2005/8 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Stichting Nidos jeugdbescherming voor vluchtelingen

tegen

de hoofdredacteur van De Telegraaf

Bij brief van 14 december 2004 met drie bijlagen heeft Stichting Nidos jeugdbescherming voor vluchtelingen te Utrecht (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Telegraaf (verweerder). Onder begeleidend schrijven van 4 januari 2005 heeft klaagster nog een bijlage overgelegd. Namens verweerder heeft H. Nijen Twilhaar op de klacht geantwoord in een brief van 13 januari 2005.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 14 januari 2005. Aan de zijde van klaagster waren mr. E. Faber, directie secretaris, en M. Berk, woordvoerder, aanwezig. Verweerder is daar niet verschenen.

DE FEITEN

Op 6 oktober 2004 is op de voorpagina van De Telegraaf een artikel van de hand van H. Nijen Twilhaar verschenen onder de kop “Meisje (6) weggevoerd onder ogen schoolklas”. Het bericht gaat over een voogdijpupil van klaagster. Bij het artikel is een foto van het meisje geplaatst. In het artikel is voornoemde Berk aan het woord gelaten.

Bij brief van 6 oktober 2004 heeft klaagster haar bezwaren tegen de publicatie aan verweerder kenbaar gemaakt. Verder heeft op die dag een gesprek tussen Nijen Twilhaar en voornoemde Faber plaatsgevonden.

Vervolgens is op 7 oktober 2004 in De Telegraaf opnieuw een artikel over de kwestie verschenen, wederom van de hand van Nijen Twilhaar. Ook bij dit artikel, waarin Faber aan het woord is gelaten, is een foto van het meisje geplaatst.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat zij de wettelijk vertegenwoordiger is van het meisje over wie het bericht gaat. De publiciteit is ontstaan naar aanleiding van de overplaatsing van het meisje naar een nieuw pleeggezin. Klaagster heeft het besluit tot die overplaatsing zorgvuldig en weloverwogen genomen, in het belang van het meisje.
Klaagsters bezwaar tegen de publicaties van 6 en 7 oktober 2004 betreft met name de plaatsing van de foto’s van haar voogdijpupil. Die foto’s zijn zonder haar toestemming gepubliceerd. Door de publicaties zijn de belangen van het meisje geschaad, omdat het voor haar en haar omgeving ernstig bemoeilijkt wordt in rust haar leven verder te leiden, aldus klaagster. Ervaring heeft haar geleerd dat voogdijpupillen die in het verleden op herkenbare wijze in de media in beeld zijn gebracht, negatieve aandacht van landgenoten hebben ondervonden en daar een groot gevoel van onveiligheid aan overhielden. Door dergelijke publicaties konden bijvoorbeeld ook de kinderen die waren ontkomen aan mensensmokkelaars, door diezelfde mensensmokkelaars gevonden worden. Doordat de jongeren herkenbaar in beeld waren gebracht, kwamen zij in een zeer onveilige situatie te verkeren, aldus klaagster.
Zij stelt verder dat Faber in het gesprek van 6 oktober 2004 aan Nijen Twilhaar heeft meegedeeld dat klaagster die dag een klacht bij De Telegraaf zou indienen. Verder heeft Faber Nijen Twilhaar er toen opgewezen dat voor publicatie van een foto van een voogdijpupil de toestemming van de wettelijk vertegenwoordiger nodig is, en dat die toestemming in dit geval niet zou worden gegeven. Niettemin heeft verweerder op 7 oktober 2004 opnieuw een foto van het meisje geplaatst.
Volgens klaagster dient de privacy van minderjarigen onder alle omstandigheden te worden beschermd. Hiertoe is onder meer bepaald dat in veel situaties die minderjarigen betreffen, expliciet toestemming van hun wettelijk vertegenwoordiger nodig is. Meestal is dit een van de ouders, maar in het onderhavige geval is dat klaagster. De achtergrond is dat jeugdigen vaak niet goed de gevolgen kunnen overzien als zij in de media met naam en foto worden gepresenteerd, aldus klaagster. Zij meent dat het belang om jeugdigen hiertegen te beschermen sterker wordt naarmate het desbetreffende kind jonger is. In dit geval gaat het bovendien om een alleenstaande minderjarige asielzoeker van wie de achtergrond in het land van herkomst en haar vluchtmotief onbekend zijn. Die onbekendheid maakt het voor klaagster noodzakelijk om de veiligheid van het meisje zo goed mogelijk te waarborgen. Daarnaast speelt in deze kwestie een belangrijke rol dat de publiciteit is gezocht door de pleegouders, met de inzet om het meisje te mogen blijven opvangen. Dat is echter een strijd waar het meisje buiten staat. Het plaatsen van haar foto schaadt haar derhalve dubbel, aldus klaagster.
Zij betoogt dat verweerder met de publicatie van de foto tot twee keer toe haar taak als voogd ernstig heeft bemoeilijkt.
Verder maakt klaagster bezwaar tegen de vooringenomen, beschuldigende wijze waarop Nijen Twilhaar haar tegemoet is getreden, toen hij op 5 oktober 2004 contact met haar zocht. Volgens klaagster heeft Nijen Twilhaar in zijn contact met haar woordvoerder M. Berk geen objectieve en onbevooroordeelde wederhoor toegepast. Daardoor heeft het artikel ten onrechte een tendentieuze strekking gekregen en zijn daarin onjuistheden opgenomen, aldus klaagster.

