2006/24 gegrond niet-ontvankelijk

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

mr. M.F. Le Coultre

tegen

J. van den Heuvel en M. Koolhoven (‘Bureau Misdaad’/RTL5 en De Telegraaf)

Bij brief van 29 december 2005 met drie bijlagen heeft mr. M.F. Le Coultre te Hilversum (hierna: klager) een klacht ingediend tegen M. Koolhoven en J. van den Heuvel (hierna: verweerders). Vervolgens heeft de secretaris van de Raad klager bij brief van 9 januari 2006 verzocht gemotiveerd aan te geven waarom naar zijn mening sprake is van een geval als bedoeld in artikel 2a lid 4 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek. Klager heeft daarop geantwoord in een schrijven van 10 januari 2006.
Van den Heuvel heeft op de klacht gereageerd in een brief van 16 februari 2006.
A. Reekers, adjunct-hoofdredacteur van De Telegraaf, heeft gereageerd in een e-mail van 22 februari 2006.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 3 maart 2006 in aanwezigheid van klager. Verweerders zijn daar niet verschenen. Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad een opname van de gewraakte uitzending bekeken.

DE FEITEN

Op 16 maart 2005 is in De Telegraaf een artikel van de hand van Van den Heuvel en Koolhoven verschenen onder de kop “De Vlieger afgeperst door eigen bewaker”. Het artikel bevat onder meer de volgende passage:
Bij de Spuistraat-deal zou De Vlieger via notaris M. le Coultre uit Hilversum vier miljoen euro hebben betaald aan P.
Vervolgens is op 17 maart 2005 een artikel van de hand van Van den Heuvel en Koolhoven verschenen onder de kop “Geweld regeert vastgoed”. In dit artikel zijn eveneens de naam, het beroep en de woonplaats van klager vermeld.

Verder is op 21 november 2005 door RTL5 een aflevering van het televisieprogramma ‘Bureau Misdaad’ uitgezonden (hierna: de uitzending). Dit programma wordt gemaakt en gepresenteerd door Van den Heuvel. De uitzending gaat over dezelfde afpersingszaak, waarover in de hiervoor bedoelde artikelen in De Telegraaf is bericht. In dat verband is de woning c.q. het kantoor van klager in beeld gebracht. Daarbij is een bord te zien waarop de naam van klager, diens beroep en zijn telefoonnummer zijn vermeld.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat door de vermelding van zijn naam en positie als notaris ten onrechte de suggestie is gewekt dat hij enige actieve bemoeienis zou hebben (gehad) met de zaken en personen die in de publicaties aan de orde zijn gesteld of dat hem ter zake enig verwijt zou treffen. Volgens klager is het vermelden van zijn naam en positie niet functioneel. Naar zijn mening is hij ten onrechte op lichtvaardige wijze in verband gebracht met criminele activiteiten. Verweerders wisten of hadden althans dienen te beseffen dat hij hierdoor onnodig zou worden beschadigd, aldus klager.
Hij stelt verder dat verweerders nimmer contact met hem hebben gezocht om zijn commentaar te vernemen. Ter zitting voegt klager hieraan toe dat hij verweerders heeft gesuggereerd de openbare registers te raadplegen. Daaruit blijkt dat sprake is van een hypotheekaflossing. De suggestie dat hij zou hebben meegewerkt aan een criminele transactie is dus niet juist.
Klager meent dat door publicaties als de onderhavige onrust in de maatschappij ontstaat over de betrouwbaarheid van het notariaat in het algemeen en zijn functioneren in het bijzonder. Ter zitting deelt klager mee dat hij op de publicaties is aangesproken door zijn beroepsorganisatie met het verzoek om uitleg. Dit heeft verder geen nadelige consequenties gehad.
Ten aanzien van zijn ontvankelijkheid stelt klager dat het reglement van de Raad hem niet bekend was. Als dat wel het geval was geweest, dan had hij beslist vóór de afloop van de termijn van zes maanden een klacht tegen de publicaties in De Telegraaf ingediend. Voor het geval de Raad hem ter zake niet-ontvankelijk verklaart, beperkt klager zijn klacht tot de uitzending van ‘Bureau Misdaad’.

Van den Heuvel stelt dat hij weliswaar het kantoor van klager in beeld heeft gebracht, maar niet diens naam of de naam van het kantoor heeft genoemd. Volgens Van den Heuvel is in de uitzending geen enkele suggestie gewekt, zeker niet ten aanzien van ‘enige actieve bemoeienis van klager met zaken of personen die aan de orde zijn gesteld’. In de uitzending is slechts volledig waardevrij melding gemaakt van de feitelijke gang van zaken, aldus Van den Heuvel.

