2006/11 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

J. Brander

tegen

de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant

Bij brief van 9 november 2005 met een bijlage heeft J. Brander te Twijzel (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant (hierna: verweerder). Hierop heeft R. Mulder, hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 30 november 2005.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 16 december 2005. Klager is daar verschenen, vergezeld van zijn echtgenote J. Terpstra, en heeft zijn klacht toegelicht aan de hand van een notitie. Verweerder is daar niet verschenen.

Een der leden van de Raad heeft zich verschoond. Klager heeft desgevraagd geen bezwaar gemaakt tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en overige leden.

DE FEITEN

Op 29 oktober 2005 is in de Leeuwarder Courant een artikel verschenen onder de kop “Weer bv van Brander failliet: 18 ontslagen”. Het artikel bevat onder meer de volgende passage:
De curator heeft nog enkele ijzers in het vuur. Hij rekent wel op een overboeking van € 110.000 door Joke Brander privé, een bedrag dat hij in het zicht van het faillissement van een van de bv’s aan zijn vrouw had overgemaakt.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat in het artikel ten onrechte is vermeld dat hij als bestuurder van een van zijn BV’s in het zicht van een faillissement geld heeft overgemaakt naar zijn echtgenote. Klager licht toe dat hij aandeelhouder en bestuurder is (geweest) van diverse vennootschappen. Alle vennootschappen waren ondergebracht in twee eenheden, te weten de Westerbaan-groep en de Brander-groep. De Westerbaan-groep deed zaken met de vennootschap Terpburg, die behoorde tot de Brander-groep. In verband met die zakelijke verhouding heeft Terpburg een bedrag van € 100.000,-- overgeboekt naar de Westerbaan-groep. De vordering van Terpburg op Westerbaan werd gecedeerd aan Brander. Vervolgens heeft Westerbaan kort voor het faillissement een bedrag van bijna € 100.000,-- aan Terpburg gefactureerd in verband met verrichte werkzaamheden. Dit bedrag is vervolgens verrekend in de rekening-courant verhouding van klager privé met Westerbaan. Die verrekening heeft geleid tot een geschil met de curator. Klager is veroordeeld het bedrag vermeerderd met rente en kosten te voldoen aan de boedel van Westerbaan en heeft daartegen hoger beroep ingesteld.
Kern van klagers bezwaar tegen de publicatie is enerzijds dat in het artikel ten onrechte wordt gesproken van overmaken van geld. Daarvan is in het geheel geen sprake, er zijn geen bankafschriften met een overboeking. Als dat wel het geval zou zijn geweest dan zou hij paulianeus hebben gehandeld, maar dat is niet aan de orde, aldus klager. Hij wijst er nog op dat verweerder in een eerdere publicatie in plaats van de aanduiding ‘overgemaakt’ wel de aanduiding ‘verrekend’ heeft gebruikt.
Anderzijds maakt klager er bezwaar tegen dat zijn echtgenote in de kwestie is betrokken, waardoor schuldeisers zich nu ten onrechte tot haar wenden. Klager merkt in dat verband op dat er geen vennootschap is met de naam van zijn echtgenote. De naam Terpburg is samengesteld uit de naam van zijn echtgenote en hun woonplaats.
Volgens klager heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld door niet de onderliggende stukken te bestuderen, te weten het openbare vonnis op grond waarvan hij is veroordeeld. Bovendien heeft verweerder ten onrechte nagelaten wederhoor toe te passen bij klager dan wel zijn echtgenote. Het is juist dat verweerder in de loop der tijd vaker over klager en zijn BV’s heeft gepubliceerd en klager in dat verband regelmatig heeft geïnformeerd, maar juist niet op de momenten dat dat nodig was. In dit geval heeft verweerder hem niet benaderd over het vermeende geschil met de curator. Desgevraagd heeft klager ter zitting meegedeeld dat hij zich met zijn bezwaren niet eerst tot verweerder heeft gewend, vanwege slechte ervaringen daarmee in het verleden.
Klager meent dat verweerder over meer informatie had kunnen beschikken teneinde een juiste weergave van de feiten te geven, als hij zijn werk zorgvuldig had uitgevoerd. Ten gevolge van de onzorgvuldige werkwijze van verweerder zijn hij en zijn echtgenote ten onrechte in een kwaad daglicht gezet.

