2006/29 niet-ontvankelijk

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

M. Kat en Stichting Klokkenluideronline.nl

tegen

B. Donker en F. Jensma, hoofdredacteur van NRC Handelsblad

Bij brief van 11 januari 2006 met twaalf bijlagen heeft M. Kat te Amsterdam (hierna: Kat) een klacht ingediend tegen F. Jensma, hoofdredacteur van NRC Handelsblad, (hierna: Jensma). Vervolgens heeft Kat bij brief van 1 februari 2006 met twee bijlagen verzocht de Stichting Klokkenluideronline.nl (hierna: de Stichting) in de klachtprocedure te betrekken. Tevens heeft Kat zijn klacht mede gericht tegen B. Donker, lid van de hoofdredactie van NRC Handelsblad (hierna: Donker).
F. Jensma heeft in een brief van 14 februari 2006 zijn visie betreffende de ontvankelijkheid van Kat uiteengezet. Op 22 februari 2006 heeft Kat een nadere toelichting gegeven. Hierop heeft Jensma gereageerd in een brief van 28 februari 2006.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 17 maart 2006 buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

In NRC Handelsblad van Zaterdag 31 december 2005 & Zondag 1 januari 2006 is een artikel verschenen onder de kop “Lezersvragen over de krant in 2005. In dit artikel beantwoordt Jensma vragen over de krant van Boris de Munnick uit Amsterdam. De inleiding van het artikel luidt:
Rechtsboven op deze pagina staat iedere week ‘De lezer schrijft, de krant antwoordt’.?De hoofdredactie ontvangt wekelijks zo’n 10 tot 20 mails voor deze rubriek. Ik lees ze, mail een antwoord of stuur ze naar de redactie. In de krant ga ik meestal in op ? of twee kwesties. Een paar weken geleden ontving ik van lezer Boris de Munnick uit Amsterdam een uitgebreide lijst met vragen over de krant in het afgelopen jaar. Te veel voor de rubriek, maar wel leuk om in de laatste krant van 2005 zoveel mogelijk te beantwoorden. En ik stelde hem zelf twee vragen.
Folkert Jensma, hoofdredacteur
Verder bevat het artikel onder meer de volgende vraag:
Kwam het nieuws makkelijker tot u dan andere jaren of juist moeilijker? En op welke gebieden signaleert u tegenstand? Doen woordvoerders moeilijker dan voorheen of ziet u vooruitgang in hun eerlijkheid? Krijgt u steeds moeizamer toegang tot de politiek of gaat het juist met de communicatie in de industrie beter? Wie houdt meer onder de pet en wie minder?
Een deel van het antwoord van Jensma luidt als volgt:
“Het aantal voorlichters neemt toe – tegenwoordig vaak aangeduid als ‘communicatiedeskundige’. Maar dat is meestal niet uit een behoefte het publiek te dienen, maar eerder in het belang van instelling of organisatie. In de overheidssfeer valt op dat een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur steeds minder vaak iets op levert. Het politiek-ambtelijk complex weet zich steeds beter te beveiligen tegen dit recht op inzage. En de rechter steekt zelden meer een handje toe.
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Kat stelt dat De Munnick zelf voorlichter is van het Rijksmuseum in Amsterdam. Door zich tegen een voorlichter – die voor de lezer niet als zodanig herkenbaar is – te beklagen over de toename van het aantal voorlichters, maakt Jensma zich schuldig aan bedrog van de lezer en overschrijdt daarmee de grenzen van wat journalistiek betamelijk is, aldus Kat. Hij betoogt verder dat er commerci? banden bestaan tussen NRC Handelsblad en het Rijksmuseum. Zo organiseren NRC en het Rijksmuseum samen fototentoonstellingen waarover vaak wordt gepubliceerd in het magazine van de krant. Daarnaast blijkt Jensma met de directeur van het Rijksmuseum in het comit?an aanbeveling te zitten van de Stichting Letterenstudie en Loopbaan en is De Munnick minimaal drie keer ge?erviewd in NRC Handelsblad in zijn hoedanigheid als voorlichter/woordvoerder van het Rijksmuseum. Gezien deze frequente en intensieve banden tussen NRC en De Munnick/Rijksmuseum maakt Jensma zich schuldig aan lezersbedrog door De Munnick op te voeren als een gewone lezer, aldus Kat. Zo krijgt de werkelijke lezer immers de indruk dat De Munnick slechts als lezer een band heeft met NRC en derhalve onbevooroordeeld over de krant kan oordelen. Hiermee overschrijdt Jensma volgens Kat de grenzen van hetgeen journalistiek betamelijk is.