Verweerder stelt dat de redactie Nieuwsdienst op 5 oktober 2004 telefonisch werd benaderd door de pleegouders van het meisje, met het bericht dat die dag hun tijdelijk toegewezen pleegdochter door medewerkers van klaagster in bijzijn van de politie te midden van andere leerlingen uit haar klas was weggehaald. Verder meldde het echtpaar dat medewerkers van klaagster vervolgens een briefje in hun brievenbus hadden gedeponeerd met de mededeling dat hun pleegkind was meegenomen.
Nijen Twilhaar heeft op 5 oktober 2004 diverse telefoongesprekken gevoerd met de pleegouders en de schooldirecteur. Daarbij werd hem in detail verteld hoe klaagster te werk was gegaan. De schooldirecteur deelde mee dat de paniek onder de medeleerlingen groot was en dat de ouders allemaal een brief hadden ontvangen over het voorval. Zonodig zou zelfs Slachtofferhulp worden ingeschakeld. Nadat Nijen Twilhaar het relaas van de pleegouders en de schoolleiding had aangehoord, heeft hij contact gezocht met klaagster, hetgeen resulteerde in een gesprek met Berk. In dat gesprek deelde Berk mee dat de pleegouders op de hoogte waren van de tijdelijke plaatsing en dat het ‘de normaalste zaak’ was om het meisje op deze manier weg te halen, omdat de pleegouders geen gehoor hadden gegeven aan eerdere oproepen om mee te werken. Verder is nog contact gezocht met de korpsleiding van de politie, die heeft bevestigd dat klaagster had gevraagd twee politiemensen beschikbaar te stellen, voor het geval er problemen op school zouden ontstaan.
Volgens verweerder is aldus op basis van uitgebreid toepassen van hoor en wederhoor het artikel van 6 oktober 2004 tot stand gekomen. De feiten die in dat artikel zijn vermeld, behelzen een weergave van alle gevoerde gesprekken.
Wat betreft de publicatie van de foto bij het artikel van 6 oktober 2004 stelt verweerder dat de pleegouders van het meisje daaraan hun medewerking hebben verleend. Er is een foto uit hun familiealbum gereproduceerd en zij hebben nadrukkelijk toestemming voor publicatie gegeven. Verweerder is ervan uitgegaan dat het gezag en de verantwoordelijkheid op dat moment bij de pleegouders berustten. De opmerking dat het meisje door de publicaties schadelijke gevolgen zal ondervinden, acht verweerder voor rekening van klaagster. Die gevolgen zijn volgens hem in de gesprekken met klaagster niet ter sprake gekomen.
Verder stelt verweerder dat na de publicatie van 6 oktober 2004 veel andere media aan de kwestie aandacht hebben besteed en dat in die berichtgeving telkens de foto van het meisje is getoond. Door alle media-aandacht ontstond die dag veel discussie over en kritiek op de handelwijze van klaagster. Daarom is op 7 oktober 2004 een vervolgartikel gepubliceerd. Vanwege de maatschappelijke relevantie heeft Nijen Twilhaar voorafgaand aan die publicatie opnieuw contact gezocht met klaagster. In zijn gesprek met Faber legde deze opnieuw uit waarom het meisje uit de klas was gehaald. Die feiten zijn vermeld in het artikel. Bovendien is wederom contact gezocht met de schooldirecteur, die meedeelde dat hij geen medewerking wilde verlenen aan de actie van klaagster. Aldus is wederom uitgebreid hoor en wederhoor toegepast, aldus verweerder.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht richt zich allereerst tegen de plaatsing van foto’s van de voogdijpupil van klaagster. Volgens het vaste oordeel van de Raad brengt de journalistieke verantwoordelijkheid met zich mee dat de persoonlijke levenssfeer van degene over wie wordt gepubliceerd, niet verder mag worden aangetast dan in het kader van een open berichtgeving nodig is. Een journalist zal daarbij steeds een afweging dienen te maken tussen het belang dat met de publicatie is gediend en de belangen die door de publicatie worden geschaad, en moeten vermijden dat nodeloos schade wordt toegebracht.
Niet is gebleken van een zodanig belang dat met de plaatsing van foto’s was gediend, dat de privacy van de voogdijpupil van klaagster daarvoor in redelijkheid moest wijken. Verweerder had de plaatsing van die foto’s achterwege kunnen laten, zonder dat afbreuk zou zijn gedaan aan de inhoud en nieuwswaarde van de berichtgeving.
Verweerder heeft nog betoogd dat hij voor de publicatie van de foto’s toestemming heeft verkregen van de pleegouders van het meisje en dat hij ervan mocht uitgaan dat het gezag en de verantwoordelijkheid ter zake bij de pleegouders berustten. Dit betoog gaat echter niet op. Het was immers aan verweerder bekend dat het meisje op gezag van klaagster bij de pleegouders werd weggehaald. Hij had derhalve kunnen en moeten begrijpen dat hij in dit geval niet mocht afgaan op de door de pleegouders verleende toestemming tot publicatie van de foto’s.
Door de foto’s van het meisje te plaatsen heeft verweerder derhalve grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. (vgl. Doeve tegen Radio en TV Gelderland en de Stentor, RvdJ 2004/97)

