2006/19 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

OSV B.V.

tegen

de producent van ‘Opgelicht’ PS Media Producties B.V. en omroepvereniging TROS

Bij brief van 22 december 2005 met zes bijlagen heeft mr. J.L. ten Hove, advocaat te Maastricht, namens OSV B.V. (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen de producent van ‘Opgelicht’ PS Media Producties B.V. en omroepvereniging TROS (hierna: verweerders). Hierop heeft mr. C.C. Goes, TROS Juridische Zaken, namens verweerders gereageerd in een schrijven van 19 januari 2006 met drie bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 27 januari 2006. Namens klaagster is daar haar directeur drs. J.N. Brouwer verschenen. Aan de zijde van verweerders waren mr. Goes en J.R. Jager, eindredacteur van ‘Opgelicht’, aanwezig.

Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, hebben partijen desgevraagd laten weten geen bezwaar te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

Op 15 november 2005 heeft de TROS een aflevering van het televisieprogramma ‘Opgelicht’ uitgezonden (hierna: de uitzending). Daarin is aandacht besteed aan klachten over de werkwijze van klaagster. Het item wordt door de presentatrice ingeleid als volgt:
Via de mail stromen er veel reacties bij ons binnen over het OSV, het Ondersteuningsbureau Sociale Verzekeringen. Het OSV biedt een cursus aan voor zogenoemde preventiemedewerkers. Voor veel ontvangers van de aanbieding komt het over alsof deze cursus verplicht is. Maar is dat echt zo?
Daarna wordt door een voice-over bericht:
De brief van het OSV suggereert dat een cursus voor preventiemedewerker verplicht is. Hierdoor raken veel ondernemers in de war.
Vervolgens komt mevrouw Koser Kaya, Tweede Kamerlid D66, aan het woord en wordt een bandopname van een gesprek met een ex-medewerkster van klaagster afgespeeld.
In een voice-over wordt verder meegedeeld:
Mevrouw Koser Kaya adviseert bedrijven die zich al hebben opgegeven voor de cursus om juridische stappen te ondernemen.
Waarna mevrouw Koser Kaya zegt:
En dat de rechterlijke macht uiteindelijk moet gaan toetsen of bedrijven dit soort brieven mogen sturen naar werkgevers en of er geen sprake is van misleiding.
Daarop wordt het item door de presentatrice afgesloten als volgt:
De cursus van het OSV is dus niet verplicht. Mensen die zich al hebben aangemeld voor de cursus, maar er toch van af willen, kunnen het beste aangifte doen bij de politie. En ondertussen blijft mevrouw Koser Kaya zich in de Kamer hard maken voor een verbod op dit soort praktijken.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat in de uitzending ten onrechte de indruk is gewekt dat zij zou hebben gesteld dat de cursus preventiemedewerker verplicht is. Klaagster heeft dat nooit expliciet dan wel impliciet gesteld. Zij wijst in dat verband op haar mailingbrieven van 21 juni en 3 oktober 2005. Uit die brieven blijkt dat zij heldere informatie heeft verschaft over de verplichting tot het aanwijzen van een preventiemedewerker. Uit die brieven blijkt geenszins dat het volgen van een opleiding daartoe verplicht is dan wel dat die opleiding bij haar gevolgd moet worden. Zij heeft bovendien een ‘Infolijn preventiemedewerker’ opengesteld en daartoe een zogenaamd ‘Protocol Call-center’ opgesteld. In dat protocol is uitdrukkelijk aan de callcenter