Verder maakt Kat bezwaar tegen het antwoord dat Jensma gaf op een vraag van De Munnick over de losse verkoop: “Losse verkoop door de week is voor een middagkrant die om vijf uur in een winkel ligt die om zes uur sluit altijd een bescheiden kanaal geweest”. Volgens Kat geeft Jensma de lezer hier willens en wetens onjuiste informatie. Iedereen weet dat NRC Handelsblad niet om 5 uur wordt aangeleverd, maar tussen drie en vier uur. Daarnaast is het absurd dat Jensma stelt dat de losse verkooppunten om 6 uur sluiten. De belangrijkste punten, de AKO-winkels op de stations zijn tot minimaal 9 uur ’s avonds open maar dat geldt ook voor de vele losse verkooppunten, aldus Kat.
In het artikel zegt Jensma tevens: “Voelen we het lopende nieuws nog goed aan? Was de uitslag van het grondwetreferendum voor lezers die de krant volgden een verrassing? Ik durf de stelling aan dat we de scepsis tijdig lieten zien en de lezers dus goed voorbereiden.” Volgens Kat is deze uitspraak verbluffend te noemen gezien het feit dat NRC Handelsblad een in eigen opdracht uitgevoerde enqu? naar de mening van het Nederlandse volk zodanig heeft gemanipuleerd dat de krant op 20 september 2003 kon openen met de kop ‘meerderheid voor de grondwet’. Deze manipulatie is volgens Kat door Jensma zelf toegegeven. Door geheel in strijd met de waarheid te verklaren handelt Jensma opnieuw in strijd met hetgeen journalistiek betamelijk is.
Ten slotte stelt Kat dat informanten hem hebben gemeld dat er nauwe banden bestaan tussen De Munnick en Donker. Kat heeft Donker meerdere dagen telefonisch proberen te bereiken teneinde opheldering te krijgen over haar relatie met De Munnick, maar zij hield zich onbereikbaar. Op een verstuurde e-mail volgde evenmin antwoord. Kat acht het de journalistieke en maatschappelijke plicht van een lid van een hoofdredactie van een krant als NRC een betrokken lezer die al of niet in het kader van een klacht bij de Raad om inlichtingen verzoekt, deze ook naar waarheid te verstrekken.
Kat meent dat hij in zijn klacht ontvankelijk moet worden geacht. Uit het feit dat hij zowel als journalist als ook persoonlijk sterk betrokken is bij de kwaliteit van de journalistiek van NRC Handelsblad vloeit naar zijn mening automatisch voort dat hij ontvankelijk is in de behandeling van zijn klacht. Het woord ‘lezer’ uit de rubriek ‘de lezer schrijft, de krant antwoordt’ verwijst bovendien naar alle lezers van NRC Handelsblad. Kat is als ‘lezer’ derhalve rechtstreeks betrokken bij genoemde rubriek.
De ontvankelijkheid van de Stichting volgt volgens Kat uit haar doelstelling die onder meer het aan de kaak stellen van maatschappelijke misstanden inhoudt. Verder verwijst Kat naar hetgeen de Raad eerder heeft overwogen in de zaak Kat tegen NRC Handelsblad (RvdJ 2005/66): “Klager heeft nog betoogd dat het ontvankelijkheidscriterium van de Raad meebrengt dat geen klacht kan worden ingediend tegen een publicatie waarbij geen individueel belang in het geding is. Dit betoog is niet juist. De Raad heeft herhaaldelijk overwogen dat indien met betrekking tot publicaties waarbij niet zo zeer een individueel belang maar eerder een collectief belang in het geding is, een klacht zou zijn ingediend door een rechtspersoon die – blijkens haar statuten – tot doel heeft de belangen van het desbetreffende collectief te behartigen, deze mogelijk wel ontvankelijk zou zijn. (vgl. onder meer: Destr?tegen Haarlems Dagblad, RvdJ 2005/25)”. Daarnaast vloeit de ontvankelijkheid van de Stichting volgens Kat voort uit de omstandigheid dat de Raad reeds vier zaken tegen de Stichting gegrond heeft verklaard. Het zou volgens Kat blijk geven van een buitengewone rechtsopvatting als de Raad alleen met de Stichting geconfronteerd wenst te worden in de hoedanigheid van gedaagde, terwijl de eisende rol de Stichting zou worden ontzegd.