Klagers hebben voorts betoogd dat sprake is van tendentieuze, onjuiste berichtgeving en dat onvoldoende hoor en wederhoor is toegepast. Echter, gesteld noch gebleken is dat de berichtgeving onjuistheden van betekenis bevat. Verder staat vast dat Nijen Twilhaar voorafgaand aan de publicatie van beide artikelen contact met medewerkers van klaagster heeft gehad en hun om commentaar heeft gevraagd. Niet kan worden gezegd dat in de artikelen voor die reacties slechts een zodanig beperkte plaats is ingeruimd dat geen behoorlijke toepassing is gegeven aan het recht op wederhoor, terwijl niet is gebleken dat die reacties onjuist zijn weergegeven. Overigens is ter zitting zijdens klaagster aangevoerd dat zij gezien de aard van de kwestie slechts op hoofdlijnen commentaar kon geven. Voor zover de beweegredenen van klaagster tot overplaatsing van het meisje al onvoldoende in de berichtgeving naar voren zijn gekomen, kan dit verweerder dan ook niet worden verweten. Op dit punt is de klacht derhalve ongegrond.

BESLISSING

Voor zover de klacht is gericht tegen de plaatsing van de foto’s van de voogdijpupil van klaagster is deze gegrond. Voor het overige is de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 18 februari 2005 door mw. mr. M.E. Leijten, voorzitter, mw. A.C. Diamand, prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, T.R. Harkema en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.