Reekers stelt dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht voor zover deze betrekking heeft op de publicaties in De Telegraaf.

BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID
voor zover de klacht is gericht tegen de publicaties in De Telegraaf


Op 1 februari 2005 is in het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek artikel 2a ingevoerd, dat luidt als volgt:
1. Een klaagschrift moet worden ingediend binnen 6 maanden nadat de journalistieke gedraging, waartegen de klacht is gericht, heeft plaatsgevonden.
2. Een klaagschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn door het secretariaat van de Raad voor de Journalistiek is ontvangen.
3. Indien een klaagschrift niet tijdig is ingediend, is de klager in zijn klacht niet-ontvankelijk.
4. Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend klaagschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de klager in verzuim is geweest.

Vaststaat dat de klacht niet binnen de termijn van zes maanden bij de Raad is binnengekomen. In dit geval is geen sprake van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat klager in verzuim is geweest. Dit leidt ertoe dat klager in zijn klacht niet-ontvankelijk is.

BEOORDELING VAN DE KLACHT
voor zover gericht tegen de uitzending van ‘Bureau Misdaad’


De Raad stelt voorop dat een nieuwsbericht zoveel mogelijk de gegevens dient te bevatten, die het het publiek mogelijk maken zich een waarheidsgetrouw beeld van het desbetreffende nieuwsfeit te vormen. Daartegenover staat dat, volgens het vaste oordeel van de Raad, de journalistieke verantwoordelijkheid met zich brengt dat de persoonlijke levenssfeer van degene over wie wordt gepubliceerd, niet verder mag worden aangetast dan in het kader van een open berichtgeving nodig is. (vgl. onder meer: X tegen Van Dijk en HP/De Tijd, RvdJ 2006/17)

Bovendien dient een journalist, volgens het vaste oordeel van de Raad, bij het publiceren van ernstige beschuldigingen met bijzondere zorgvuldigheid te werk te gaan. Dit geldt ook als de betrokkene slechts zijdelings een rol speelt in de publicatie en daardoor wordt gediskwalificeerd. (vgl. onder meer: Professor Heymansstichting tegen ‘TROS 2Vandaag’, RvdJ 2004/27)

De uitzending gaat over een afpersingszaak waarbij E. de Vlieger betrokken zou zijn. In dat verband is vermeld dat De Vlieger gedwongen zou zijn een bedrag van 4 miljoen gulden te betalen. Dat bedrag zou hij hebben overgemaakt op een rekening van een notaris, die dat bedrag vervolgens aan een derde zou hebben uitgekeerd. Tegelijkertijd is klagers woning c.q. kantoor in beeld gebracht. Daarbij is een bord te zien waarop de naam van klager, diens beroep en telefoonnummer zijn vermeld.

Naar het oordeel van de Raad laat de vormgeving van de uitzending – de combinatie van tekst en beelden – de kijker weinig ruimte voor een andere conclusie dan dat klager in verband kan worden gebracht met onoorbare praktijken en dat de handelwijze van klager niet deugt. Voor een dergelijke zeer ernstige beschuldiging aan het adres van klager, waardoor hij in zijn beroepsuitoefening wordt gediskwalificeerd, is bij uitstek een deugdelijke grondslag vereist. Een dergelijke grondslag ontbreekt hier.

Indien Van den Heuvel de mening zou zijn toegedaan dat klager ter zake niets te verwijten viel, dan had hij in zijn berichtgeving meer terughoudend kunnen zijn en de beelden van klagers woning c.q. kantoor en diens persoonlijke gegevens achterwege kunnen laten, zonder afbreuk te doen aan de inhoud en nieuwswaarde van de publicatie. Dat heeft hij echter nagelaten.

Een en ander leidt tot de slotsom dat Van den Heuvel, door te handelen en na te laten als hiervoor bedoeld, de grenzen heeft overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

Voor zover de klacht is gericht tegen de publicaties in De Telegraaf is klager daarin niet-ontvankelijk. Voor zover de klacht is gericht tegen de uitzending van ‘Bureau Misdaad’ is deze gegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te (laten) publiceren c.q. aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van ‘Bureau Misdaad’ dan wel de beslissing op de website van ‘Bureau Misdaad’ of in een ander daartoe geëigend medium te (laten) publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 11 mei 2006 door mr. A. Herstel, voorzitter, T.R. Harkema, mw. C.J.E.M. Joosten, mr. A.H. Schmeink en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.