2006/32 onbevoegd

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
A.J.J. Smit
 
tegen
 
de hoofdredacteur van ‘BNN University’ (BNN)
 
Bij brief van 30 januari 2006 met twee bijlagen heeft A.J.J. Smit te Hilversum (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het televisieprogramma ‘BNN University’ (hierna: verweerder). Hierop heeft H.M. Furstner, BNN, geantwoord in een schrijven van 2 maart 2006.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 17 maart 2006 in aanwezigheid van klager. Verweerder is daar niet verschenen. Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad een video-opname van de gewraakte uitzending bekeken.
 
DE FEITEN
 
Op 3 november 2005 werd klager bij een winkelcentrum in Hilversum, direct na een bezoek aan een geldautomaat, achtervolgd door een hem onbekende jongenman. Deze achtervolging is zonder medeweten van klager vastgelegd en op 11 november 2005 uitgezonden in het programma-onderdeel ‘Peen in the ass’ van aflevering 11 van het jongerenprogramma 'BNN University'.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager beklaagt zich over het optreden van verweerder in een winkelcentrum te Hilversum waar hij zonder zijn medeweten en toestemming is gefilmd. Hij betoogt verder dat verweerder bij het verkrijgen van materiaal voor de uitzending grenzen heeft overschreden van maatschappelijk aanvaardbaar gedrag. Ter zitting heeft klager nog benadrukt het hinderlijk achtervolgen als zeer bedreigend te hebben ervaren, aangezien hij net geld had opgenomen bij een pinautomaat. Mede hierom heeft hij bij de politie melding gemaakt van het voorval. Uit de bandopname van de uitzending blijkt dat meer achtervolgden de handelwijze van verweerder als een serieuze bedreiging hebben ervaren, aldus klager. Desgevraagd heeft klager ter zitting medegedeeld dat hij van oordeel is dat sprake is van een journalistieke gedraging. Volgens klager dient de uitzending als journalistiek product te worden beschouwd, aangezien verweerder als journalist op pad is gegaan om materiaal te verwerven ten behoeve van de uitzending.
 
Verweerder stelt het te betreuren dat klager het hinderlijk volgen als een ‘serieuze bedreiging’ heeft ervaren. De opzet van het programma-onderdeel is om de reactie op onschuldige, lichtelijk irritante gedragingen vast te leggen, hetgeen dan zou moeten resulteren in humoristische televisie, aldus verweerder. Het was nimmer de bedoeling om enige gevoelens van bedreiging bij de ‘gevolgden’ te bewerkstelligen. Dat klager niet is geïnformeerd dat er opnamen zijn gemaakt en om toestemming voor uitzending is gevraagd, gaat volgens verweerder in tegen het algemene uitgangspunt van BNN om dit zoveel mogelijk wel te doen. De programmamakers beschouwden dit programma-onderdeel echter als redelijk onschuldig. Achteraf bezien is wellicht onvoldoende stil gestaan bij de vraag of de gefilmde personen van mogelijke uitzending op de hoogte dienden te worden gebracht.
Verweerder stelt verder dat de Raad voor de Journalistiek blijkens zijn statuten bevoegd is om journalistieke gedragingen te beoordelen. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van deze statuten wordt onder een journalistieke gedraging verstaan: “een handelen of nalaten van een journalist in de uitoefening van zijn beroep”. Krachtens het tweede lid van artikel 4, aanhef en sub c, voor zover thans van belang, moet onder journalist worden verstaan: “degene die, hetzij in dienstverband, hetzij als zelfstandige, er zijn hoofdberoep van maakt mede te werken aan de redactionele leiding of redactionele samenstelling van programma's die worden verspreid door radio of televisie, voor zover deze bestaan uit nieuws, reportages, beschouwingen of rubrieken van informatieve aard”. Aangezien het gewraakte programma-onderdeel geen journalistieke elementen bevat, kan het niet onder genoemde begrippen worden geschaard, aldus verweerder. Het journalistieke normenstelsel dat de Raad hanteert, is volgens verweerder derhalve niet geschikt om de onderhavige klacht te beoordelen. Verweerder concludeert, onder verwijzing naar een eerdere uitspraak van de Raad (Bond tegen het vloeken tegen de hoofdredacteur van ‘Waskracht’ (VPRO), 2000/36), dat de Raad onbevoegd is om een inhoudelijk oordeel te geven over het gewraakte programma-onderdeel. Dit laat onverlet de maatschappelijke verantwoordelijkheid die hij voelt ten opzichte van klager, aldus verweerder. Indien de Raad zich onbevoegd zou verklaren en klager de behoefte heeft om nader met verweerder van gedachten te wisselen, dan staat verweerder daarvoor open.
 
BEOORDELING VAN DE BEVOEGDHEID
 
Ingevolge artikel 3 lid 1 van de Statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek heeft de Raad tot taak om in de bij hem aanhangig gemaakte zaken betreffende journalistieke gedragingen te beoordelen of de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Krachtens artikel 4 lid 1 van deze Statuten wordt onder journalistieke gedraging verstaan: een handelen of nalaten van een journalist in de uitoefening van zijn beroep. Ingevolge het tweede lid van artikel 4, aanhef en sub c, voor zover thans van belang, moet onder journalist worden verstaan: "degene die, hetzij in dienstverband, hetzij als zelfstandige, er zijn hoofdberoep van maakt mede te werken aan de redactionele leiding of redactionele samenstelling van programma's die worden verspreid door radio of televisie, voor zover deze bestaan uit nieuws, reportages, beschouwingen of rubrieken van informatieve aard".
 
De Raad heeft begrip voor de bezwaren die klager heeft tegen de wijze waarop verweerder het materiaal voor de uitzending heeft verkregen. De gewraakte uitzending bevat echter voornamelijk elementen van niet-journalistieke aard, zoals (pogingen tot) satire en amusement. Deze elementen hebben een zodanige invloed op de uitzending dat deze in zijn geheel als van niet-journalistieke aard moet worden aangemerkt. De Raad overweegt dat het journalistieke normenstelsel voor de beoordeling daarvan niet is bedoeld.
 
Gezien het voorgaande acht de Raad zich onbevoegd om een inhoudelijk oordeel te geven over de gewraakte uitzending. (vgl. stichting Bond tegen het vloeken tegen 'Waskracht' (VPRO), RvdJ 2000/36)
 
BESLISSING
 
De Raad verklaart zich niet bevoegd om over de gewraakte uitzending te oordelen.
 
De Raad verzoekt verweerder aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van het programma 'BNN University'.  
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 15 mei 2006 door mr. A. Herstel, voorzitter, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, mw. drs. J.X. Nabibaks, mw. E.H.C. Salomons en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg, secretaris.