2005/7 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X, Y en Z

tegen

de hoofdredacteur van de Gelderlander

Bij brief van 30 november 2004 met zeven bijlagen hebben X, Y en Z (klagers) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Gelderlander (verweerder). G. Bos, adjunct-hoofdredacteur, heeft op de klacht geantwoord in een brief van 23 november 2004.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 14 januari 2005 in aanwezigheid van Y en Z. Verweerder is daar niet verschenen.

DE FEITEN

Op 3 september 2004 is in de Gelderlander een artikel verschenen onder de kop “Verstandhouding tussen (...) buren is compleet verziekt”. Het artikel gaat over een rechtszaak tussen X en zijn buurvrouw. In het artikel zijn de naam en het adres van X vermeld. Y en Z zijn de ouders van X. Het artikel is ook op de website van de Gelderlander geplaatst.

Bij brief van 13 september 2004 hebben klagers zich tot verweerder gewend en hun bezwaren tegen de publicatie uiteen gezet. Deze brief bevat onder meer de volgende passage:
Over beide oorzaken is telefonisch overleg gevoerd met de heer M. Peters en zijn chef de heer F. Bolder. Met name met de heer Bolder is een goed gesprek gevoerd, waarbij hij erkende, dat de uitgebreide publikatie van de personalia van X en vermelding van straatnaam niet had gemoeten en ook door de eindredactie had moeten worden tegengehouden.(...)
Aan de heer F. Bolder is verzocht zijn antwoord schriftelijk te willen mededelen aan ons, maar hieraan wilde hij geen gehoor geven. Met dit schrijven willen wij u vragen uw visie schriftelijk op oorzaak 1 te geven en tevens bevestiging van hetgeen door de heer F. Bolder is gedaan. Verder verzoeken wij u in het bewuste artikel dat ook op Internet staat de personalia en straatnaam te verwijderen.


In een schrijven van 5 oktober 2004 hebben klagers verweerder aan hun brief van 13 september 2004 herinnerd en hem verzocht alsnog te reageren.

Bij brief van 14 oktober 2004 heeft Bos aan klagers het volgende bericht:
U bent verbaasd dat u nog niets van ons heeft gehoord, wij zijn verbaasd dat u verbaasd bent. Uw vraagstelling is immers zodanig merkwaardig dat u van ons toch geen antwoord kunt verwachten. U refereert aan een gesprek met de heer Bolder en u vraagt ons om dat gesprek schriftelijk te bevestigen. De essentie hiervan ontgaat ons. We kunnen daarom geen gehoor geven aan uw verzoek.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers stellen dat de rechtszaak op 1 september 2004 is behandeld door de rechtbank in Arnhem. X heeft toen aan de aldaar aanwezige verslaggever van de Gelderlander, M. Peters, verzocht niet over de kwestie te publiceren, omdat hij door toedoen van zijn buurvrouw genoodzaakt is zijn huis te verkopen en door publicatie de verkoop van zijn huis zou worden bemoeilijkt. Bovendien stelden zijn ouders, die ook in Zetten wonen, geen prijs op vermelding van hun naam. In een e-mailbericht van 1 september 2004 heeft Y de redactie van de Gelderlander eveneens verzocht niet tot publicatie over te gaan.
Door de publicatie van 3 september 2004 waren klagers behoorlijk ontdaan. Zij zijn door bekenden op de publicatie aangesproken. Volgens klagers heeft verweerder ten onrechte geen gehoor gegeven aan hun gemotiveerde verzoek om niet te publiceren.
Verder maken klagers bezwaar tegen de wijze waarop verweerder heeft gereageerd op hun brief van 13 september 2004. Door niet inhoudelijk op die brief in te gaan, heeft verweerder journalistiek niet correct gehandeld, aldus klagers. Zij betwisten dat zij ooit met Bos een gesprek hebben gevoerd.

