2006/2 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

J. Damman (Jomanda)

tegen

R. Giphart en de hoofdredacteur van AD Utrechts Nieuwsblad

Bij brief van 17 oktober 2005 met twee bijlagen heeft mr. L.J. Benistant, advocaat te Utrecht, een klacht ingediend tegen R. Giphart en de hoofdredacteur van AD Utrechts Nieuwsblad (verweerders). Naar aanleiding van een schrijven van de secretaris van de Raad van 19 oktober 2005 heeft mr. Benistant vervolgens bij brief van 31 oktober 2005 meegedeeld dat hij de klacht heeft ingediend namens J. Damman (klaagster). Het secretariaat van de hoofdredactie van AD Utrechts Nieuwsblad heeft bij brief van 11 november 2005 de reactie van Giphart doorgezonden.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 2 december 2005. Partijen zijn daar niet verschenen.

DE FEITEN

Op 13 september 2005 is in AD Utrechts Nieuwsblad in de rubriek ‘Ronald Giphart’ een artikel van de hand van Giphart verschenen onder de kop “Magnetisme al sinds 1865 bij wet verboden”. De column bevat onder meer de volgende passage:
Op de pagina daarnaast stond jij, althans het bronzen beeld dat van je is gemaakt. Je moeder was erbij, en ook Jomanda. Wat zeg je? Jazeker, Jomanda hield een toespraak, ze beweerde zelfs dat jij op dat moment naast haar stond. Dat zei ze. Je stond naast haar en vertelde dat je helemaal geen uitgewoekerd kankergezwel had gehad, maar een bacteriële infectie. De mensen applaudisseerden voor Jomanda. Nee, dat verzin ik niet. Hoezo maakt je dat kwaad? Wat zeg je? Dat je hoopt dat Jomanda getroffen wordt door hersenkanker en zal moeten toegeven dat ze niet in staat is ook maar iemand te genezen? Wacht, ik straal het meteen even door, Sylvia.

Bij brief van 15 september 2005 heeft mr. Benistant zich tot verweerder gewend. In een schrijven van 26 september 2005 heeft A. Kalmann, lid van de hoofdredactie, gereageerd als volgt:
In reactie op uw brief van 15 september jl. over een column van Ronald Giphart in
AD Utrechts Nieuwsblad kan ik u laten weten dat het gebruikelijk is dat columnisten van hoofdredacties een grote mate van vrijheid krijgen om de dagelijkse actualiteit van een persoonlijke noot te voorzien. Waar voor de andere journalistieke producties stringente afspraken bestaan (bijv. over hoor en wederhoor), gelden voor columnisten ruimere mogelijkheden. De Raad voor de Journalistiek onderschrijft deze verschillen.
De door u gewraakte column van Giphart is pittig, maar blijft wat mij betreft – mede door de gekozen vorm – ruimschoots binnen de grenzen van wat betamelijk is. Het staat u uiteraard vrij de Raad voor de Journalistiek om een oordeel in deze te vragen.


DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat iemand hersenkanker toewensen in hoge mate onbetamelijk is. Een hoofdredactie dient ervoor te waken dat zulk soort verschrikkelijke toewensingen geen algemeen goed worden in de krant. Met de tekst van de column en het toelaten ervan door de hoofdredactie zijn de grenzen van het betamelijke ruimschoots overschreden, aldus klaagster.

De hoofdredacteur van AD Utrechts Nieuwsblad verwijst voor zijn reactie naar zijn brief van 26 september 2005 aan mr. Benistant.
Giphart stelt verder, in zijn brief van 9 november 2005 aan de hoofdredacteur van AD NieuwsMedia, dat een column de karikatuur is van het geschreven woord en dat een columnist bij wijze van stijlfiguur zaken zeer kan overdrijven of volledig omdraaien. In zijn column voert hij, zonder haar bij naam te noemen, een gesprek met Sylvia Millecam. De lezer weet dat dit niet gebeurd kan zijn, om de simpele reden dat zij is overleden, onder omstandigheden waarbij Jomanda een rol heeft gespeeld. Jomanda beweert, aldus Giphart, nog steeds in contact te staan met Sylvia Millecam en voert in tv-programma’s een act op waarbij zij praat en zelfs grapjes maakt met de overledene. Bij de onthulling van een bronzen beeld van Millecam zou ze de aanwezigen hebben verteld dat ze op dat moment van Millecam hoorde dat alles goed was zo. Als columnist heeft hij deze gesprekken via een totale omdraaiing en overdrijving niet alleen proberen te bespotten, maar vooral aan de kaak proberen te stellen. Volgens Giphart is dat de vrijheid van de columnist.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het gewraakte artikel is geplaatst in de vaste rubriek ‘Ronald Giphart’ van AD Utrechts Nieuwsblad. Deze rubriek is duidelijk ingekaderd en gaat vergezeld van een foto van de columnist. Het moet dan ook voor de lezers van het AD Utrechts Nieuwsblad duidelijk zijn dat de, min of meer ironische, column niet meer dan de mening van Giphart behelst.

Volgens het vaste oordeel van de Raad komt aan columnisten een grote vrijheid toe om hun persoonlijke mening te geven over gebeurtenissen of personen, waarbij stijlmiddelen als overdrijven, chargeren en bewust eenzijdig belichten geoorloofd zijn, zij zich stellig mogen uitdrukken en desgewenst scheldwoorden mogen bezigen. De column is een journalistiek genre waar meer mag dan in andere journalistieke genres. Dat is op zichzelf waardevol. Ook de vrijheid van de columnist kent echter haar grenzen. Enerzijds worden die bepaald door de wet, zodat bijvoorbeeld het oproepen tot rassendiscriminatie en vreemdelingenhaat ontoelaatbaar is. Anderzijds worden die grenzen bepaald door wat, gegeven de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Van overschrijding van deze grenzen is sprake wanneer columnisten bij het uiten van hun persoonlijke mening over personen kwalificaties bezigen of vergelijkingen trekken waartoe de feiten in redelijkheid geen aanleiding geven. (vgl. onder meer: X tegen Venderbosch, Goossens en Utrechts Nieuwsblad, RvdJ 2003/54 en Damman tegen Poortinga en METRO, RvdJ 2002/27)

Het is begrijpelijk dat de column klaagster niet welgevallig is. Aan de orde is echter de vraag of in de gewraakte column sprake is van kwalificaties of vergelijkingen waartoe de feiten in redelijkheid geen aanleiding geven. Naar het oordeel van de Raad is dat niet het geval. De column kan worden beschouwd als een uiting van woede van Giphart over de handelwijze van klaagster in relatie tot ernstig en ongeneeslijk zieken en overleden personen. Daarbij heeft Giphart echter geen kwalificaties gebezigd of vergelijkingen getrokken, zoals hiervoor bedoeld.

Er is derhalve geen grond voor de conclusie dat verweerders grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in AD Utrechts Nieuwsblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 23 januari 2006 door mr. A. Herstel, voorzitter,
T.R. Harkema, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, mw. drs. J.X. Nabibaks en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. drs. M.M. van der Smissen, plaatsvervangend secretaris.