2005/71 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

H.D. Melchers

tegen

de hoofdredacteur van De Telegraaf

Bij brief van 30 september 2005 met achttien bijlagen heeft mr. H.F. Doeleman, advocaat te Amsterdam, namens H.D. Melchers (hierna: klager), een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Telegraaf (hierna: verweerder). Hierop heeft mr. K. Gilhuis, advocaat te Amsterdam, namens verweerder geantwoord in een brief van 27 oktober 2005 met twintig bijlagen. Mr. Doeleman heeft daarop nog gerepliceerd in een brief van 31 oktober 2005 met zes bijlagen. Ten slotte heeft mr. Gilhuis op die repliek gereageerd in een schrijven van 1 november 2005 met twee bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 4 november 2005. Namens klager was mr. Doeleman daar aanwezig. Aan de zijde van verweerder zijn mr. Gilhuis en A. Reekers, adjunct-hoofdredacteur, verschenen. Mr. Doeleman en mr. Gilhuis hebben de standpunten van partijen toegelicht aan de hand van pleitnotities.

DE FEITEN

Op 12 september 2005 is Claudia Melchers, de dochter van klager, ontvoerd. Zij is op 15 september 2005 door haar ontvoerders vrijgelaten. Diezelfde dag heeft een persconferentie plaatsgevonden, waarin de politie heeft bekendgemaakt dat de ontvoerders 300 kilo cocaïne als losgeld hebben geëist. Aan deze zaak is door de media veel aandacht besteed. Zo is op 15 september 2005 op www.telegraaf.nl een artikel geplaatst onder de kop "’Drugshandel mogelijk achtergrond ontvoering’”. De door klager overgelegde uitdraai van dit artikel bevat de volgende passage:
De ontvoering van Claudia Melchers moet gezien de eis van 300 kilo cocaïne voor haar vrijlating bijna wel zeker te maken hebben met enige betrokkenheid van de familie bij drugshandel. "Zo'n eis is niet logisch als het misdrijf niets met drugs te maken heeft", zegt een van hen. "Zo'n partij moet je voorstellen als driehonderd pakken suiker. Dat is niet praktisch om mee te nemen." Men wijst er op dat de politie nooit aan zo'n partij kan komen en ook een gewone burger niet. Het is dus geen reële eis. Ook zal de politie hier nooit aan meewerken. Zulke partijen moeten criminelen bestellen in Zuid-Amerika. En daar zit wat de politiemensen betreft ook de essentie van het verhaal."
Voorts wordt in het artikel het volgende vermeld:
Een andere politiebron benadrukt dat bijna alle ontvoeringen in het criminele milieu plaatsvinden. "Het is zeker niet ongewoon dat er iemand wordt ontvoerd om een partij drugs terug te krijgen als die bijvoorbeeld niet is betaald. Vaak gaat dat buiten het publiek en de politie om. Als dit scenario voor deze zaak zou gelden, is de politie nu wel bij de ontvoering betrokken geraakt. Dat kan de zaak hebben verstoord. Uit de beschrijving van de ontvoerders blijkt dat twee van hen vermoedelijk van Zuid-Amerikaanse afkomst zijn. Ze spraken Engels. Ook dit zijn aanwijzingen voor het geschetste scenario."

Verweerder heeft eveneens een uitdraai overgelegd van dit artikel. De tekst van deze uitdraai komt nagenoeg overeen met de door klager overgelegde versie. De kop van de door verweerder overgelegde versie luidt “’Drugshandel waarschijnlijk achtergrond ontvoering’”. Bovendien zijn na de eerste zin “De ontvoering van Claudia Melchers moet gezien de eis van 300 kilo cocaïne voor haar vrijlating bijna wel zeker te maken hebben met enige betrokkenheid van de familie bij drugshandel.” de volgende twee zinnen toegevoegd:
Dat stellen bronnen binnen de politie die zich met de bestrijding van grootschalige drugshandel bezighouden. Ze zijn overigens niet direct betrokken bij het onderzoek naar de ontvoering van Melchers.

