2006/15 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

dr. C.J. Ruissen

tegen

T. van Dijk en de hoofdredacteur van HP/DeTijd

Bij brief van 21 november 2005 met een bijlage heeft dr. C.J. Ruissen te Maastricht (hierna: klager) een klacht ingediend tegen T. van Dijk en de hoofdredacteur van HP/DeTijd (hierna: verweerders). Hierop heeft T. van Dijk geantwoord in een brief met diverse bijlagen, die door de Raad is ontvangen op 22 december 2005.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 13 januari 2006. Partijen zijn daar niet verschenen.

DE FEITEN

Op 11 november 2005 is in HP/DeTijd in de rubriek ‘Dag dokter’ een artikel van de hand van Van Dijk verschenen onder de kop “Een hokje niet aangevinkt”. De intro van het artikel luidt:
In de gezondheidszorg worden beslissingen genomen die voor patiënten soms heel verkeerd uitpakken. Wekelijks in HP/DeTijd een praktijkgeval. Aflevering 7: het blijkt allerminst een maagzweer.
Het artikel gaat over de problemen die een patiënte van klager heeft ondervonden bij het vaststellen van de juiste diagnose. De echtgenoot van de patiënte heeft daarover een dossier aangelegd. Het artikel bevat onder meer de volgende passages:
Dat dossier toont aan hoe er bij aanhoudende klachten soms veel te lang wordt doorgesukkeld met halve of foute diagnoses, lapmiddelen, verkeerde medicijnen, nutteloze therapieën en onderzoeken op verkeerde plaatsen.
en
Vanaf 1998 is C.J. Ruissen, een van de drie artsen van een Maastrichtse groepspraktijk, haar huisarts. Een bloedonderzoek laat een te laag Hb-gehalte zien. (…) Een internist van het academisch ziekenhuis Maastricht (azM) adviseert de huisarts [de patiënte] verder te laten onderzoeken en haar ondertussen ijzer voor te schrijven. Het Hb-gehalte blijft te laag. De huisarts belt met prof. dr. P. Pop, hoofd polikliniek interne geneeskunde en hoofd van het Diagnostisch Centrum voor huisartsen van het azM. Hij adviseert een ferritinebepaling om de hoeveelheid ijzer te meten, ijzer dat nodig is voor de aanmaak van Hb. En bij een te laag gehalte een coloscopie van de hele dikke darm.
In de protocollen staat dat een coloscopie alleen door een huisarts kan worden aangevraagd met instemming van een specialist. Hoewel Ruissen met Pop gebeld heeft, vergeet hij op het standaardformulier het hokje aan te kruisen dat de coloscopie op advies van de specialist aangevraagd wordt dan wel te melden dat er overleg is geweest. De afdeling endoscopie verandert de aanvraag in een sigmoïdoscopie: een kijkoperatie waarbij alleen de endeldarm en het laatste stukje van de daarop aansluitende dikke darm wordt onderzocht (…)

en
De klachten blijven. De huisarts vraag een gastroscopie aan. (…) Het is inmiddels september 1999, en Pop adviseert wederom een totale coloscopie. (…) Huisarts Ruissen verwijst haar weer door naar de polikliniek gastro-enterologie van het azM met de vraag ‘gaarne op redelijke termijn een afspraak’. Het duurt tot 14 januari voor dan eindelijk de hele dikke darm van [de patiënte] onderzocht wordt. Dan blijkt datgene waar te zijn waar zij al die tijd al bang voor was. Zij heeft darmkanker.
Het slot van het artikel luidt:
Professor Pop schrijft een rapport. (…) Conclusie: de huisarts had bij zijn aanvraag voor een coloscopie te weinig informatie gegeven, en niet het vakje ‘op verzoek/advies specialist’ aangekruist. Evenmin vermeldde hij elders op het formulier dat er telefonisch overleg was geweest met een internist. De huisarts had geen genoegen moeten nemen met het schrappen van de coloscopie, en hij had de in ernst toenemende klachten, wijzend op de mogelijkheid van een dreigende darmafsluiting in combinatie met de terugkerende Hb-dalingen, als alarmerend moeten inschatten en om spoed moeten vragen. Het tuchtcollege te Eindhoven gaat mee in die redenering en waarschuwt de arts. De arts heeft hoger beroep aangetekend.

De uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Eindhoven van 1 september 2005, waarnaar in het artikel wordt verwezen, bevat onder meer de volgende passage:
Verweerder heeft vanaf april 1999, toen hij bij klaagster een te laag Hb-gehalte heeft aangetroffen, regelmatig overleg gepleegd met prof. Pop. Verweerder heeft de hem gegeven adviezen echter slechts ten dele en in een laat stadium ter harte genomen. (…) Dat de in juli 1999 aangevraagde coloscopie op eigen initiatief van de afdeling gastro-enterologie en zonder enig overleg met verweerder is omgezet in een sigmoïdoscopie valt verweerder niet aan te rekenen. (…) Verweerder valt echter wel te verwijten dat hij na de sigmoïdoscopie en het pathologieverslag d.d. 11 augustus 1999 klaagster niet aanstonds naar de afdeling gastro-enterologie heeft verwezen om verdere diagnostiek te laten verrichten, c.q. een (totale) coloscopie te laten uitvoeren, ondanks het daartoe strekkend advies van prof. Pop en het bij de sigmoïdoscopie uitgebrachte advies.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat Van Dijk zich ongenuanceerd over hem en zijn handelen heeft uitgelaten. Van Dijk heeft hem dingen verweten, of in ieder geval die indruk gewekt, die niet aan hem verweten kunnen worden. Van Dijk was bekend met de feitelijke toedracht en heeft dat verzwegen, aldus klager. Zo is onder meer door de vermelding ‘een hokje niet aangekruist’ ten onrechte gesuggereerd dat sprake is van een omissie van zijn kant. Volgens klager was Van Dijk ervan op de hoogte dat het ziekenhuis in Maastricht aansprakelijkheid heeft aanvaard voor de vertraging bij het aanvragen van de coloscopie. Verder meent klager dat in de laatste alinea van het artikel de motivatie van het tuchtcollege is verdraaid.
Klager stelt voorts dat met het vermelden van zijn naam en de plaats waar hij werkt geen journalistiek belang was gediend. Door het feit dat klager hoger beroep heeft aangetekend, had Van Dijk er rekening mee moeten houden dat de feiten nog ter discussie staan. Juist daarom had Van Dijk terughoudend moeten zijn met het publiceren van gevoelige gegevens. Dit is in overeenstemming met het beleid zoals dat bijvoorbeeld door Medisch Contact wordt gehanteerd. Het feit dat de patiënte en haar echtgenoot kennelijk geen bezwaar hadden tegen vermelding van hun naam, wekt de indruk dat Van Dijk zich voor de doelstelling van de patiënte en haar echtgenoot heeft laten gebruiken, aldus klager.
Hij betoogt dat het artikel schadelijke gevolgen voor hem kan hebben, nu hij zich oriënteert op een andere betrekking in de gezondheidszorg.
Van Dijk heeft zijn volledige dossier in de kwestie overgelegd. Volgens hem blijkt daaruit dat het artikel aan de journalistieke normen voldoet. Uit de stukken volgt onder meer dat met betrekking tot het niet aankruisen van een hokje wel degelijk sprake is van een omissie van klager. De aanvaarding van aansprakelijkheid van het ziekenhuis in Maastricht betrof een veel eerder stadium en was niet van invloed op het verloop daarna. Vermelding daarvan was daarom niet relevant.
Van Dijk wijst er verder op dat de zittingen van de medische tuchtcolleges openbaar zijn. Het is zijn keuze en die van HP/DeTijd om die openbaarheid intact te laten.
Ten slotte merkt Van Dijk op dat hij de tekst ruimschoots vóór publicatie ter inzage heeft opgestuurd en daarna nog aanpassingen heeft verricht naar aanleiding van opmerkingen en kritiek die hij terecht vond. Aan alle voorwaarden voor hoor en wederhoor is voldaan, aldus Van Dijk.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht bestaat uit de volgende onderdelen:
1. de wijze waarop is bericht over de problemen die een patiënte van klager heeft ondervonden bij het vaststellen van de juiste diagnose;
2. het vermelden van de naam van klager.

Ad 1.
De Raad stelt voorop dat het maatschappelijk relevant en journalistiek geboden kan zijn om journalistiek onderzoek te verrichten naar (vermeende) misstanden in de gezondheidszorg. Het is immers een taak van de pers om misstanden aan de kaak te stellen. Het staat een journalist vrij om zulks te doen aan de hand van een concreet geval, maar daarbij dient hij wel zorgvuldig te werk te gaan en moet de publicatie door feiten worden onderbouwd.

