2006/14 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

de hoofdredacteur van de Stentor/Zwolse Courant

Bij brieven van 16 en 21 november 2005 met een bijlage heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Stentor/Zwolse Courant (hierna: verweerder). Hierop heeft R. Krabben, adjunct-hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 20 december 2005.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 13 januari 2006 in aanwezigheid van klager en voornoemde Krabben.

DE FEITEN

Op 15 november 2005 is in de Stentor/Zwolse Courant een artikel verschenen onder de kop “Filatelist: sukkel of notoire oplichter”. Het artikel gaat over een strafzaak tegen klager. In het artikel is hij met initialen aangeduid. Verder is het adres van zijn winkel vermeld.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat in het artikel feiten zijn verdraaid en leugens zijn geponeerd met het doel om zijn bedrijf te vernielen. Zo bevat het artikel onder meer een uitspraak van de officier van justitie, die niet op enig bewijs is gebaseerd. Volgens klager bevat het artikel aldus ongefundeerde beschuldigingen aan zijn adres. Ter zitting voegt hij daaraan toe dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten wederhoor toe te passen.
Verder meent klager dat de regels van fatsoen zijn overschreden doordat hij in de kop ‘sukkel of notoire oplichter’ is genoemd.
Bovendien is zijn privacy onnodig geschaad doordat in het artikel het adres van zijn winkel is genoemd. Hij was weliswaar van plan om zijn winkel te sluiten, zoals in het artikel is vermeld, maar op basis van zijn economische situatie. Nu heeft hij ten gevolge van het artikel omzetschade geleden, aldus klager.
Ten slotte stelt hij dat hij verweerder eerder eens heeft benaderd met het verzoek om een artikel te schrijven over onrechtmatige handelingen van het kantongerecht en een deurwaarderskantoor. Verweerder heeft daar echter geen aandacht aan willen besteden.

Verweerder stelt dat het artikel een verslag van een openbare rechtszitting behelst. Daarin is een getrouw beeld geschetst van hetgeen zich op die zitting heeft afgespeeld. De objectiviteit noch de belangen van klager zijn uit het oog verloren. Van het doel het bedrijf van klager te vernielen is geen sprake, aldus verweerder.
Hij wijst erop dat in het artikel de visie van klager duidelijk naar voren komt. Zowel klager als diens raadsman worden uitvoerig geciteerd. Uiteraard zijn niet alle ter zitting naar voren gekomen details gepubliceerd, maar volgens verweerder is de door klager gevoerde argumentatie keurig samengevat.
Voorts stelt verweerder dat klagers advocaat de term ‘sukkel’ heeft gebezigd. De officier van justitie heeft klager omschreven als ‘notoire oplichter’. Beide uitspraken zijn opmerkelijk genoeg om in het verslag te worden aangehaald en in de kop te worden gebruikt.
Het verwijt dat in de krant niet eerder is ingegaan op de woede van klager over de handelwijze van een deurwaarder en een kantonrechter, acht verweerder voor de behandeling van de onderhavige klacht niet relevant.
Ter zitting heeft Krabben hieraan toegevoegd dat het artikel een weergave bevat van de standpunten van de partijen zoals die ter zitting naar voren zijn gebracht. Het beginsel van wederhoor is bij rechtbankverslaggeving niet aan de orde, aldus Krabben. Hij wijst er verder op dat ook in een eerdere publicatie over de kwestie de advocaat van klager aan het woord is gelaten.
Krabben heeft verder desgevraagd ter zitting meegedeeld dat in kwesties als deze steeds een belangenafweging wordt gemaakt. Het gaat hier om een onderneming en er zijn kennelijk meerdere mensen door klager benadeeld. Er bestond dan ook voldoende belang om over de kwestie te publiceren op de wijze zoals is gedaan.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht is allereerst gericht tegen de wijze waarop over de strafzaak tegen klager is bericht. Weliswaar is boven het bericht niet vermeld dat het afkomstig is van een rechtbankverslaggever, hetgeen bij dergelijke publicaties wellicht aanbeveling verdient, maar het is duidelijk dat in het artikel sprake is van rechtbankverslaggeving: het rapporteren van dat wat tijdens een openbare rechtszitting naar voren is gebracht.

