2006/13 niet-ontvankelijk ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

F. Polak

tegen

de hoofdredacteur van het NOS-Journaal

Bij brief van 30 oktober 2005 met veertien bijlagen heeft F. Polak te Amsterdam (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het NOS-Journaal (hierna: verweerder). Hierop heeft H. Laroes, hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 15 november 2005.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 16 december 2005 in aanwezigheid van klager. Verweerder is daar niet verschenen. Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad een video-opname van de gewraakte uitzending bekeken.

DE FEITEN

Op 14 januari 2005 is in het NOS-Journaal een reportage uitgezonden over drugsoverlast in Zuid Limburg. Naar aanleiding daarvan heeft klager op 24 januari 2005 een e-mail aan de redactie gestuurd, waarin hij onder meer heeft geschreven:
Mijn bezwaar is dat geen andere opvattingen aan bod kwamen en dat er zelfs in het geheel geen vraagtekens werden geplaatst. (…) De Stichting Drugsbeleid, waarvan ik in het bestuur zit, zou graag de gelegenheid hebben gekregen om hier tegenover te stellen dat de zogenaamde drugsbestrijding zelf verantwoordelijk is voor de zwarte handel en alles wat daarbij hoort.
Bij e-mail van diezelfde datum heeft verweerder als volgt op klagers e-mail gereageerd:
Geachte her,
Dank voor uw brief. U snijd een thema aan dat wij niet kunnen oplossen, namelijk de fundamenteel van elkaar verschillende manieren waarop er tegen drugsgebruik en de drugsproblematiek kan worden aangekeken. Het is de overheid die uiteindelijk te koers bepaalt, wat daar ook van zij. (…) Wij registreren en rapporteren slechts en hebben geen andere eigenstandige positie als het over opvattingen t.a.v. de drugsproblematiek gaat. Binnen de huidige opvattingen is het gebrek aan politiemensen ergo opsporingscapaciteit dus een gegeven, en dat was de basis voor ons verhaal.

Klager heeft daarop geantwoord bij e-mail van 8 februari 2005. Daarin schrijft hij onder meer:
Ik weet echter niet of het mij gelukt is uw brief op de juiste wijze te interpreteren, en omdat het geen urgente maar wel een tamelijk principiële kwestie is, wilde ik het even laten bezinken alvorens mij weer tot u te richten.
Doe ik uw redenering onrecht, wanneer ik die als volgt samenvat?
Wanneer het over staand beleid gaat en wanneer u het probleem niet kunt oplossen, dan hoeft de publieke omroep geen andere dan de dominante opvatting weer te geven.
(…)
Als u heeft willen zeggen dat u niet bij elk bericht over een bepaalde kwestie andere meningen hoeft te laten horen, dan heb ik daarop twee reacties.
(…)
Het was een gemiste kans om bij uitzondering eens een evenwichtig verhaal over de drugsproblematiek te houden en daartoe ook vertegenwoordigers van organisaties aan het woord te laten die het huidige beleid, ook al is het democratisch tot stand gekomen, niet alleen onwerkzaam noemen, maar zelfs uitermate schadelijk.
Ik hoop van u te horen hoe u dit ziet.