Vervolgens is op 16 september 2005 een tweetal artikelen op de website van verweerder geplaatst. In het artikel onder de kop "Ruim 70 tips over ontvoeringszaak Melchers" wordt aandacht besteed aan de voortgang en ontwikkelingen van het onderzoek naar de ontvoerders. In dat artikel is onder meer de volgende passage opgenomen:
"Bronnen binnen de politie, die niet met dit onderzoek zijn belast, vermoeden dat de omgeving of de familie van Claudia Melchers betrokken is bij drugshandel. De kidnappers eisten 300 kilo cocaïne. "We zullen breed en alles onderzoeken", aldus het OM. De politie liet vrijdagmiddag weten dat politie en justitie de suggesties in de media van de hand wijzen. "Het onderzoek richt zich op het vinden van de daders en daarbij is tot nu toe geen enkele aanwijzingen gevonden dat de familie betrokken is bij drugshandel, noch dat de familieleden van het slachtoffer enig contact hebben gehad met de ontvoerders." De familie Melchers liet weten geen geld of goederen aan de gijzelnemers te hebben overhandigd."
Het artikel met de kop "Familie Melchers geschokt door berichten", bevat onder meer de volgende passage:
"De familie van Claudia Melchers is "geschokt door de vele onjuiste en kwetsende speculaties over een mogelijke betrokkenheid van de familie met drugshandel." Dat stelde de familie vrijdagmiddag in een persverklaring. Ze verwijst nog naar een bericht waarin de politie eerder op de dag meldde dat tot nu toe geen enkele aanwijzing is gevonden dat de familie betrokken is bij drugshandel.
Diverse deskundigen binnen de politie stelden donderdag dat de ontvoering van Claudia Melchers gezien de eis van 300 kilo cocaïne voor haar vrijlating bijna zeker te maken moet hebben met enige betrokkenheid van de familie bij drugshandel. Claudia Melchers en haar familie spreken voorlopig niet met de pers over de ontvoeringszaak.
"

Voorts is op 25 september 2005 zowel in De Telegraaf als op www.telegraaf.nl een artikel geplaatst met de kop "Doorbraak in Melchers-zaak". In dat artikel is onder meer de volgende passage opgenomen:
"Rechercheurs hebben afgelopen week de locatie gevonden waar de vrouw is vastgehouden. (…) Waar ze is vastgehouden, mag in het belang van het onderzoek nog niet bekend worden. Wel heeft de recherche inmiddels 'zicht op de dadergroep'. Deze is mogelijk afkomstig uit een kleine kring rond de familie van chemiebaron Hans Melchers, zo blijkt uit vertrouwelijke politie-informatie."
Het artikel eindigt met de passage:
"Of er een verband is met het drugsmilieu (…) staat niet vast. De familie heeft verdenkingen over betrokkenheid in het drugscircuit steeds weersproken."

