2005/9 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

M. Schoenmaker

tegen

W. Koevoet en de hoofdredacteur van het Haarlems Dagblad

Bij brief van 2 december 2004 met een bijlage heeft M. Schoenmaker te Hoofddorp (klager) een klacht ingediend tegen W. Koevoet en de hoofdredacteur van het Haarlems Dagblad (verweerders). Hierop heeft H.P.M.J. Schneider, hoofdredacteur, mede namens Koevoet geantwoord in een brief van 16 december 2004 met twee bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 4 februari 2005, in aanwezigheid van klager en voornoemde Schneider.

Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, hebben partijen desgevraagd laten weten geen bezwaren te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

Op 2 december 2004 is in het Haarlems Dagblad een artikel van de hand van Koevoet verschenen onder de kop “’Gemeente meet met twee maten’ - Vragen over schutting van oud-wethouder”. De intro van het artikel luidt:
Oud-wethouder M. Schoenmaker (VVD) en de koper van zijn huis in de Hoofddorpse Piratenwijk hebben een voorkeursbehandeling genoten van de gemeente. Zij mogen de schutting op het stuk tuin dat ze in bruikleen hebben gekregen van de gemeente laten staan. Andere Haarlemmermeerders moeten hun ‘getimmerten’ verwijderen.
Verder is in het artikel onder meer vermeld dat twee polderbewoners de PvdA over de schuttingkwestie hebben ingelicht, dat dit reden is voor PvdA-raadslid J. van Popering schriftelijke vragen over de schutting te stellen en dat zij op verzoek van haar informanten hun identiteit niet bekend maakt.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens klager is het artikel dermate stellig is gesteld dat een onoplettende lezer de beweerde misstanden voor waar zou kunnen aannemen. De hele intro van het artikel kent geen enkele zin waarin staat dat het hier slechts om beweringen gaat van enkele anonieme bronnen, aldus klager. Verder stelt hij dat verweerders ten onrechte hebben nagelaten hoor en wederhoor toe te passen.
Klager betoogt dat hij door de publicatie in zijn eer en goede naam is aangetast, omdat ten onrechte is gesuggereerd dat hij zich de vermeende voorkeursbehandeling zou hebben laten welgevallen, hetgeen voor een integer bestuurder onverteerbaar is.

Verweerders stellen voorop dat zij, direct nadat zij kennis hebben genomen van de klacht van klager, contact met hem hebben opgenomen, om te bezien of partijen gezamenlijk tot een oplossing konden komen. Klager heeft toen echter laten weten dat hij geen behoefte had aan verdere publiciteit en dat hij de kwestie door de Raad wilde laten beoordelen. Verweerders benadrukken dat het Haarlems Dagblad als beleid heeft dat eventuele fouten snel en ruimhartig worden rechtgezet.
Wat betreft de inhoud van het artikel stellen verweerders dat de publicatie niet op zichzelf staat. Aan de kwestie zijn eerder, op 24 en 25 november 2004, twee artikelen gewijd, waarbij klager ruimschoots de gelegenheid heeft gehad te reageren op de beschuldigingen van Van Popering.
Verder is klager ten aanzien van de inhoud van het onderhavige artikel niet om commentaar gevraagd, omdat de schriftelijke vragen waren gericht aan het college van Burgemeester en Wethouders en niet aan het adres van klager. De strekking van het artikel is immers niet dat de wethouder, maar dat de gemeente ‘met twee maten meet’, aldus verweerders
Verweerders erkennen dat in de intro van het gewraakte artikel ten onrechte niet naar de nieuwsbron – raadslid Van Popering – wordt verwezen. Overigens wordt die bron wel diverse keren in het artikel genoemd en blijkt uit de kop dat de beschuldiging een citaat is.
Ten slotte heeft Schneider ter zitting hieraan toegevoegd dat het strikt genomen gaat om beschuldigingen aan het adres van de gemeente, maar dat impliciet een verwijt aan klager wordt gemaakt. Verweerders hadden dan ook onverplicht, als royaal gebaar wederhoor bij klager toe kunnen passen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De intro van het artikel bevat een aantal beschuldigingen geuit door raadslid Van Popering, die als vaststaande feiten worden gepresenteerd. Zoals verweerders hebben erkend, is dat ten onrechte gebeurd. Hoewel voor de hand had gelegen dat klager in was gegaan op de uitnodiging van verweerders om tot een oplossing te komen, neemt dat niet weg dat de berichtgeving ten onrechte is gepresenteerd als vaststaand. Verweerders hebben derhalve op dit punt grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk toelaatbaar is.

Verder heeft klager gesteld dat verweerders ten onrechte hebben nagelaten hoor en wederhoor toe te passen. De Raad deelt dit standpunt niet. De beschuldigingen van het raadslid waren immers niet aan het adres van klager gericht, maar aan het college van Burgemeester en Wethouders van Haarlemmermeer. Zoals verweerders terecht naar voren hebben gebracht, was het derhalve niet vereist klager om commentaar te vragen. Overigens is de Raad van oordeel dat klager in een van de eerder gepubliceerde artikelen ruimschoots de gelegenheid heeft gehad te reageren op de beschuldigingen van het raadslid. Er bestaat dan ook geen grond voor de conclusie dat verweerders journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld door ten aanzien van het gewraakte artikel geen wederhoor bij klager toe te passen. Op dit punt is de klacht derhalve ongegrond.

BESLISSING

Voor zover de klacht is gericht tegen de stelligheid van het artikel is deze gegrond. Voor het overige is de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in het Haarlems Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 25 februari 2005 door mr. A. Herstel, voorzitter, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, mw. E.H.C. Salomons en mw. drs. B.L.W. Tillema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.