Zowel door de opmaak als de inhoud van het artikel wordt de indruk gewekt dat de vertraging in het stellen van de juiste diagnose bij de patiënte van klager alleen aan klager kan worden verweten en vooral het gevolg is van het feit dat klager ‘een hokje niet heeft aangevinkt’.
Uit de door Van Dijk overgelegde uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven blijkt echter dat het tuchtcollege heeft geoordeeld dat het klager niet valt aan te rekenen “dat de aangevraagde coloscopie op eigen initiatief van de afdeling gastro-enterologie en zonder enig overleg met verweerder is omgezet in een sigmoïdoscopie”. Overigens blijkt ook uit de door Van Dijk overgelegde stukken dat het ziekenhuis in Maastricht aansprakelijkheid heeft aanvaard voor de vertraging in het verrichten van de coloscopie bij de patiënte van klager.

Door een en ander onvermeld te laten hebben verweerders op een wezenlijk punt onvolledig en onevenwichtig over de kwestie bericht. Bijzondere omstandigheden die de handelwijze van verweerders op dit punt zouden kunnen rechtvaardigen, zijn gesteld noch gebleken. Op dit punt is de klacht gegrond.

(vgl. onder meer Van der Bruggen/Koolhoven en De Telegraaf, RvdJ 2005/27)

Ad 2.
Wat betreft het vermelden van de naam van klager overweegt de Raad het volgende. Voorop moet worden gesteld dat een nieuwsbericht zoveel mogelijk de gegevens dient te bevatten, die het het publiek mogelijk maken zich een waarheidsgetrouw beeld van het desbetreffende nieuwsfeit te vormen. Daartegenover staat dat, volgens het vaste oordeel van de Raad, de journalistieke verantwoordelijkheid met zich brengt dat de persoonlijke levenssfeer van degene over wie wordt gepubliceerd, niet verder mag worden aangetast dan in het kader van een open berichtgeving nodig is.
Bovendien is, volgens het vaste oordeel van de Raad, ten aanzien van het vermelden van persoonlijke gegevens van verdachten c.q. veroordeelden bijzondere terughoudendheid geboden. Een journalist dient zoveel mogelijk te voorkomen dat hij gegevens publiceert met behulp waarvan een verdachte of veroordeelde op eenvoudige wijze kan worden geïdentificeerd. Dat de identiteit van de betrokkene door een reportage bekend wordt, maakt de reportage evenwel op zichzelf niet onzorgvuldig, ook al is sprake van een inbreuk op de privacy van betrokkene. Een dergelijke inbreuk overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek alleen dan, indien deze inbreuk niet in redelijke verhouding staat tot het doel van de publicatie en derhalve een disproportionele aantasting van het privé-leven van de betrokkene vormt. Er dient derhalve een afweging plaats te vinden tussen het belang van de betrokkene bij de bescherming van zijn privacy enerzijds en mogelijke belangen van derden en het maatschappelijke belang anderzijds.

Tuchtzaken kunnen in zekere zin worden vergeleken met strafzaken. Bij tuchtzaken gaat het echter altijd om handelen van de betrokkene in de uitoefening van zijn beroep, de ‘onderneming’ van de betrokkene, en niet om zijn persoon. Met de openbaarmaking van tuchtrechtelijk verwijtbare fouten door advocaten, artsen, notarissen en soortgelijke functionarissen in de uitoefening van hun beroep, is het algemeen belang gemoeid. Het belang van de ‘onderneming’ van de betrokkene, dat mogelijk door die openbaarmaking wordt geschaad, valt niet onder het privacybelang dat de hiervoor gestelde norm beoogt te beschermen.
Daarbij komt dat in dergelijke kwesties in het algemeen door de vermelding van de naam van de betrokkene wordt voorkomen dat verwarring met diens beroepsgenoten ontstaat.

Gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval was het vermelden van klagers naam journalistiek relevant en is daarmee de privacy van klager niet disproportioneel geschaad.

(vgl. onder meer: X/www.nu.nl, RvdJ 2006/9, Gokmen/RTV Utrecht, RvdJ 2005/54, X/Zwolse Courant, RvdJ 2003/33)

BESLISSING

De klacht is gegrond voor zover deze is gericht tegen de wijze waarop is bericht over de problemen die een patiënte van klager heeft ondervonden bij het vaststellen van de juiste diagnose. Voor het overige is de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in HP/DeTijd te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 8 maart 2006 door mr. A. Herstel, voorzitter, drs. G.H.J.M. Bueters, prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, mw. F. Santing en mw. drs. P.C.J. van Schaveren, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.