medewerkers de instructie gegeven om de beller te informeren dat het aanstellen van een preventiemedewerker verplicht is, maar het volgen van een cursus niet. Ter zitting voegt Brouwer hier desgevraagd aan toe dat de mailingbrieven wervend waren bedoeld. Alleen als je de brieven niet secuur leest, kan mogelijk een onjuiste indruk ontstaan. Naar aanleiding van reacties op de mailingbrieven heeft klaagster gemerkt dat bij sommigen een verkeerde indruk was ontstaan. Daarom zijn in het protocol voor de callcenter medewerkers duidelijke instructies gegeven. Bovendien heeft klaagster op haar website openheid van zaken gegeven.
Klaagster stelt verder dat verweerders de beschuldigingen aan haar adres niet zonder voorafgaand nader onderzoek naar de gegrondheid ervan hadden mogen uitzenden. Niet is gebleken dat de beschuldigingen worden ondersteund door andere bronnen, zodat moet worden geconcludeerd dat voor de beschuldigingen onvoldoende grond bestaat, aldus klaagster.
Volgens klaagster is mevrouw Koser Kaya niet goed op de hoogte van hetgeen waarover zij uitspraken doet. Zij meldt in de uitzending dat het niet verplicht is een preventiemedewerker aan te wijzen wanneer een bedrijf minder dan 15 werknemers in dienst heeft en noemt als voorbeeld de eenmanszaak. Klaagster heeft echter niet gesuggereerd of gesteld dat de regeling zou gelden voor een eenmanszaak. Integendeel, in haar mailingbrief van 3 oktober 2005 heeft zij vetgedrukt aangegeven: “Nota bene: Indien u zich al heeft aangemeld of indien uw bedrijf geen werknemers in dienst heeft, kunt u deze brief als niet verzonden beschouwen!” Ook in de instructies aan de callcenter medewerkers heeft klaagster er uitdrukkelijk op gewezen dat de regeling niet geldt als de onderneming geen werknemers in dienst heeft. Klaagster wijst er verder op dat uit de wet blijkt dat alle bedrijven een preventiemedewerker dienen te hebben, ook bij bedrijven met minder dan 15 werknemers.
Wat betreft het gesprek met haar ex-medewerkster stelt klaagster dat zij in een totaal andere tak van de organisatie werkzaam was dan die welke in de uitzending aan de orde is geweest. De cijfers waarmee die ex-medewerkster te maken kreeg gedurende de periode dat zij voor klaagster gewerkt heeft, hadden op geen enkele wijze betrekking op de cursus preventiemedewerker.
Klaagster stelt voorts dat verweerders ten onrechte hebben nagelaten wederhoor toe te passen. Zij is door de uitzending volledig overvallen. De mogelijkheid om na twee weken alsnog een reactie te geven is volgens klaagster ‘mosterd na de maaltijd’, het kwaad was al geschied. Toen verweerders haar na de uitzending alsnog benaderden, heeft klaagster zich afgevraagd of ze daarmee haar gelijk kon halen. Zij heeft een afweging gemaakt en vond het niet wenselijk dat in een tweede uitzending nog eens aandacht aan de zaak zou worden besteed. Het zou fair zijn geweest als klaagster in de eerste uitzending om commentaar was gevraagd.
Volgens klaagster is ten onrechte gesuggereerd dat zij niet correct heeft gehandeld. In dat verband wijst zij erop dat in de uitzending aan het publiek is geadviseerd aangifte te doen bij de politie.
Ten slotte stelt klaagster dat verweerders ten onrechte geen gehoor hebben gegeven aan haar sommatie om op de website van het programma ‘Opgelicht’ een rectificatie te plaatsen.

