2006/25 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad

Bij brief van 18 januari 2006 met twee bijlagen heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad (hierna: verweerder). T. van der Meulen, algemeen hoofdredacteur, heeft op de klacht gereageerd in een brief van 31 januari 2006 met drie bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 3 maart 2006. Namens klager is daar mr. E. de Bruijn, DAS Rechtsbijstand, verschenen. Van der Meulen was eveneens aanwezig.

DE FEITEN

Op 5 januari 2006 is op de voorpagina van het Brabants Dagblad een artikel verschenen onder de kop “Zelfmoordenaar zet afscheidsbrief op het internet”. Het artikel gaat over de zoon van klager. De volledige naam van klagers zoon is in het artikel vermeld.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat zijn zoon op 3 januari 2006 is overleden en dat hij op 4 januari 2006 telefonisch is benaderd door verslaggever Van der Lee, naar aanleiding van geruchten over de afscheidsbrief van zijn zoon. Van der Lee heeft hem toen gevraagd of hij daaraan een artikel mocht wijden. Klager heeft dat toegestaan onder de voorwaarde dat er alleen over het feit zelf – de afscheidsbrief op internet – geschreven zou worden, zonder vermelding van namen en internetadressen. Dit heeft hij in het gesprek met Van der Lee meerdere keren herhaald. Verder heeft hij gezegd dat hij niet zelf de bewuste pagina van het internet kon afhalen, maar dat hij dat zo snel mogelijk zou laten doen.
Tot ontsteltenis van klager en zijn familie stond de volgende dag op de voorpagina het gewraakte artikel met de vermelding van de naam van zijn zoon. Ten onrechte is in het artikel vermeld dat de familie vooralsnog geen pogingen in het werk stelde om de brief van het internet af te halen. Verder is klager van mening dat de kop onnodig grievend is.
Naar aanleiding van de publicatie heeft hij contact opgenomen met verweerder en geëist dat deze op de voorpagina excuus aan zijn zoon zou aanbieden, maar verweerder heeft dat niet gedaan. Op 7 januari 2006 heeft de lezersredacteur weliswaar aandacht aan de zaak besteed, maar niet op een acceptabele manier, aldus klager.
Ter zitting voegt mr. De Bruijn hieraan toe dat het niet gebruikelijk is om bij een bericht over zelfdoding de naam van de betrokkene te vermelden. De journalist had rekening moeten houden met de gevoelens van de familie en had het artikel moeten anonimiseren. Verder wordt door de term ‘zelfmoordenaar’ ten onrechte iets misdadigs gesuggereerd. Voorts wijst zij erop dat de afscheidsbrief niet voor iedereen toegankelijk was en niet via het zoekprogramma Google kon worden gevonden. Klager kon de brief niet direct zelf verwijderen, maar was daarvoor afhankelijk van de medewerking van de provider. Op het moment van de publicatie had klager zich al tot de provider gewend met het verzoek de brief te verwijderen.

Verweerder stelt dat hij zeer terughoudend is in het melden van zelfdodingen. Dat gebeurt eigenlijk alleen als een groot aantal mensen ervan getuige is geweest. In dit geval is hij tot publicatie overgegaan vanwege de publicatie van de afscheidsbrief op internet. Uit contacten bleek dat dat bij nogal wat mensen uit de woonplaats van klager bekend was.
Verslaggever Van der Lee heeft tweemaal telefonisch contact gehad met klager. Hij heeft zich precies gehouden aan de afspraken die hij met klager heeft gemaakt: wel de naam van klagers zoon noemen, maar niet de naam van de website. Verweerder acht het waarschijnlijk dat klager door de begrijpelijke grote emotionaliteit van het moment een andere herinnering heeft aan de afspraken.
Ter zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd dat er twee redenen waren om de naam van klagers zoon te vermelden: de publicatie van de afscheidsbrief op het internet en de overlijdensadvertentie, die dezelfde dag – een paar pagina’s na het gewraakte artikel – in de krant is verschenen. Desgevraagd deelt verweerder mee dat uit de overlijdensadvertentie niets bleek van zelfdoding.
Volgens verweerder is verder grote terughoudendheid betracht en zijn onnodige details achterwege gelaten. Er is bewust niet geciteerd uit de afscheidsbrief. Voorts is geen gebruikgemaakt van de informatie over de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de zelfdoding heeft plaatsgehad.
Verweerder meent dat klagers verzoek om publicatie van een excuus op de voorpagina niet realistisch was. Om toch op enigerlei wijze recht te doen aan de bezwaren van klager, heeft verweerder de lezersredacteur voorgesteld het dilemma – wel of niet schrijven over zelfdoding in de eigen regio – in breder verband te behandelen in zijn zaterdagse rubriek. De lezersredacteur geeft terecht aan dat het beter was geweest als zou zijn gekozen voor een iets minder confronterende kop. Rectificatie was echter niet aan de orde, omdat de inhoud klopt, aldus verweerder.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht is allereerst gericht tegen de vermelding van de naam van klagers zoon. Klager heeft ter zake aangevoerd dat hij met verslaggever Van der Lee heeft afgesproken, dat de naam van zijn zoon niet zou worden vermeld. Het standpunt van verweerder staat daar lijnrecht tegenover. Er is geen materiaal voorhanden op grond waarvan de Raad kan vaststellen welk standpunt juist is.