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Allereerst betwist klager dat rechercheurs van de (Amsterdamse) politie zich tegenover verweerder hebben uitgelaten over deze zaak, terwijl zij met de opsporing in deze zaak geen bemoeienis hebben en dus geen zicht hebben op alle relevante feiten en omstandigheden. Volgens klager zal geen weldenkende politieambtenaar zich er aan wagen dergelijke informatie aan de media te verschaffen. Klager heeft de indruk dat verweerder, door zich te verschuilen achter anonieme politieambtenaren, een truc heeft toegepast teneinde een verband te kunnen leggen tussen de losgeldeis en de beweerde betrokkenheid van klager en/of zijn familie bij de handel in drugs. Maar zelfs indien verweerder wèl informatie van rechercheurs zou hebben ontvangen, stond het hem niet vrij dergelijke beschuldigingen openbaar te maken. Hij had niet zo maar af mogen gaan op de informatie van deze rechercheurs, die naar eigen zeggen niet bij het onderzoek waren betrokken. Volgens klager kunnen deze rechercheurs niet worden beschouwd als (inhoudelijk) betrouwbare informanten. Bovendien had verweerder moeten begrijpen dat het die rechercheurs niet vrijstond, mede in verband met hun ambtsinstructie, mededelingen aan verweerder te doen. Verweerder mocht niet afgaan op dergelijke beschuldigingen, althans abjecte speculaties, aldus klager.
Hij wijst erop dat verweerder het artikel van 15 september 2005 heeft gepresenteerd als de vrucht van eigen nieuwsgaring. Verweerder heeft later gesteld dat dat artikel is gebaseerd op een ANP-bericht van diezelfde datum. Volgens klager heeft verweerder het risico genomen dat het ANP-bericht ondeugdelijk was. Verweerder had dat bericht niet klakkeloos mogen overnemen en kan zich daarachter niet verschuilen, aldus klager. Bovendien is gebleken dat verweerder bij het overnemen slordig te werk is gegaan, door na de eerste alinea geen melding te maken van ‘bronnen binnen de politie’.
Klager acht het onzorgvuldig dat verweerder zonder nader deugdelijk onderzoek klager en zijn familie heeft beschuldigd van ‘betrokkenheid bij drugshandel’. Bovendien heeft verweerder voorafgaand aan het publiceren van de beschuldigingen geen wederhoor toegepast, zodat klager niet in de gelegenheid is gesteld de beschuldiging te weerspreken en zonodig (rechts)maatregelen te nemen ter voorkoming van onrechtmatige publicatie. Dat later wel de ontkenning door de familie van betrokkenheid bij drugshandel is gepubliceerd maakt dat niet anders. Daarmee is de eerdere beschuldiging niet weggenomen. Die beschuldiging blijft juist hangen en wordt nog eens versterkt door sec te vermelden dat de familie ontkent iets met drugshandel te maken te hebben.
Volgens klager heeft verweerder zich aldus schuldig gemaakt aan ernstige belediging van klager en zijn familie, en is klager rechtstreeks in zijn belangen getroffen. Volgens klager heeft verweerder kennelijk geen enkel oog gehad voor zijn belangen en die van zijn familie. De familie wordt door de gepubliceerde beschuldigingen extra hard getroffen. Voor het publiek zal klager nog jarenlang in verband worden gebracht met handel in drugs, de latere tegenspraak van de leiding van het opsporingsonderzoek ten spijt.
Zelfs nadat klager en zijn familie de beschuldiging over betrokkenheid bij handel in drugs nog eens uitdrukkelijk hadden weersproken is verweerder toch doorgegaan met het uiten van de beschuldigingen in het artikel van 25 september 2005. Volgens klager heeft verweerder in dat artikel de term ‘chemiebaron’ bewust gebruikt vanwege de negatieve connotatie.
De vrijheid van meningsuiting gaat volgens klager niet zover dat ongefundeerde beschuldigingen als de onderhavige mogen worden geuit.
Ter ondersteuning van zijn standpunten wijst klager nog op eerdere door verweerder gepubliceerde artikelen, waarin klager ten onrechte in verband wordt gebracht met de dood van zijn vroegere echtgenote. Volgens klager bieden deze publicaties een bijkomende omstandigheid die de klachtwaardige gedraging – klager ten onrechte in verband brengen met de handel in drugs – negatief inkleurt. Verweerder had zich moeten realiseren dat hij niet ten tweede male een feitelijk onjuiste en uiterst suggestieve en beledigende beschuldiging had mogen publiceren zonder deugdelijk onderzoek, slechts op basis van de losgeldeis en zonder hoor en wederhoor.
Klager concludeert dat sprake is van onzorgvuldig journalistiek handelen en dat verweerder de grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de zijn journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