Verweerder stelt dat vaststaat dat de curator aanspraak maakt op een bedrag van € 110.000,-- dat klager in het zicht van een dreigend faillissement heeft overgemaakt. Daarover heeft de curator een mededeling gedaan aan de redacteur die het gewraakte artikel heeft geschreven. Volgens verweerder meent de curator dat hij gezegd heeft dat Brander het geld heeft overgemaakt naar ‘een naar zijn echtgenote genoemde BV’, terwijl de redacteur zeker weet dat de curator heeft gezegd ‘naar zijn echtgenote’. Als de curator of klager hem direct na publicatie daarover zou hebben benaderd, dan zou hij er meteen op zijn teruggekomen en hebben gemeld dat het geld volgens de curator naar de bewuste BV was overgemaakt. Van klager heeft hij pas iets gehoord via de onderhavige klacht en van de curator pas nadat de redactie hem naar aanleiding van deze klacht heeft benaderd.
Verder merkt verweerder op dat het gewraakte bericht er een is uit een zeer lange reeks die begon in november 2002. Al vanaf dat moment heeft de curator de verdenking geuit dat klager op ontoelaatbare wijze geld en goederen aan verschillende faillissementen had onttrokken, hetgeen klager uiteraard ontkende. Het geschil leidde in 2003 tot een rechtszaak die ten gunste van de curator is beslecht. De inzet daarbij was een bedrag dat vele malen hoger was dan het bedrag waarover nu wordt getwist. Over deze zaken is in de Leeuwarder Courant frequent bericht, waarbij klager regelmatig en uitvoerig aan het woord is gelaten. De mededeling van de curator over de € 110.000,-- was feitelijk geen nieuwe beschuldiging die per se direct aan klager moest worden voorgelegd. Klager heeft in deze lang slepende zaak al vele malen zijn versie van de werkelijkheid kunnen geven. Als er sprake is van een kwalijk daglicht dan is dat niet aan de krant te wijten.
Verweerder concludeert dat hij binnen de grenzen van het journalistiek betamelijke is gebleven.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht heeft betrekking op de zin “Hij rekent wel op een overboeking van € 110.000 door Jouke Brander privé, een bedrag dat hij in het zicht van het faillissement van een van de bv’s aan zijn vrouw had overgemaakt.
Met deze zin wordt de indruk gewekt dat klager een handeling heeft verricht waardoor zijn echtgenote de beschikking heeft gekregen over een bedrag van € 110.000,--, teneinde dat bedrag te onttrekken aan een BV die op het punt stond failliet te gaan en daarmee crediteuren te benadelen en zijn echtgenote onrechtmatig te bevoordelen.
Deze zin behelst derhalve een ernstige beschuldiging aan klagers adres, die grote consequenties voor zowel klager als zijn echtgenote meebrengt. Klager heeft immers onbetwist gesteld dat schuldeisers zich nu tot zijn echtgenote wenden. Deze beschuldiging werpt een zodanige smet op klager en zijn echtgenote dat deze niet zonder deugdelijke feitelijke grondslag gepubliceerd had mogen worden. Een dergelijke grondslag ontbreekt echter. Niet is gebleken dat sprake is van bevoordeling van klagers echtgenote. Door ten onrechte te suggereren dat dat wel het geval is, heeft verweerder journalistiek onzorgvuldig gehandeld.

Verder dient, volgens het vaste oordeel van de Raad, een journalist bij het publiceren van ernstige beschuldigingen met bijzondere zorgvuldigheid te werk te gaan. Die bijzondere zorgvuldigheid brengt in het algemeen onder meer mee dat wederhoor dient te worden toegepast. Niet ter discussie staat dat dat hier niet is gebeurd. Verweerder heeft in dat verband aangevoerd dat hij klager in het verleden herhaaldelijk de gelegenheid heeft geboden te reageren. Echter, als een eerdere reactie van klager al mede betrekking had op de vermeende bevoordeling van zijn echtgenote, dan had verweerder die reactie ook in het onderhavige artikel dienen te verwerken. En indien verweerder die beschuldiging niet eerder voor commentaar aan klager had voorgelegd, had hij dat nu behoren te doen.

Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerder grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk toelaatbaar is.

(vgl. onder meer: Rutten tegen Maandag, Zaagsma, IJmuider Courant en Noordhollands Dagblad, RvdJ 2005/60 en Escape tegen www.klokkenluideronline.nl, RvdJ 2005/61)

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in de Leeuwarder Courant te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 20 februari 2006 door mw. mr. M.E. Leijten, voorzitter, mw. A.C. Diamand, mw. C.J.E.M. Joosten en mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.