De vraag die zich thans voordoet is of verweerder uit eigen beweging tot anonimisering had moeten overgaan, ook indien Van der Lee met klager zou hebben afgesproken dat de naam van diens zoon zou worden vermeld.
Immers, het is begrijpelijk – zoals verweerder ook heeft opgemerkt – dat klager tijdens de telefoongesprekken met Van der Lee, die plaatsvonden op de dag na het overlijden van klagers zoon, zeer geëmotioneerd was. Gelet op deze omstandigheden had verweerder bijzondere zorgvuldigheid dienen te betrachten en niet zonder meer mogen afgaan op eventuele afspraken met klager.

Zoals de Raad herhaaldelijk heeft overwogen, is een journalist vrij in zijn selectie van nieuws en is er geen norm van journalistieke zorgvuldigheid die meebrengt dat een journalist toe- of instemming behoeft te hebben van degene over wie hij publiceert. Dat neemt niet weg dat de journalist wel steeds een afweging dient te maken tussen het belang dat met de publicatie is gediend en de belangen die door de publicatie zouden kunnen worden geschaad. Vermeden moet worden dat nodeloos schade wordt toegebracht. Bovendien brengt de journalistieke verantwoordelijkheid met zich mee dat de persoonlijke levenssfeer over wie wordt gepubliceerd niet verder mag worden aangetast dan in het kader van een open berichtgeving nodig is.

De Raad acht de vermelding van de volledige naam van klagers zoon niet relevant en disfunctioneel. Het artikel had geanonimiseerd kunnen worden, zonder dat afbreuk zou zijn gedaan aan de inhoud en nieuwswaarde ervan. Door de volledige naam van klagers zoon te vermelden heeft verweerder journalistiek onzorgvuldig gehandeld. Dat de naam van klagers zoon in een overlijdensadvertentie is vermeld, kan daaraan niet afdoen. Overigens heeft verweerder desgevraagd meegedeeld dat in de overlijdensadvertentie niets is vermeld over de wijze waarop klagers zoon is overleden.

Voor het overige acht de Raad de berichtgeving terughoudend en niet grensoverschrijdend. De vermelding dat klager en zijn familie vooralsnog geen pogingen in het werk hadden gesteld om de afscheidsbrief van het internet te halen, is feitelijk niet juist gebleken. Verder had het wellicht de voorkeur verdiend als boven het artikel een iets minder uitgesproken kop was geplaatst, zoals verweerder zelf heeft aangevoerd.
De Raad heeft begrip voor klagers standpunten ter zake, maar acht deze omissies niet van zodanige betekenis dat verweerder daarmee de grenzen heeft overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke zorgvuldigheid – maatschappelijk aanvaardbaar is.

(vgl. onder meer: Doeve tegen Radio en TV Gelderland en de hoofdredacteur van de Stentor, RvdJ 2004/97)

BESLISSING

Voor zover de klacht is gericht tegen de vermelding van de naam van klagers zoon is deze gegrond. Voor het overige is de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in het Brabants Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 11 mei 2006 door mr. A. Herstel, voorzitter, T.R. Harkema, mw. C.J.E.M. Joosten, mr. A.H. Schmeink en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.