De publicatie bevat enkele details over (de onderneming van) klager, die in het kader van de berichtgeving wellicht journalistiek minder relevant zijn. Verweerder had er ook voor kunnen kiezen wat zakelijker over de kwestie te berichten. Het is dan ook voorstelbaar dat de publicatie klager niet welgevallig is. Dat betekent echter niet dat grenzen van zorgvuldige journalistiek zijn overschreden. Immers, volgens het vaste oordeel van de Raad is bij rechtbankverslaggeving niet ontoelaatbaar dat standpunten van betrokken partijen enigszins worden aangezet en een niet geheel neutrale toon wordt gebruikt. Voorts heeft de Raad niet kunnen vaststellen dat de berichtgeving onjuistheden van betekenis bevat. Bovendien is in het kader van rechtbankverslaggeving de regel van hoor en wederhoor, behoudens bijzondere omstandigheden, niet aan de orde. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is niet gebleken. (vgl. onder meer: X/De Dordtenaar, RvdJ 2005/51)

Wat betreft het vermelden van het adres van klagers winkel overweegt de Raad het volgende. Voorop moet worden gesteld dat een nieuwsbericht zoveel mogelijk de gegevens dient te bevatten, die het het publiek mogelijk maken zich een waarheidsgetrouw beeld van het desbetreffende nieuwsfeit te vormen. Daartegenover staat dat, volgens het vaste oordeel van de Raad, de journalistieke verantwoordelijkheid met zich brengt dat de persoonlijke levenssfeer van degene over wie wordt gepubliceerd, niet verder mag worden aangetast dan in het kader van een open berichtgeving nodig is.
Bovendien is, volgens het vaste oordeel van de Raad, ten aanzien van het vermelden van persoonlijke gegevens van verdachten c.q. veroordeelden bijzondere terughoudendheid geboden. Een journalist dient zoveel mogelijk te voorkomen dat hij gegevens publiceert met behulp waarvan een verdachte of veroordeelde op eenvoudige wijze kan worden geïdentificeerd. Dat de identiteit van de betrokkene door een reportage bekend wordt, maakt de reportage evenwel op zichzelf niet onzorgvuldig, ook al is sprake van een inbreuk op de privacy van betrokkene. Een dergelijke inbreuk overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek alleen dan, indien deze inbreuk niet in redelijke verhouding staat tot het doel van de publicatie en derhalve een disproportionele aantasting van het privé-leven van de betrokkene vormt. Er dient derhalve een afweging plaats te vinden tussen het belang van de betrokkene bij de bescherming van zijn privacy enerzijds en mogelijke belangen van derden en het maatschappelijke belang anderzijds.
In dit verband acht de Raad het van belang dat de berichtgeving in eerste instantie ging om de onderneming van klager, zijn postzegelhandel, en niet om zijn persoon. Klager heeft gesteld dat ten gevolge van de publicatie zijn omzet is teruggelopen. Dit belang is echter niet het privacybelang dat de hiervoor gestelde norm beoogt te beschermen.
De berichtgeving gaat over vermeend strafrechtelijk handelen van klager als postzegelhandelaar, waarvan diverse klanten de dupe zouden zijn geworden. Aldus betreft het serieuze berichtgeving aan het publiek van maatschappelijk relevant nieuws. Het vermelden van het adres van klagers winkel was in dit verband functioneel en journalistiek niet onaanvaardbaar.
Daarbij komt dat door de wijze waarop de winkel van klager in de berichtgeving is aangeduid, is voorkomen dat wellicht andere postzegelhandels in diskrediet zouden worden gebracht. Het voorkomen van verwarring met andere postzegelhandels biedt evenzeer een rechtvaardiging voor de handelwijze van verweerder.
Gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval kan niet worden gezegd dat verweerder zijn journalistieke verantwoordelijkheid heeft miskend door het adres van klagers winkel te noemen.
(vgl. onder meer: X/www.nu.nl, RvdJ 2006/9, Gokmen/RTV Utrecht, RvdJ 2005/54, X/Zwolse Courant, RvdJ 2003/33)

Verder is de klacht gericht tegen het feit dat verweerder geen aandacht heeft willen besteden aan een door klager gewenst onderwerp. Ook op dit punt is de klacht ongegrond. Een redactie is immers, zoals de Raad herhaaldelijk heeft overwogen, vrij in haar selectie van nieuws. (vgl. onder meer: Geeraert/PZC, RvdJ 2005/63)

Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in de Stentor/Zwolse Courant te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 8 maart 2006 door mr. A. Herstel, voorzitter, drs. G.H.J.M. Bueters, prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, mw. F. Santing en mw. drs. P.C.J. van Schaveren, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.