Verweerder stelt voorop dat de gewraakte artikelen van 15 en 16 september 2005 alleen op de website (www.telegraaf.nl) zijn geplaatst en niet in de papieren versie (De Telegraaf) zijn verschenen. De Telegraaf en www.telegraaf.nl worden gemaakt door afzonderlijke redacties en verschillende verslaggevers. Af en toe wordt op www.telegraaf.nl een publicatie overgenomen uit De Telegraaf, maar in beginsel gaat het om twee gescheiden en zeer verschillende uitgaven.
De verslaggevers die artikelen schreven voor De Telegraaf hadden, gelet op de bronnen die zij zowel rondom de familie als de politie spraken, geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat de suggesties over betrokkenheid van de familie van klager bij drugshandel juist waren. In De Telegraaf is die betrokkenheid dan ook op geen enkele wijze gesuggereerd, maar zijn juist verschillende publicaties opgenomen waarin wordt vermeld dat door de familie de gestelde betrokkenheid bij drugshandel is weersproken. In het artikel van 25 september 2005 is wel naar voren gebracht dat de recherche zicht had op de dadergroep en dat deze mogelijk afkomstig was uit een kleine kring rond de familie. Dit is uiteindelijk ook het geval gebleken althans lijkt het geval te zijn, gelet op de gearresteerde hoofdverdachte, aldus verweerder.
Ten aanzien van de gewraakte artikelen die op www.telegraaf.nl zijn verschenen, stelt verweerder dat de bron van al deze publicaties de nieuwsdienst van het ANP is. Behoudens de kop van het artikel van 15 september 2005 zijn de publicaties één op één overgenomen van de ANP-feed. Vrijwel de gehele vaderlandse pers neemt berichten van het ANP over en het ANP kan naar de mening van verweerder dan ook worden gezien als een zeer gezaghebbende bron, waarop hij mocht vertrouwen. Voorts benadrukt verweerder dat in geen van die publicaties door hem is beweerd dat er enige betrokkenheid van de familie van klager zou zijn met de drugswereld. Hij heeft slechts meningen gepubliceerd van deskundigen en politiebronnen, die op basis van de op dat moment beschikbare feiten een mening gaven over een mogelijke achtergrond van de ontvoering. Bovendien zijn de door deskundigen en de politie geuite speculaties terughoudend geweest. Zo is gesproken van vermoedens en gesteld dat de eis niet logisch zou zijn als het misdrijf niet met drugs te maken had. Deze speculaties heeft verweerder niet tot de zijne gemaakt.
Wat betreft de door het ANP aan het woord gelaten bronnen merkt verweerder op dat deze deskundig waren op het gebied van ontvoeringen en drugshandel. Hun speculaties waren wellicht onjuist, maar gelet op de toen beschikbare feiten verre van ondenkbaar. Bij ontvoeringen die de gemoederen in de samenleving bezighouden is het niet ongebruikelijk dat deskundigen op deze wijze hun theorieën naar voren brengen, aldus verweerder. ANP had dan ook het volste recht om het bericht te publiceren en verweerder had het volste recht dit over te nemen.
Verweerder benadrukt voorts dat niet hij maar het ANP de bron is geweest voor verspreiding van de speculaties in andere media. Bovendien is verweerder in zijn berichtgeving terughoudender geweest dan andere media.
Wat betreft de door klager overgelegde versie van het artikel van 15 september 2005, waarin twee zinnen ontbreken, is namens verweerder ter zitting aangevoerd dat bij de archivering van het artikel wellicht iets is misgegaan. De door verweerder overgelegde versie is in eerste instantie op de homepage van www.telegraaf.nl verschenen.
Verweerder meent dat alle publicaties waarover klager heeft geklaagd in samenhang moeten worden bezien met de publicaties over de ontvoeringskwestie die ook daarna zijn verschenen. In dat verband wijst verweerder op een artikel dat op 15 oktober 2005 zowel in De Telegraaf als op www.telegraaf.nl is gepubliceerd. Daarin is een uitgebreide reconstructie van de ontvoering opgenomen en een analyse gemaakt van de motieven van de verdachten. In dat artikel wordt onder meer vermeld dat de ontvoering juist níet ging om cocaïne. Volgens verweerder is in deze publicatie de suggestie weggenomen – voor zover deze al bij de lezer was ontstaan – dat er een link zou bestaan tussen de familie en de drugshandel. Overigens is ook in de publicatie van 16 september 2005 duidelijk weergegeven dat die suggestie door de familie van klager van de hand is gewezen.
Verweerder wenst verder naar voren te brengen dat bij de beoordeling van elk geschil over een al dan niet onrechtmatige publicatie artikel 10 van het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) het uitgangspunt is. Volgens verweerder staat het een persmedium vrij om zowel meningen als feiten te publiceren in elke denkbare vorm, zelfs indien de inhoud schokkend of beledigend is. Bij de vraag of de vrijheid van meningsuiting in dit geval mag worden beperkt, moet een afweging plaatsvinden tussen het belang van verweerder om te publiceren over een bekende Nederlander die in het brandpunt van de belangstelling staat vanwege een zeer ongebruikelijke en speculaties oproepende ontvoering van zijn dochter enerzijds en het belang van klager om zijn persoonlijke levenssfeer te beschermen anderzijds. Volgens verweerder dient in dit geval die belangenafweging in zijn voordeel uit te vallen.
Verweerder concludeert dat hij zowel in De Telegraaf als op www.telegraaf.nl journalistiek zorgvuldig heeft gehandeld.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht is gericht tegen de volgende vier artikelen
a. "’Drugshandel mogelijk achtergrond ontvoering’", gepubliceerd op 15 september 2005 op www.telegraaf.nl;
b. "Ruim 70 tips over ontvoeringszaak Melchers", gepubliceerd op 16 september 2005 op www.telegraaf.nl;
c. "Familie Melchers geschokt door berichten", gepubliceerd op 16 september 2005 op www.telegraaf.nl;
d. "Doorbraak in Melchers-zaak", gepubliceerd op 25 september 2005 in De Telegraaf en op www.telegraaf.nl.

