ten slotte daarop gereageerd bij brief van 23 december 2005.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 3 maart 2006. Klager en mr. H. Verhagen, bedrijfsjuriste van SBS Broadcasting B.V., zijn daar verschenen. Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad een video-opname van de gewraakte uitzending bekeken.
 
DE FEITEN
 
Op 22 mei 2005 is in een uitzending van het televisieprogramma ‘Reportage’ aandacht besteed aan een treinkaping bij De Punt en een gijzeling in een lagere school in Bovensmilde, die plaats hebben gevonden in 1977 (hierna: de uitzending). In de uitzending is vermeld dat de gebeurtenissen van destijds zijn gereconstrueerd. Beelden van die reconstructie zijn afgewisseld met authentieke beelden. Daarnaast bevat de uitzending (gedeelten van) interviews met personen die bij de gebeurtenissen van destijds betrokken zijn geweest, waaronder klager. Klager is Majoor der Koninklijke Marechaussee b.d. en oud plaatsvervangend commandant van de Brigade Bijzondere Bijstandseenheid Krijgsmacht (BBEK).
 
Naar aanleiding van de uitzending heeft klager zich in een e-mail van 23 mei 2005 tot verweerder gewend en zijn bezwaren tegen die uitzending kenbaar gemaakt. Klager heeft verweerder nog herhaaldelijk herinneringen gestuurd, maar geen reactie van verweerder ontvangen.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat de uitzending een slecht samenraapsel is van uit het verband gelichte interviews vermengd met amateuristische en voor een groot deel onjuiste beelden. Zo is onder meer onvoldoende onderscheid gemaakt tussen de actie rond de school en die rond de trein. Door het ontbreken van voldoende juiste informatie en de slecht nagespeelde scènes wordt de kijker in verwarring gebracht en op het verkeerde been gezet, aldus klager. Verder stelt hij dat de ingezette eenheden niet c.q. onjuist zijn benoemd, dat onjuiste informatie is verstrekt over de gebruikte wapens en dat de in beeld gebrachte ‘mariniers’ ten onrechte zijn gekleed in camouflage uniformen.
Klager concludeert dat de uitzending journalistiek onjuist is. De reportage is opgebouwd uit beelden die suggereren de ware geschiedenis weer te geven, mede doordat er interviews in zijn geplaatst die de uitzending een kader van echtheid moeten geven. Volgens klager is de werkelijkheid echter ernstig geweld aangedaan en neigt de uitzending naar geschiedvervalsing. Klager wijst erop dat hij nooit toestemming heeft gegeven voor het verwerken van zijn interview, dat hij eerder ten behoeve van een ander programma heeft gegeven. Door beelden van dat interview in de uitzending op te nemen is ten onrechte de indruk gewekt dat hij zich aan de getoonde beelden conformeert, aldus klager.
Ten slotte stelt hij dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door niet op zijn e-mails en brief te reageren. Naar aanleiding van zijn eerste e-mail heeft klager een automatisch gegenereerd antwoord ontvangen, waarin hem werd toegezegd dat hij nader persoonlijk bericht zou ontvangen, maar daarna heeft hij niets meer vernomen.
 