Verweerders stellen dat ‘Opgelicht’ een evenwichtig programma is, waaraan een grondig journalistiek onderzoek vooraf gaat. In het programma worden onderwerpen belicht die door de gemiddelde kijker als ‘niet in de haak/misleiding/oplichting’ worden ervaren. Dat hoeft niet noodzakelijkerwijs samen te vallen met het strafrechtelijke begrip ‘oplichting’. Ook gevallen van misleiding, dwaling en bedrog worden door mensen als oplichting gevoeld. Verweerders wijzen in dit verband op eerdere uitspraken van de Raad, waarin deze zich heeft uitgelaten over de titel van het programma. De grenzen van de journalistieke vrijheid worden niet overschreden doordat de bevindingen zijn gepresenteerd in het programma ‘Opgelicht’. Dat een oproep is gedaan tot het doen van aangifte, maakt dat niet anders, aldus verweerders. Het doen van een dergelijke oproep past binnen het kader van het programma. De oproep refereert aan het gevoel van oplichting dat reeds bij mensen c.q. bedrijven aanwezig is. Dit gegeven neemt elke mogelijke associatie met een sensatiebelust programma weg. In dit geval staat namelijk buiten kijf dat mensen c.q. bedrijven die klachten over klaagster hebben geuit, zich opgelicht hebben gevoeld door klaagster. Volgens verweerders bestond dus voldoende reden om aan het onderwerp aandacht te besteden op de wijze zoals dat is gebeurd.
Verweerders menen dat de uitzending voldoende grondslag vindt in de feiten en omstandigheden. Zij hebben de uitingen voldoende onderbouwd en hebben voldoende zorgvuldig gehandeld bij de totstandkoming van het item. De redactie heeft in totaal ongeveer 22 klachten ontvangen van mensen c.q. bedrijven die brieven van klaagster hadden ontvangen en waarvan een deel daadwerkelijk de cursus heeft gevolgd. Door de opzet, de stelligheid en het taalgebruik in de brieven van klaagster kregen veel gedupeerden het idee dat de cursus verplicht was.
Verweerders wijzen erop dat klaagster in haar eerste mailingbrief de lezer erop heeft gewezen dat de regelgeving is gewijzigd en de suggestie heeft gewekt dat het volgen van een cursus van klaagster de aangewezen manier is om goed beslagen ten ijs te komen. Die suggestie is versterkt door de tweede mailingbrief, waarin staat: “Om uw preventiemedewerker de deskundigheid te leveren die noodzakelijk is ter uitvoering van de wet, verzorgen wij een landelijke opleiding preventiemedewerker die zich conformeert aan de nieuwe verplichte regelgeving. Deze opleiding wordt verzorgd door een gecertificeerde Hoger Veiligheidsdeskundige.” Dit impliceert dat het volgen van die landelijke opleiding preventiemedewerker verplicht is, aldus verweerders.
Verweerders stellen verder dat de uitzending over klaagster zeer kort was, als reactie op de zogenaamde ‘Mailbox’ van het programma. Daarin kunnen mensen de redactie wijzen op opmerkelijke zaken. In de uitzending is klaagster niet van oplichting beschuldigd. Het woord ‘oplichting’ is niet genoemd. Desgevraagd licht Jager ter zitting toe dat het item een signalerende c.q. waarschuwende functie en derhalve een informatief karakter had. Het was dan ook niet nodig om vooraf een reactie aan klaagster te vragen.
Om alle zorgvuldigheid te betrachten hebben verweerders de reactie van Tweede Kamerlid mevrouw Koser Kaya gevraagd. In dat verband stellen verweerders dat zij niet verantwoordelijk of aansprakelijk zijn voor de eigen mening van mensen die in hun programma’s aan het woord worden gelaten. Verweerders menen dat zij in beginsel vrijuit gaan, tenzij komt vast te staan dat ten tijde van de uitzending onvoldoende grondslag aanwezig was om de meningen van derden te openbaren op de wijze zoals zij hebben gedaan. Van die uitzonderingssituatie is echter geen sprake. Ter zitting heeft Jager hieraan toegevoegd dat mevrouw Koser Kaya in de uitzending is aangehaald, in die zin dat zij heeft gezegd dat gedupeerden juridische stappen zouden moeten ondernemen. Dit is later in de uitzending geïnterpreteerd als het doen van aangifte. Jager voegt daaraan toe dat op het moment dat bij de politie meerdere klachten binnenkomen, dit wellicht reden is voor nader onderzoek. De kijker wil weten wat hij moet doen en de enige mogelijkheid om zijn ongenoegen te uiten is via het doen van aangifte. Dit is geen beschuldiging aan het adres van klaagster, maar een feit, aldus Jager.
Mede naar aanleiding van alle reacties hebben verweerders op 17 november 2005 klaagster alsnog in de gelegenheid gesteld haar reactie te geven op de klachten die bij de redactie waren binnengekomen. Dit aanbod hebben zij herhaald op 2 en 14 december 2005. Overigens hebben verweerders het onderwerp van hun website gehaald direct nadat klaagster daarom had verzocht.
Verweerders concluderen dat hen geen enkel verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de wijze waarop zij het gewraakte item in de uitzending hebben gemaakt en uitgezonden.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Uit hetgeen Brouwer ter zitting naar voren heeft gebracht, maakt de Raad op dat de kern van de klacht is dat de uitzending onjuiste feiten en ongefundeerde beschuldigingen aan het adres van klaagster bevat en dat verweerders ten onrechte hebben nagelaten vooraf wederhoor toe te passen. De Raad zal zich tot die kern beperken.