De klacht komt erop neer dat in de publicaties ten onrechte is gesuggereerd dat klager en/of zijn familie betrokken zouden zijn bij drugshandel en dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van klager en zijn familie.

Ad a.
Klager en verweerder hebben beiden een versie van het gewraakte artikel overgelegd. Deze versies verschillen in die zin van elkaar, dat in de door klager overgelegde versie de volgende passage ontbreekt: "Dat stellen bronnen binnen de politie die zich met de bestrijding van grootschalige drugshandel bezighouden. Ze zijn overigens niet direct betrokken bij het onderzoek naar de ontvoering van Melchers".
Deze passage behoorde te zijn opgenomen aansluitend aan de zin "De ontvoering van Claudia Melchers moet gezien de eis van 300 kilo cocaïne voor haar vrijlating bijna wel zeker te maken hebben met enige betrokkenheid van de familie bij drugshandel".
De door klager overgelegde versie is in ieder geval op enig moment op www.telegraaf.nl gepubliceerd (geweest). Derhalve hebben ook anderen dan klager kennis kunnen nemen van deze onvolledige versie van het artikel. Zonder de in deze versie ontbrekende zinnen kan niet worden opgemaakt waar verweerder de in het artikel gesuggereerde betrokkenheid van klager en zijn familie bij drugshandel op heeft gebaseerd. Gelet op de ernst van deze suggestie acht de Raad het ontbreken van deze bronvermelding onzorgvuldig. Op dit punt is de klacht gegrond.

