2006/16 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

E.T.W. Arends en de hoofdredacteur van de Volkskrant

Bij brief van 9 december 2005 met twee bijlagen heeft mr. W. Huizing, advocaat te Leeuwarden, namens X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen E.T.W. Arends en de hoofdredacteur van de Volkskrant (hierna: verweerders). Vervolgens heeft mr. Huizing in een brief van 16 december 2005 nader toegelicht waarom de klacht niet binnen de termijn van zes maanden, als gesteld in artikel 2a van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek, is ingediend.
Arends en P.I. Broertjes, hoofdredacteur van de Volkskrant, hebben gezamenlijk op de klacht gereageerd in een brief van 21 december 2005 met een bijlage.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 27 januari 2006. Klager was daar aanwezig, vergezeld van zijn echtgenote en mr. Huizing. Aan de zijde van verweerders zijn Arends en B. van Beukering, hoofdredacteur Volkskrant magazine, verschenen.

Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, hebben partijen desgevraagd laten weten geen bezwaar te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

Op 21 mei 2005 is in Volkskrant magazine een artikel van de hand van Arends verschenen onder de kop “Wat zijn dit voor mannen?” De intro van het artikel luidt:
Drie veroordeelden in een omvangrijke zedenzaak met minderjarige slachtoffers vertellen hoe ze tot hun misdaden zijn gekomen. Wat bezielt de pedofiel? ‘Ik dacht eerst: het gaat misschien wel over als ik ouder word. Maar ja, dat is dus niet zo.’
Het artikel begint met de zin:
“[X] werd 27 november 2003 gearresteerd, op een zaterdag – dat zal hij nooit meer vergeten.
Aan het slot van het artikel is vermeld dat de namen van de betrokkenen zijn veranderd vanwege de privacy.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat in het artikel zijn naam is gebruikt ter aanduiding van een van de geïnterviewde personen en dat is vermeld in welke provincie die persoon woont. Klager benadrukt met klem dat hij niet de bedoelde persoon is. Hij is woonachtig in dezelfde provincie als die persoon. Verder wijst klager erop dat het artikel met toestemming van Arends is verschenen op de website van de pedofilievereniging in Nederland.

Klager is oud-onderwijzer in het basisonderwijs en heeft nu een succesvolle loopbaan als beeldend kunstenaar. Hij schildert onder meer kinderportretten. Door zijn werk als kunstenaar bevinden zich op internet diverse sites die verwijzen naar zijn werk en lopende tentoonstellingen.
Op de website van verschillende zoekmachines werd echter bij het intoetsen van zijn naam niet alleen verwezen naar zijn werk en tentoonstellingen, maar tevens naar de website van de pedofilievereniging en het artikel van Arends.
Volgens klager kan het gebruik van zijn naam niet op toeval berusten. Voor de aanduiding van een andere pedofiel zijn de naam en woonplaats van een andere kunstenaar gebruikt. Beide namen zijn specifieke namen, die niet zomaar verzonnen kunnen zijn.
Klager meent dat Arends op eenvoudige wijze had kunnen en moeten checken of het gebruik van klagers naam schadelijke gevolgen mee zou kunnen brengen voor een bestaande persoon. Dit klemt te meer nu het artikel handelt over een precair onderwerp. De pedofielen hadden kunnen worden aangeduid met een voornaam of initialen, aldus klager.
Hij betoogt dat hij door het gebruik van zijn naam in het artikel en de plaatsing van het artikel op internet ten onrechte als pedofiel is geportretteerd. Dat onder het artikel in kleine letters staat vermeld dat de namen van de betrokkenen zijn veranderd vanwege de privacy, doet daaraan niet af. Die vermelding staat volgens klager in geen verhouding tot het acht pagina’s tellende artikel. Klager is daadwerkelijk aangesproken op het gebruik van zijn naam in het artikel.
Ten gevolge van de onzorgvuldige handelwijze van verweerders wordt klagers functioneren in zijn privé-leven en als beeldend kunstenaar zeer negatief beïnvloed. Hij is niet meer in staat om zijn werkzaamheden als kunstenaar normaal te verrichten.
Ten aanzien van de overschrijding van de termijn voor het indienen van de klacht stelt klager dat hem ter zake in redelijkheid geen verwijt kan worden gemaakt. Pas in juni 2005 raakte hij bekend met het artikel, doordat het verscheen op het internet. Bij het intoetsen van zijn naam op zoekmachines werd als een van de eerste resultaten verwezen naar de publicatie van het artikel op de website van de pedofilievereniging. Klager heeft zich toen tot zijn raadsvrouwe gewend. De verwijdering van zijn naam uit het artikel op internet en de link daarnaar op de zoekmachine Google had toen prioriteit. Daarna heeft klagers raadsvrouwe zich tot de Volkskrant gewend, die echter niet open stond voor de bezwaren van klager. Vervolgens heeft zijn raadsvrouwe hem gewezen op de mogelijkheid een klacht bij de Raad in te dienen. Klager heeft toen aangegeven dat te willen doen. Uit kostenoverwegingen wilde hij het klaagschrift zelf opstellen. Echter, door de gebeurtenissen tot dan toe was hij erg van slag geraakt. Daardoor heeft het geruime tijd in beslag genomen voordat hij het klaagschrift op papier kon zetten. Hij heeft in die periode ook niet kunnen werken. Daarna heeft hij zijn raadsvrouwe gevraagd nog naar het klaagschrift te kijken. Op het moment dat zij het klaagschrift had gecontroleerd en het wilde indienen, stuitte zijn raadsvrouwe op de termijn van zes maanden, waarbinnen het klaagschrift moest worden ingediend. Om deze reden is het klaagschrift niet binnen de termijn ingediend. Gezien de aard van de klacht, het precaire onderwerp en de impact van het artikel op zijn leven, verzoekt klager de Raad hem in zijn klacht te ontvangen.
Ter zitting benadrukt klager dat de suggestie dat hij betrokken zou zijn bij pedofilie het ergste is wat hem zou kunnen overkomen, mede gezien het feit dat hij 18 jaar in het onderwijs werkzaam is geweest. Hij heeft niet overwogen om verweerders te vragen een rectificatie te plaatsen, omdat hij niet nog eens aan de zaak herinnerd wilde worden. Dat is ook de reden dat hij niet is ingegaan op het voorstel van Arends om een brief van Arends op zijn eigen website te plaatsen. Hij wil op geen enkele manier met pedofilie in verband worden gebracht.