Verweerder stelt dat Bolder in zijn telefoongesprek met klagers helder en eerlijk is geweest. Bolder heeft de familie verteld dat ook de Gelderlander niet gelukkig is met het artikel.
Dat in het artikel de naam van betrokkenen is vermeld, is in strijd met interne afspraken, aldus verweerder. Hoewel een kort geding openbaar is en iedereen daarvan kennis kan nemen, staat bij de Gelderlander in principe de anonimiteit van de betrokkenen voorop. Van dat uitgangspunt wordt slechts in uitzonderlijke gevallen afgeweken, bijvoorbeeld als het om een publiek figuur gaat. Daarvan was in dit geval geen sprake en er was dus geen reden om van de Gelderlander-norm af te wijken. Bolder heeft dat de familie meegedeeld en hij heeft namens de redactie zijn excuses aangeboden.
Verweerder heeft begrepen dat dat voor de familie niet voldoende was. Bij herhaling hebben zij Bolder te kennen gegeven dat de familie als gevolg van het artikel financieel nadeel had ondervonden en dat ze op zoek zou gaan naar mogelijkheden om die schade op de krant te verhalen. Bij herhaling heeft de familie Bolder verzocht om zijn excuses op schrift te stellen, maar zonder dat verzoek nader te motiveren. Bolder heeft toen aan dat verzoek geen gehoor gegeven.
Volgens verweerder heeft Bos na de brief van 13 september 2004 telefonisch contact gezocht met de familie. Hij heeft in dat gesprek geprobeerd drie kwesties aan de orde te stellen. Allereerst heeft hij de familie nogmaals uitgelegd dat er ook in zijn ogen fouten zijn gemaakt. Hij heeft de familie nogmaals excuses aangeboden, maar die werden niet geaccepteerd. Verder heeft hij de familie gevraagd of ze er behoefte aan had door middel van een ingezonden brief of anderszins in de krant haar onvrede kenbaar te maken, maar die behoefte bestond er niet. Ten slotte heeft hij de familie opnieuw gevraagd, waarom ze een schriftelijke verklaring wilde. Omdat ook toen het antwoord op die vraag uitbleef, heeft hij het verzoek geweigerd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Klagers betogen allereerst dat verweerder journalistiek ontoelaatbaar heeft gehandeld door over de rechtszaak te publiceren, ondanks hun herhaaldelijk verzoek niet tot publicatie over te gaan. Dit betoog faalt. Een journalist is vrij in zijn selectie van nieuws. Er is geen norm van journalistieke zorgvuldigheid die meebrengt dat een journalist toe- of instemming behoeft te hebben van degene over wie hij publiceert. De klacht is derhalve op dit punt ongegrond. (vgl. St. Interconfessioneel (PC/RK) Basisonderwijs Naarden tegen de Gooi- en Eemlander, RvdJ 2004/87)

Het voorgaande neemt echter niet weg dat de journalist wel steeds een afweging dient te maken tussen het belang dat met de publicatie is gediend en de belangen die door de publicatie worden geschaad, en dat moet worden vermeden dat nodeloos schade wordt toegebracht.
Weliswaar bestaat volgens het vaste oordeel van de Raad in het algemeen geen bezwaar tegen vermelding van de namen van de betrokken partijen als het gaat om verslaggeving van een openbare terechtzitting in een civielrechtelijke procedure – het uitgangspunt van de Gelderlander ter zake gaat kennelijk verder – maar in sommige gevallen kan het belang van een partij om zoveel mogelijk onherkenbaar te blijven zo zwaar wegen dat van het vermelden van de (volledige) naam moet worden afgezien (vgl. Van Wolde tegen De Haarlemmer, RvdJ 2004/18).
In dit geval gaat het om een burenruzie, die ertoe heeft geleid dat X zich genoodzaakt voelt zijn huis te verkopen. Bovendien speelt de kwestie zich af in een kleine gemeenschap. Aldus is naar het oordeel van de Raad sprake van zodanig zwaarwegende belangen aan de zijde van klagers, dat publicatie van hun persoonlijke gegevens achterwege had behoren te blijven. Door die gegevens toch te vermelden, zowel in de gedrukte versie van de Gelderlander als op de website, heeft verweerder jegens klagers journalistiek onzorgvuldig gehandeld.

Ten slotte overweegt de Raad dat het verweerder zou hebben gesierd als hij eerder schriftelijk inhoudelijk op de kwestie was ingegaan, in plaats van eerst in deze procedure zijn standpunt schriftelijk te verwoorden. Dat hij dit heeft nagelaten kan echter niet leiden tot het oordeel dat hij grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

Voor zover de klacht is gericht tegen de vermelding van persoonlijke gegevens van klagers is deze gegrond. Voor het overige is de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld door de Raad op 18 februari 2005 door mw. mr. M.E. Leijten, voorzitter, mw. A.C. Diamand, prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, T.R. Harkema en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.