Ad b.
Het artikel "Ruim 70 tips over ontvoeringszaak Melchers" bevat de passage "Bronnen binnen de politie, die niet met dit onderzoek zijn belast, vermoeden dat de omgeving of de familie van Claudia Melchers betrokken is bij drugshandel.” Naar het oordeel van de Raad heeft verweerder met deze wijze van bronvermelding zijn anonieme bronnen voldoende specifiek gemaakt. Gelet op de aard van de kwestie acht de Raad het begrijpelijk dat verweerder bepaalde informatie in deze zaak alleen onder plicht van geheimhouding kon verkrijgen.
Verder overweegt de Raad dat bij publicaties van ernstige beschuldigingen hoge eisen gesteld moeten worden aan de controle van de juistheid van de feitelijke c.q. als feitelijk gepresenteerde elementen daarin. Een journalist die zich in zo een geval beroept op een geheimhoudingsplicht tegenover bronnen die anoniem wensen te blijven, behoeft die bronnen weliswaar niet te noemen, maar dient wel aannemelijk te kunnen maken dat hij de van die bronnen verkregen informatie elders geverifieerd heeft.
Echter, in dit geval heeft verweerder de vermeende betrokkenheid van klager en/of zijn familie niet als feit gepresenteerd. In het artikel is duidelijk weergegeven dat sprake is van een vermoeden, waarbij verweerder dat vermoeden uitdrukkelijk voor rekening van zijn bronnen heeft gelaten en niet tot de zijne heeft gemaakt. De grenzen van zorgvuldige journalistiek zijn daarmee niet overschreden. In zoverre is de klacht ongegrond.

Ad c.
In het artikel "Familie Melchers geschokt door berichten" is de volgende passage opgenomen: “Diverse deskundigen binnen de politie stelden donderdag dat de ontvoering van Claudia Melchers gezien de eis van 300 kilo cocaïne voor haar vrijlating bijna zeker te maken moet hebben met enige betrokkenheid van de familie bij drugshandel.
Naar het oordeel van de Raad is door het gebruik van de zinsnede ‘bijna zeker te maken moet hebben’ de mogelijke betrokkenheid van klager en/of zijn familie bij drugshandel zodanig geformuleerd, dat die betrokkenheid nauwelijks meer als een vermoeden of een theorie kan worden opgevat, maar eerder moet worden beschouwd als een (zo goed als) vaststaand feit. De vermelding dat de suggestie afkomstig is van anoniem gelaten ‘deskundigen’ geeft daaraan een zodanig extra gewicht, dat verweerder in dit geval zijn bronnen nader had dienen te specificeren, teneinde de lezer in staat te stellen zich een oordeel te kunnen vormen over de betrouwbaarheid van die bronnen. De omstandigheid dat de passage volgt op de reactie van klager en zijn familie op de speculaties over hun betrokkenheid bij drugshandel, maakt dat niet anders. Integendeel, door de positie van de passage alsmede de vrij stellige inhoud daarvan wordt de reactie van klager en zijn familie juist afgezwakt. Door op deze wijze te berichten heeft verweerder dan ook journalistiek onzorgvuldig gehandeld. Dit onderdeel van de klacht is gegrond.

Ad d.
Het artikel "Doorbraak in Melchers-zaak" biedt naar het oordeel van de Raad slechts een weergave van de voortgang van het onderzoek. De daarin opgenomen feiten – onder meer dat uit vertrouwelijke politie-informatie zou blijken dat de dadergroep mogelijk afkomstig is uit een kleine kring rond de familie van klager – zijn door klager niet betwist.
De Raad acht ten slotte de aanduiding ‘chemiebaron’ niet zodanig grievend dat deze term niet door verweerder gehanteerd had mogen worden.

BESLISSING

De klacht is gegrond voor zover deze is gericht tegen de door klager overgelegde versie van de publicatie van 15 september 2005 en tegen het op 16 september 2005 onder de kop “Familie Melchers geschokt door berichten” verschenen artikel. Voor het overige is de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf en op www.telegraaf.nl te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 20 december 2005 door mr. A. Herstel, voorzitter, drs. G.H.J.M. Bueters, mw. A.C. Diamand, drs. G.T.M. Driehuis, en mw. I. Wassenaar, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P. Blok, plaatsvervangend secretaris.