Op 7 maart 2005 heeft klager verweerder per e-mail aan zijn bericht van 8 februari herinnerd en bij verweerder erop aangedrongen daarop te reageren. Op 8 maart 2005 heeft verweerder in een e-mail aan klager het volgende geschreven:
Het is inderdaad mijn gewoonte reacties van kijkers serieus te nemen. Dat is de reden waarom ik u destijds snel heb geantwoord. Ik krijg erg veel reacties, aangezien het NOS-Journaal veel kijkers trekt en veel mensen opvattingen hebben over wat wij al dan niet uitzenden. Journaals maken heeft mijn prioriteit, logischerwijs. Het betekent dat het mij niet goed mogelijk is om in een vorm van permanente discussie met individuele kijkers terecht te komen, hoe zeer ik hun opvattingen ook op prijs stel. U zult het niet met mij eens zijn, maar het is mijn enige manier om niet alleen achter mijn computer te zitten, maar ook andere aspecten van mijn werk aan de orde te laten komen.
Daarop heeft klager op 10 maart 2005 wederom een e-mail aan verweerder gestuurd.
Dat bericht bevat onder meer de volgende passages:
U houdt dus vol dat u serieus reageerde, maar het is veel waarschijnlijker dat u deze domme en onjuiste opmerkingen uit de losse pols hebt opgeschreven, omdat u het toch niet zo heel erg belangrijk vond. Ernstiger lijkt me dat deze opvatting van uw werk strijdig is met algemeen geldende opvattingen over de taak en functie van de publieke omroep en met uw eigen missie en programmastatuut. (…) Als u vindt dat een brievenschrijver lastig is of begint te zeuren, dan zegt u dat u niet in een “permanente discussie met individuele kijkers” wilt komen. Dit vind ik een beledigende opmerking. U kunt dit bovendien zelf voorkomen, door in eerste instantie meer aandacht aan uw antwoord te besteden. Ik deel u hierbij mee dat ik met uw reaktie op mijn e-mails geen genoegen neem, en verzoek u mij te laten weten hoe en bij wie ik mijn beklag kan doen over uw opvattingen en handelwijze.
Vervolgens heeft verweerder in een e-mail van diezelfde dag aan klager bericht dat deze zich kan wenden tot de redactiecommissie van het NOS-Journaal dan wel de directeur van NOS-RTV of – als klager het extern hogerop wil zoeken – tot de burgerrechter of de Raad voor de Journalistiek.

Op 14 maart 2005 heeft klager zich tot de redactiecommissie van het NOS-Journaal gewend met een klacht over de opvattingen van verweerder en diens handelwijze bij de beantwoording van klagers brieven. Op 28 juni 2005 heeft de voorzitter van de redactiecommissie klager per e-mail meegedeeld, kort gezegd, dat de commissie vindt dat de hoofdredacteur zich integer en voldoende heeft verantwoord jegens klager en dat zij de twijfels van klager over het functioneren van de hoofdredacteur niet deelt.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat verweerder in de uitzending van 14 januari 2005 eenzijdig en kritiekloos over het drugsbeleid heeft bericht. Daardoor wordt hij, als liefhebber van cannabis en als bestuurslid van de Stichting Drugsbeleid, persoonlijk en rechtstreeks in zijn belangen geschaad, aldus klager. Ter zitting voegt klager hieraan toe dat het een journalistieke keuze is om bij de berichtgeving over een bepaalde kwestie ook de andere kant te belichten. Dat dat hier niet is gebeurd, is jammer. Anders zou het een betere uitzending zijn geweest, aldus klager.
Hij stelt verder dat verweerder niet adequaat op zijn kritiek en argumenten is ingegaan. Door de laakbare opvattingen van verweerder is hij niet langer verzekerd van objectieve en evenwichtige berichtgeving in het NOS-Journaal. Ter zitting wijst klager erop dat verweerder de kijker uitnodigt om op uitzendingen van het NOS-Journaal te reageren. Dit brengt mee dat verweerder dan vervolgens serieus met reacties van kijkers behoort om te gaan, aldus klager. Overigens had hij niet gerekend op een reactie van verweerder maar op een reactie van een redacteur, met wie hij dan vervolgens graag over de kwestie had gediscussieerd.
Door de wijze waarop verweerder op zijn brieven heeft geantwoord en de redactiecommissie met zijn klacht is omgegaan, voelt hij zich niet serieus genomen. Klager ervaart dit als vernederend en meent dat verweerder en de redactiecommissie niet correct hebben gehandeld.
Desgevraagd deelt klager ten slotte mee dat hij destijds geen klacht over het programma heeft ingediend, omdat hij hoopte dat er een gesprek kon ontstaan. Nu hij de verdere handelwijze van verweerder ter beoordeling aan de Raad wil voorleggen, wenst hij ook een oordeel van de Raad over de uitzending.

