2006/17 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

T. van Dijk en de hoofdredacteur van HP/DeTijd

Bij brief van 13 december 2005 met zes bijlagen heeft prof. mr. W.R. Kastelein, advocaat te Utrecht, namens X (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen T. van Dijk en de hoofdredacteur van HP/DeTijd (hierna: verweerders). Hierop heeft T. van Dijk geantwoord in een brief van 5 januari 2006. Bij brief van 24 januari 2006 heeft prof. mr. Kastelein nog twee bijlagen overgelegd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 27 januari 2006. Klaagster is daar verschenen, vergezeld van prof. mr. Kastelein en mr. T.J. Verdam, jurist van het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam. Verweerders zijn daar niet verschenen.

Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, heeft klaagster desgevraagd laten weten geen bezwaar te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

Op 7 oktober 2005 is in HP/DeTijd in de rubriek ‘Dag dokter’ een artikel van de hand van Van Dijk verschenen onder de kop “Moeder wist het”. De intro van het artikel luidt:
In de gezondheidszorg worden fouten gemaakt, en dat kan voor patiënten verstrekkende gevolgen hebben. Wekelijks in HP/DeTijd een praktijkgeval. Aflevering 2: de sussende verloskundige en een doodgeboren kind.
Het artikel gaat over een patiënte van klaagster en de rol van klaagster, de bedoelde verloskundige, bij de zwangerschap van haar patiënte. In het artikel wordt onder meer vermeld welke problemen de patiënte bij eerdere zwangerschappen heeft ondervonden en dat haar partner lijdt aan een verwisseling in zijn chromosomen, waardoor zij een kans van één op drie hebben op een gezond kind. De naam van klaagster is in het artikel vermeld. De publicatie bevat onder meer de volgende passages:
Op 25 maart voelt [de patiënte] voor het laatst leven, zegt ze bij de controle de volgende dag, 26 maart; ze is dan 41 weken en 4 dagen zwanger. Zij wil graag dat de zwangerschap ingeleid wordt. De verloskundige stelt dat een zwangerschap van 42 weken normaal is en ziet geen aanleiding tot inleiden. (…) [De patiënte] is heel ongerust, ze hamert er op dat het niet goed gaat en vindt echt dat [haar kind] gehaald moet worden. De verloskundige sust haar – als van alle moeders over tijd het kindje gehaald wordt, dan moeten ze overuren draaien. [De patiënte] moet rustig thuis met haar handen op haar buik liggen, dan zal ze [haar kind] vanzelf weer voelen. [De patiënte] voelt ook de volgende dag niets. Ze belt ’s avonds met het ziekenhuis. Ze moet langskomen. Samen met haar moeder en [haar echtgenoot] rijdt ze naar het AMC. (…) Drie echo’s later horen [ze] dat hun zoontje is overleden.
en
“[De patiënte] dient een klacht in bij het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag. [De patiënte] stelt dat de verloskundige inadequaat gehandeld heeft; zij had al veel eerder een ctg moeten maken en een gynaecoloog moeten inschakelen. Het tuchtcollege geeft [de patiënte] gelijk. De verloskundige had door betrekkelijk eenvoudig onderzoek de ernst van de situatie snel kunnen ontdekken; bij de laatste controle op 26 maart had zij een ctg moeten maken. Volgens de lijkschouwing is [het kind] op die dag gestorven.
De verloskundige krijgt een berisping, de op een na lichtste tuchtmaatregel die het college kan opleggen. De verloskundige gaat in hoger beroep bij het Centraal Tuchtcollege en neemt een nieuwe advocaat, de hoogleraar gezondheidsrecht mr. Kastelein. Het Centraal Tuchtcollege komt ‘tot enigszins andere afwegingen en minder verstrekkende verwijten’ en acht de berisping te zwaar. Hoewel de voorzitter verbaasd aan de verloskundige vraagt waarom zij niet naar de moeder heeft geluisterd, mother knows best tenslotte, vermindert het college de straf tot een waarschuwing.


DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat door de vermelding van haar naam haar privacy op onaanvaardbare wijze is geschonden. Op 26 juli 2005 heeft zij van Van Dijk een conceptartikel ontvangen als aankondiging van de voorgenomen publicatie. Prof. mr. Kastelein heeft namens haar op het concept gereageerd bij brief van 4 augustus 2005. In die reactie heeft klaagster de weergave van de gebeurtenissen gelaten aan de geïnterviewden, de patiënte en haar echtgenoot. Ter zitting heeft klaagster in dat verband opgemerkt dat ze wel inhoudelijk had kunnen reageren, maar dat het voor alle betrokkenen een heel trieste zaak is. In het artikel gaat het om het verhaal van de ouders en niet zo zeer om haar verhaal. Ze vond het niet juist om in de publicatie over de zaak te steggelen. Daarbij komt dat ze vanwege haar beroep beperkingen heeft in wat ze over de zaak kan vertellen.
In de brief van 4 augustus 2005 is echter uitdrukkelijk bezwaar gemaakt tegen de vermelding van haar naam en overige gegevens die het gemakkelijk maken om haar te identificeren. In een e-mail van 8 augustus 2005 heeft Van Dijk meegedeeld dat hij voornemens was de tekst ongewijzigd te publiceren. Vervolgens heeft prof. mr. Kastelein telefonisch contact gehad met Van Dijk. In dat gesprek deelde Van Dijk mee dat hij niet van plan was klaagsters naam te schrappen. Volgens Van Dijk zouden de patiënte en haar echtgenoot hechten aan de vermelding van de naam van klaagster. Volgens klaagster is een dergelijke wens echter geen bijzondere omstandigheid die de vermelding van haar naam zou kunnen rechtvaardigen. Ter zitting heeft klaagster ter zake nog opgemerkt dat haar raadsvrouwe van de raadsman van de ouders heeft vernomen dat zij geen voorkeur hadden voor het vermelden van klaagsters naam. Naar aanleiding van hun telefoongesprek heeft prof. mr. Kastelein Van Dijk opnieuw schriftelijk benaderd op 10 augustus 2005. In haar brief heeft zij Van Dijk onder meer bericht dat de vermelding van klaagsters naam geen doel dient, zeker niet nu klaagster haar praktijk als verloskundige inmiddels niet meer uitoefent. Voor zover een belang zou spelen dat eventuele toekomstige patiënten van klaagster op de hoogte zouden moeten zijn van de gang van zaken, is dat belang niet meer aanwezig.
Verder wijst klaagster erop dat het hoofd voorlichting van het Academisch Medisch Centrum de hoofdredactie van HP/De Tijd heeft verzocht om haar naam niet te vermelden. Omwille van de haalbaarheid van dat verzoek heeft het AMC geen bezwaar gemaakt tegen de vermelding van de naam van het AMC, hoewel die vermelding de herkenbaarheid van klaagster vergroot. Ook dit verzoek is niet gehonoreerd.
Ten slotte wijst klaagster op artikel 71 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Daarin is bepaald dat het Regionaal Tuchtcollege een uitspraak bekend kan maken onder weglating van de namen, voornamen en woonplaatsen van de in de beslissing genoemde personen alsmede van de daarin voorkomende andere gegevens die omtrent deze personen een aanwijzing bevatten.
Klaagster voelt zich aangetast in haar privacy. Zij meent dat verweerders de jurisprudentie van de Raad met voeten hebben getreden en zonder goede reden haar persoonlijke gegevens hebben vermeld, terwijl bijzondere terughoudendheid geboden was. Klaagster concludeert dat verweerders jegens haar journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld.

Van Dijk stelt dat de feitelijke inhoud niet door klaagster wordt betwist. Beide zaken voor zowel het Regionaal Tuchtcollege als die voor het Centraal Tuchtcollege waren openbaar. Er was geen enkele wettelijke grond die openbaarheid niet na te volgen. Verweerders hebben mede voor die openbaarheid gekozen in de hoop in de toekomst een positief effect te sorteren op de zorgvuldigheid waar patiënten volgens de Wet BIG recht op hebben. Ten overvloede merkt Van Dijk op dat ook diverse andere media regelmatig de openbaarheid van de medische tuchtcolleges intact laten.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad stelt voorop dat een nieuwsbericht zoveel mogelijk de gegevens dient te bevatten, die het het publiek mogelijk maken zich een waarheidsgetrouw beeld van het desbetreffende nieuwsfeit te vormen. Daartegenover staat dat, volgens het vaste oordeel van de Raad, de journalistieke verantwoordelijkheid met zich brengt dat de persoonlijke levenssfeer van degene over wie wordt gepubliceerd, niet verder mag worden aangetast dan in het kader van een open berichtgeving nodig is.
Bovendien is, volgens het vaste oordeel van de Raad, ten aanzien van het vermelden van persoonlijke gegevens van verdachten c.q. veroordeelden bijzondere terughoudendheid geboden. Een journalist dient zoveel mogelijk te voorkomen dat hij gegevens publiceert met behulp waarvan een verdachte of veroordeelde op eenvoudige wijze kan worden geïdentificeerd. Dat de identiteit van de betrokkene door een reportage bekend wordt, maakt de reportage evenwel op zichzelf niet onzorgvuldig, ook al is sprake van een inbreuk op de privacy van betrokkene. Een dergelijke inbreuk overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek alleen dan, indien deze inbreuk niet in redelijke verhouding staat tot het doel van de publicatie en derhalve een disproportionele aantasting van het privé-leven van de betrokkene vormt. Er dient derhalve een afweging plaats te vinden tussen het belang van de betrokkene bij de bescherming van zijn privacy enerzijds en mogelijke belangen van derden en het maatschappelijke belang anderzijds.

Tuchtzaken kunnen in zekere zin worden vergeleken met strafzaken. Bij tuchtzaken gaat het echter altijd om handelen van de betrokkene in de uitoefening van zijn beroep, de ‘onderneming’ van de betrokkene, en niet om zijn persoon. Met de openbaarmaking van tuchtrechtelijk verwijtbare fouten door advocaten, artsen, notarissen en soortgelijke functionarissen in de uitoefening van hun beroep, is het algemeen belang gemoeid. (vgl. Ruissen tegen Van Dijk en HP/De Tijd, RvdJ 2006/15)
In deze zaak is met name van belang dat klaagster voorafgaand aan de publicatie aan verweerders heeft bericht dat zij haar praktijk niet meer uitoefende. Daarbij komt dat klaagster haar praktijk uitoefende onder de verantwoordelijkheid van het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam, van welke zijde geen bezwaar bestond tegen naamsvermelding van het AMC.
Onder deze omstandigheden valt niet in te zien welk belang nog was gediend met het vermelden van de naam van klaagster. Verweerders hadden in dit geval de publicatie kunnen anonimiseren voor zover het de naam van klaagster betrof, zonder dat afbreuk zou zijn gedaan aan de inhoud en nieuwswaarde ervan. Door dit na te laten hebben verweerders de privacy van klaagster disproportioneel geschaad en derhalve de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

(vgl. onder meer: X/www.nu.nl, RvdJ 2006/9, Gokmen/RTV Utrecht, RvdJ 2005/54, X/Zwolse Courant, RvdJ 2003/33)

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in HP/DeTijd te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 31 maart 2006 door mw. mr. M.E. Leijten, voorzitter, drs. B.J. Brouwers, mw. E.H.C. Salomons en mw. drs. I. Wassenaar, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.