Verweerder stelt dat in een uitzending over een gebeurtenis uit het verleden een schets wordt gemaakt van wat destijds heeft plaatsgevonden. Daarbij worden historische beelden van de gebeurtenis, beelden van een reconstructie en/of beelden uit andere programma’s vertoond. Dit is ook in het onderhavige geval gebeurd, waarin klager enkele malen in beeld komt en zijn visie geeft op de ontstane situatie. Verweerder benadrukt dat de kijker er van tevoren op is geattendeerd dat het een reconstructie betreft. De reconstructie-beelden zijn dan ook afgewisseld met origineel beeldmateriaal uit 1977. Het zal de kijker derhalve juist duidelijk zijn dat bijvoorbeeld de kleding die is gebruikt in de reconstructie-beelden niet geheel overeenstemt met de kleding uit de originele beelden. Volgens verweerder wordt de kijker dus niet op het verkeerde been gezet.  
Volgens verweerder is het niet gebruikelijk en ook ondoenlijk om alle betrokkenen, in dit geval bijna 30 jaar na de gebeurtenis, op te sporen en opnieuw om een reactie te vragen. Dit zou ook weinig zinvol zijn, omdat dit een reactie op hun eerdere reactie van jaren daarvoor zou betekenen, terwijl de bedoeling was om de gebeurtenissen vanuit een historisch perspectief weer te geven, aldus verweerder. Overigens heeft hij de originele beelden aangekocht van een andere producent. Het is gebruikelijk dat een producent die bepaald beeldmateriaal aan een derde verkoopt, alle rechten en eventueel benodigde toestemmingen regelt met de mensen die in het beeldmateriaal te zien zijn. Bij de aankoop mocht hij er derhalve vanuit gaan dat het aangekochte beeldmateriaal ‘gecleard’ was.
Verweerder betreurt het dat klager van mening is dat door het vertonen van bepaalde beelden de werkelijkheid geweld is aangedaan. Verweerder heeft zijn uiterste best gedaan om de gebeurtenissen op een zorgvuldige en juiste wijze in beeld te brengen. Hij meent dat sprake is geweest van een waarheidsgetrouwe uitzending.
 Wat betreft het niet-beantwoorden van klagers e-mails en brieven stelt verweerder dat SBS per jaar ongeveer 15.000 kijkersvragen per e-mail ontvangt. Consumenten die per e-mail een vraag stellen, krijgen eerst een automatisch antwoord. Daarin wordt de consument verzocht naar de website van SBS6 te gaan en te kijken of zijn vraag al wordt beantwoord in de zogeheten FAQ’s (Frequently Asked Questions). Indien de FAQ’s geen antwoord op de desbetreffende vraag bevatten, dan wordt in de regel binnen een week een persoonlijk antwoord per e-mail teruggestuurd. Kijkers ervaren deze wijze van reageren over het algemeen als prettig en inhoudelijk voldoende. Verweerder kan niet meer achterhalen of de
e-mail van klager al dan niet is beantwoord, omdat het archief deze e-mails slechts een week bewaart.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad stelt voorop dat verweerder ter zake van de gehele uitzending een eigen verantwoordelijkheid heeft. Dat hij bepaalde beelden heeft aangekocht van een derde ontslaat hem niet van die verantwoordelijkheid.
 
In de uitzending is vermeld dat de reportage een reconstructie behelst van gebeurtenissen uit het verleden. Naar het oordeel van de Raad is het voor de gemiddelde kijker duidelijk dat bepaalde beelden zijn geënsceneerd en dat de uitzending niet louter authentiek beeldmateriaal bevat. Dat de geënsceneerde beelden op bepaalde punten historisch niet of niet geheel juist zouden zijn, zoals klager heeft gesteld, acht de Raad niet van zodanige ernst dat verweerder daarmee journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld.
 
Verder heeft de Raad herhaaldelijk overwogen dat er geen norm van journalistieke zorgvuldigheid is die meebrengt dat een journalist toe- of instemming behoeft te hebben van degene over wie hij publiceert. Dat neemt niet weg dat de journalist wel steeds een afweging dient te maken tussen het belang dat met de publicatie is gediend en de belangen die door de publicatie kunnen worden geschaad, en dat moet worden vermeden dat nodeloos schade wordt toegebracht. (vgl. onder meer: St. Interconfessioneel (PC/RK) Basisonderwijs Naarden tegen de Gooi- en Eemlander, RvdJ 2004/87)
Door het gebruik van beelden van interviews met personen die destijds bij de gebeurtenissen nauw betrokken zijn geweest, waaronder klager, wordt de kijker nader feitelijk geïnformeerd over die gebeurtenissen. Niet is gebleken dat de belangen van klager ten gevolge van de uitzending zodanig nodeloos zijn geschaad, dat het belang dat met de uitzending is gediend daarvoor had moeten wijken. Verweerder heeft derhalve evenmin journalistiek onzorgvuldig gehandeld door zonder toestemming van klager beelden van een interview met hem in de uitzending te verwerken.
 
De Raad heeft er begrip voor dat de uitzending klager niet welgevallig is. Het zou verweerder dan ook niet hebben misstaan indien hij naar aanleiding van de e-mails en brief die klager aan hem heeft gestuurd, contact met klager zou hebben opgenomen. Partijen zouden dan wellicht eerder tot elkaar hebben kunnen komen. Dit klemt te meer nu verweerder blijkens een automatisch gegenereerd antwoord kennelijk openstaat voor elektronische reacties van kijkers en daardoor de verwachting wekt dat op die reacties zal worden gereageerd.
Mede in aanmerking genomen hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de inhoud van de uitzending, is de Raad echter van oordeel dat verweerder niet journalistiek ontoelaatbaar heeft gehandeld door de berichten van klager niet te beantwoorden. (vgl. onder meer: Stockmann tegen Dagblad De Limburger, RvdJ 2005/69)

Alle omstandigheden in aanmerking genomen is de Raad van oordeel dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond. 
 
De Raad verzoekt verweerder bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van ‘Reportage’ en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op zijn website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 19 mei 2006 door mr. A. Herstel, voorzitter, T.R. Harkema, mw. C.J.E.M. Joosten, mr. A.H. Schmeink en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.