Verweerder stelt dat klager een andere opvatting heeft over het Nederlandse drugsbeleid dan de meeste Nederlandse autoriteiten. Klager meent kennelijk dat dat in ieder gerelateerd onderwerp tot uiting moet komen, aldus verweerder. Volgens hem vindt klager impliciet dat hij dan de woordvoerder moet zijn. Verweerder wijst erop dat de andere denkwijze over de drugsproblematiek met een zekere regelmaat ook in het NOS-Journaal wordt gebracht, maar niet iedere keer.
Verweerder stelt verder dat hij de klacht van klager inhoudelijk heeft beantwoord. Hij heeft klager daarin serieus genomen, al is hij het niet eens met wat klager meldt. Daarna is hij overgegaan tot de orde van een andere dag, tot het beantwoorden van andere reacties, tot het maken van journaals.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Voor zover de klacht is gericht tegen de uitzending van 14 januari 2005 overweegt de Raad het volgende. Dat klager liefhebber is van cannabis en bestuurslid van de Stichting Drugsbeleid, is onvoldoende om hem ten aanzien van de klacht tegen de uitzending van 14 januari 2005 als rechtstreeks belanghebbende aan te merken. Klager is dan ook op dit punt niet-ontvankelijk in zijn klacht.
Ten overvloede merkt de Raad op dat een redactie vrij is in haar selectie van nieuws. Het is aan de redactie om te bepalen vanuit welke invalshoek(en) een onderwerp wordt belicht en in welke context het bericht wordt gebracht. Er bestaat geen journalistieke norm die meebrengt dat een (hoofd)redactie bij een publicatie over een bepaald onderwerp (alle) voor- en tegenstanders aan het woord dient te laten.

Ook indien klager wél in zijn klacht ontvankelijk zou zijn geweest, zou de klacht derhalve niet hebben kunnen leiden tot het oordeel dat verweerder, door het achterwege laten van publicaties als door klager gewenst, journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld. (vgl. onder meer: Geeraert tegen de Provinciale Zeeuwse Courant, RvdJ 2005/63)

De klacht richt zich voorts met name op de wijze waarop verweerder en de redactiecommissie klagers e-mails hebben beantwoord.

Met klager is de Raad van oordeel dat verweerder – door de kijker uit te nodigen op uitzendingen van het NOS-Journaal te reageren – bij de kijker de verwachting wekt dat hij met diens reactie serieus en adequaat zal omgaan.
Klager kan echter niet worden gevolgd in zijn kennelijke wens dat de Raad zal beoordelen of verweerder en de redactiecommissie voldoende beargumenteerd zijn ingegaan op datgene wat klager in zijn brieven aan de orde heeft gesteld. Aangezien het de redactie in beginsel vrij staat te bepalen of en hoe op de reacties van kijkers wordt gereageerd, dient de Raad in dit opzicht zeer terughoudend te toetsen.
De reacties van verweerder en de redactiecommissie zijn wellicht oppervlakkig en gehaast, gezien bijvoorbeeld de hoeveelheid spelfouten in verweerders e-mail van 24 januari 2005.
De Raad kan zich, mede hierdoor, voorstellen dat klager zich door verweerder en de redactiecommissie niet voldoende serieus genomen voelt. Dat betekent echter nog niet dat daarmee grenzen van zorgvuldige journalistiek zijn overschreden. Anders dan klager leest de Raad in die reacties echter geen beledigingen aan het adres van klager.
Naar het oordeel van de Raad bestaat derhalve geen grond voor de conclusie dat verweerder grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

Voor zover de klacht is gericht tegen de uitzending van 14 januari 2005 is klager in zijn klacht niet-ontvankelijk. Voor het overige is de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting op zijn website te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 27 februari 2006 door mw. mr. M.E. Leijten, voorzitter,
dr. M.J. Broersma, mw. A.C. Diamand, mw. C.J.E.M. Joosten en mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.