De Raad stelt voorop dat het maatschappelijk relevant en journalistiek geboden kan zijn om journalistiek onderzoek te verrichten naar de mogelijke betrokkenheid van klaagster bij onoorbare praktijken. Het is immers een taak van de pers om misstanden aan de kaak te stellen. Dat neemt niet weg, dat een journalist bij zijn onderzoek zorgvuldig te werk moet gaan en dat door hem gepubliceerde feiten moeten zijn gebaseerd op voldoende deugdelijk materiaal.

De Raad acht het op zichzelf niet journalistiek onzorgvuldig om in een programma met de titel ‘Opgelicht’ aan de orde te stellen dat klaagster onduidelijke mailingbrieven heeft verstuurd en dat bij ontvangers van die brief de indruk is ontstaan dat de door klaagster aangeboden cursus verplicht was. (vgl. onder meer HTP Development tegen ‘Opgelicht’, RvdJ 2003/48)
Echter, door het publiek te adviseren bij de politie aangifte te doen hebben verweerders gesuggereerd dat klaagsters handelwijze mogelijk strafrechtelijk ontoelaatbaar zou zijn. Deze beschuldiging werpt een zodanige smet op klaagster dat deze niet zonder deugdelijke feitelijke grondslag gepubliceerd had mogen worden. (vgl. onder meer: Brander tegen de Leeuwarder Courant, RvdJ 2006/11)
De mening van mevrouw Koser Kaya dat een rechter zich over de praktijken van klaagster zou moeten uitlaten, biedt onvoldoende grond voor de daaraan door verweerders gegeven interpretatie dat het publiek aangifte zou moeten doen omdat klaagster mogelijk een strafbaar feit zou hebben begaan.

Verder dient, volgens het vaste oordeel van de Raad, een journalist bij het publiceren van ernstige beschuldigingen met bijzondere zorgvuldigheid te werk te gaan. Die bijzondere zorgvuldigheid brengt in het algemeen onder meer mee dat wederhoor dient te worden toegepast.
Voorts heeft de Raad herhaaldelijk overwogen dat - voor zover wederhoor is geboden - uit een oogpunt van evenwichtige berichtgeving bij voorkeur in een en dezelfde publicatie tot uitdrukking dient te komen dat met betrekking tot hetgeen daarin aan de orde is, wederhoor is toegepast.
Verweerders hebben gehandeld in strijd met deze normen, terwijl is gesteld noch gebleken dat sprake is van bijzondere omstandigheden die dat rechtvaardigen. Dat verweerders na de uitzending klaagster alsnog de gelegenheid hebben geboden haar visie op de zaak te geven, kan daaraan niet afdoen. (vgl. onder meer: Guijt en Guijt Holding tegen de Volkskrant, RvdJ 2001/48)

De Raad komt derhalve tot de slotsom dat verweerders grenzen hebben overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is, door over klaagster te berichten op de wijze zoals zij hebben gedaan en na te laten klaagster vooraf wederhoor te bieden.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerders bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van ‘Opgelicht’ en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op hun website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 7 april 2006 door mw. mr. M.E. Leijten, voorzitter, drs. B.J. Brouwers, mw. E.H.C. Salomons en mw. drs. I. Wassenaar, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.