Verweerders stellen dat naar goed journalistiek gebruik onderaan het artikel in een duidelijk leesbaar lettercorps is vermeld dat de namen van de geïnterviewde personen zijn gefingeerd. Bij het vaststellen van de pseudoniemen heeft Arends op geen enkele manier geprobeerd te refereren aan klager noch aan de andere kunstenaar, naar wie klager heeft verwezen. De pseudoniemen zijn gekozen omdat zij dezelfde stijl hebben als de oorspronkelijke namen van de geïnterviewden. Dat de pseudoniemen overeenkomen met de namen van werkelijk bestaande kunstenaars berust geheel op toeval.
Twee weken na de publicatie is Arends telefonisch benaderd door de echtgenote van klager. In dat gesprek heeft hij gezegd het spijtig te vinden dat klager zich gekrenkt voelt, maar dat onderaan het artikel duidelijk staat dat het gaat om gefingeerde namen. Verder heeft hij de echtgenote van klager meegedeeld dat zij of klager een ingezonden brief naar de krant zou kunnen sturen. Daarnaast heeft hij aangeboden om klager een brief te schrijven op briefpapier van de Volkskrant, waarin hij expliciet zou melden dat met de persoon in het artikel niet klager is bedoeld. Klager zou die brief dan op zijn website kunnen plaatsen, zodat hij tegenover buitenstaanders extra bewijs zou hebben dat hij niets met de zedenzaak te maken heeft. Klagers echtgenote heeft toen gezegd dat zij dat voorstel met klager zou bespreken. Op dat voorstel heeft zij niet meer gereageerd.
Vervolgens heeft de raadsvrouwe van klager zich tot de Volkskrant gewend en een schadevergoeding geëist. De Volkskrant heeft niet op die eis willen ingaan. In het artikel staat niets dat redelijkerwijs in verband kan worden gebracht met klager. Uit de tekst blijkt juist dat de betreffende persoon vrachtwagenchauffeur is, dus geen kunstenaar of onderwijzer in het basisonderwijs.
De schade-eis en de klacht bij de Raad hebben verweerders enigszins verbaasd. De Volkskrant heeft bij monde van Arends duidelijk geprobeerd klager tegemoet te komen, hoewel daar juridisch gezien geen aanleiding toe was. Klager heeft op geen enkele manier te kennen gegeven daarop in te willen gaan. Bovendien blijkt dat klagers grootste grief – de verwijzing naar de website van de pedofilievereniging in het overzicht van Google – al begin juni 2005 is weggenomen. Uit een steekproef die Arends heeft gedaan naar aanleiding van de schade-eis blijkt dat diverse zoekmachines op internet al begin juli 2005 geen enkele keer meer verwezen naar een website waarop het bewuste artikel staat vermeld.
Verweerders menen dat zij zich aan de algemeen geldende journalistieke normen hebben gehouden.
Ter zitting voegt Arends hieraan desgevraagd toe dat het noemen van de provincie waarin de betrokken persoon woont, en waarin kennelijk ook klager woonachtig is, relevant was. De betrokkene geeft namelijk uitleg over zijn achtergrond. Ten aanzien van het gebruik van initialen deelt Arends mee dat dat alleen bij korte artikelen gebeurt. Het gaat hier niet om berichtgeving over een delict, maar om de toedracht ervan. Het was de bedoeling om de persoon achter het delict te beschrijven. Dat lukt niet met het gebruik van initialen, aldus Arends. Ook het gebruik van alleen een voornaam wijst hij als ‘kuifje-achtig’ van de hand.
Hij heeft vooraf niet gecheckt hoe vaak klagers naam voorkwam in de provincie. Hij ging ervan uit dat het een veel voorkomende naam was. Achteraf is gebleken dat die naam 123 keer in het telefoonboek van de regio voorkwam. Het had dus iedereen kunnen zijn. Bovendien is in het onderschrift van het artikel vermeld dat het een pseudoniem betrof. Volgens Arends is het niet gebruikelijk om ook in de intro van een artikel te vermelden dat gebruik is gemaakt van gefingeerde namen. Hij zou het een volgende keer waarschijnlijk op dezelfde wijze aanpakken, tenzij het een zeer specifieke naam betreft die maar één keer in het telefoonboek voorkomt. Arends meent dat als je vooraf op zoekmachines van internet gaat kijken, je geen enkele naam als pseudoniem kunt gebruiken, omdat geen enkele naam uniek is. Het is niet te voorkomen dat als iemand via een zoekmachine op internet op zijn eigen naam zoekt, hij ook sites vindt die hem niet welgevallig zijn. Het spijt Arends erg dat klager zich door de publicatie gekrenkt voelt.

BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID

Ingevolge artikel 2a lid 1 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek moet een klaagschrift worden ingediend binnen 6 maanden nadat de journalistieke gedraging, waartegen de klacht is gericht, heeft plaatsgevonden. In beginsel is een klager in zijn klacht niet-ontvankelijk indien hij het klaagschrift niet tijdig heeft ingediend.

Vaststaat dat de klacht niet binnen zes maanden na de gewraakte publicatie bij de Raad is binnengekomen.

De Raad is evenwel van oordeel dat de door klager aangevoerde omstandigheden aan te merken zijn als bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding verontschuldigbaar doen zijn, zodat klager toch in zijn klacht zal worden ontvangen.
De Raad neemt hierbij in aanmerking dat sprake is van een zeer geringe termijnoverschrijding en dat niet is gebleken dat verweerder in enig opzicht door het tijdsverloop is bemoeilijkt in zijn verweer. Anderzijds acht de Raad klagers betoog dat zijn positie het niet toeliet om eerder de klacht in te dienen, valide. Voorts acht de Raad, gelet op het betoog van klager, nog steeds een rechtstreeks belang van klager aanwezig. (vgl. X tegen AT5, RvdJ 2005/65 en X tegen Haan, RvdJ 2005/29)

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het is journalistiek niet ongebruikelijk om in reportages als de onderhavige een betrokkene aan te duiden met een pseudoniem. Hoewel een journalist zoveel mogelijk bij de feiten dient te blijven en een betrokkene veelal ook kan worden omschreven zonder gebruikmaking van enige naam, acht de Raad het gebruik van pseudoniemen in beginsel niet journalistiek ontoelaatbaar. Dat neemt niet weg dat sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden, die maken dat het gebruik van een bepaalde gefingeerde volledige naam journalistiek onzorgvuldig is ten opzichte van iemand met die naam. Daarbij moet worden bedacht dat een betrokkene in de regel niet voor niets heeft verzocht om hem aan te duiden met een andere naam dan zijn eigen naam. In dergelijke gevallen gaat het meestal, zoals ook hier, om een maatschappelijk gevoelig onderwerp.

In dit geval acht de Raad van belang dat verweerders niet van tevoren hebben geverifieerd hoe vaak de gebruikte naam voorkomt, om zich ervan te vergewissen dat geen verwarring zou kunnen ontstaan met een bestaande persoon. Dit klemt te meer nu de betrokken persoon en klager in dezelfde provincie wonen en die provincie ook in het artikel is vermeld.
Verder hebben verweerders kennelijk geen afweging gemaakt tussen enerzijds het belang van het gebruik van die naam in de publicatie en anderzijds het belang van iemand met die bewuste naam, dat door die publicatie zou kunnen worden geschaad. Verweerders hadden wellicht initialen of alleen een voornaam kunnen gebruiken ter aanduiding van de betrokken persoon, zonder dat afbreuk was gedaan aan de inhoud van de publicatie.
Daarbij komt dat de naam van klager in het artikel, dat acht pagina’s beslaat, herhaaldelijk voorkomt – om te beginnen prominent vooraan in de eerste regel – terwijl slechts in het onderschrift is vermeld dat sprake is van een pseudoniem. Verweerders hadden er ook voor kunnen kiezen om al in de intro aan de lezer duidelijk te maken dat zij gebruik hadden gemaakt van gefingeerde namen.

Al deze omstandigheden in aanmerking genomen is de Raad van oordeel dat verweerders, door te handelen en na te laten als hiervoor omschreven, ten opzichte van klager journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in Volkskrant magazine te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 31 maart 2006 door mw. mr. M.E. Leijten, voorzitter, drs. B.J. Brouwers, mw. E.H.C. Salomons en mw. drs. I. Wassenaar, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.