Jensma stelt onder verwijzing naar een eerdere uitspraak van de Raad (Eeken tegen Borst (NRC Handelsblad), RvdJ 2004/13) dat Kat niet-ontvankelijk is in zijn klacht. Voor zover hem bekend is Kat niet betrokken bij de rubriek ‘de lezer schrijft, de krant antwoordt’ uit NRC Handelsblad van Zaterdag 31 december 2005 & Zondag 1 januari 2006 waarin op de vragen van lezer De Munnick wordt ingegaan. Kat wordt daarin niet genoemd, noch worden zijn persoonlijke belangen daar besproken. Kat maakt ook niet aannemelijk dat hij door de genoemde rubriek in zijn belang is geraakt, aldus Jensma. Zijn mening dat hij als ‘lezer’ ontvankelijk is omdat genoemde rubriek nu eenmaal reacties van lezers betreft, voldoet volgens Jensma niet aan het criterium dat de Raad stelt. Het lijkt er eerder op dat Kat een persoonlijke grief tegen de krant heeft, waarvoor hij een nieuw podium zoekt om die kenbaar te maken. Jensma kan de klacht van Kat niet los zien van het gegeven dat hij een afgewezen ex-medewerker van NRC Handelsblad is, noch van de stroom ongefundeerde en vaak lasterlijke aantijgingen aan het adres van de krant die Kat via websites en diverse publicaties sinds 2002 openbaar maakt.
Jensma stelt verder dat de Stichting ook niet-ontvankelijk is in haar klacht. De Stichting formuleert haar doelstelling zo ruim dat daaronder vrijwel ieder collectief belang te scharen valt. Ook dat lijkt Jensma niet te voldoen aan het vereiste dat Kat (individueel of collectief) in een specifiek belang moet zijn getroffen. Dat aan het feit dat klachten t?n zijn stichting wel ontvankelijk zijn, de conclusie moet worden verbonden dat klachten v?zijn stichting dat ook zijn, lijkt Jensma een bewijs uit het ongerijmde.

BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID
van M. Kat

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Reglement van de Raad moet een klaagschrift worden ingediend door een ‘rechtstreeks belanghebbende’. Volgens het vaste oordeel van de Raad kan een klager als zodanig worden aangemerkt, indien zijn belang bij de gewraakte publicatie direct betrokken is en hij door die publicatie persoonlijk in zijn belang is geraakt.

Kat stelt dat hij als direct betrokkene in zijn persoonlijk belang is geschaad, omdat hij sterk betrokken is bij de kwaliteit van NRC Handelsblad. Daarnaast stelt Kat dat hij als ‘lezer’ van de rubriek ‘de lezer schrijft, de krant antwoordt’ rechtstreeks betrokken is bij de genoemde rubriek. De Raad volgt Kat niet in zijn betoog dat hij vanwege de aangevoerde redenen als ‘rechtstreeks belanghebbende’ in de zin van het Reglement van de Raad kan worden aangemerkt. De door Kat gestelde omstandigheden zijn daartoe niet voldoende. Kat is immers niet persoonlijk door het artikel van Jensma geschaad. De kern van de klacht is dat Jensma zich schuldig heeft gemaakt aan lezersbedrog door vragen van De Munnick te beantwoorden zonder daarbij te vermelden dat hij voorlichter is van het Rijksmuseum. Een dergelijke klacht is van een dermate algemeen karakter dat niet kan worden gezegd dat deze betrekking heeft op een door het gewraakte artikel direct betrokken belang van Kat. Kat is derhalve in zijn klacht niet-ontvankelijk.

BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID
van de Stichting Klokkenluideronline.nl

De Stichting heeft blijkens haar oprichtingsakte als doel het ondersteunen en bevorderen van journalistieke publicaties op het internet en in andere media, waarin maatschappelijke misstanden aan de kaak worden gesteld, en voorts al hetgeen met een en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin des woords. Een en ander is echter onvoldoende om haar als ‘rechtstreeks belanghebbende’ in de zin van het Reglement aan te merken. Niet is gebleken van omstandigheden die kunnen leiden tot het oordeel dat het belang van de Stichting direct betrokken is bij de gewraakte publicatie en zij door die publicatie in haar belang is geraakt (vgl. onder meer: Derksen/de Gelderlander, RvdJ 2004/28).

De Stichting is derhalve niet-ontvankelijk in haar klacht.

BESLISSING

Kat is in zijn klacht niet-ontvankelijk.
De Stichting Klokkenluideronline.nl is in haar klacht niet-ontvankelijk

De Raad verzoekt Donker en Jensma deze beslissing integraal of in samenvatting in NRC Handelsblad te publiceren

Aldus vastgesteld door de Raad op 15 mei 2006 door mr.A. Herstel, voorzitter, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, mw. drs. J.X. Nabibaks, mw. E.H.C. Salomons en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg, secretaris.