2005/66 niet-ontvankelijk

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

M. Kat

tegen

de hoofdredacteur van NRC Handelsblad

Bij ongedateerde brief met vier bijlagen, door de Raad ontvangen op 15 september 2005, heeft M. Kat te Rotterdam (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van NRC Handelsblad (hierna: verweerder). Vervolgens heeft de secretaris van de Raad klager bij brief van 19 september 2005 verzocht gemotiveerd aan te geven wat zijn rechtstreeks belang is bij een oordeel van de Raad. Klager heeft daarop geantwoord in een schrijven van 21 september 2005. F. Jensma, hoofdredacteur, heeft in een brief van 10 oktober 2005 zijn visie betreffende de ontvankelijkheid van klager uiteengezet.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 20 oktober 2005 buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Op 9 september 2005 is in NRC Handelsblad in de rubriek ‘Lux et Libertas’ een hoofdredactioneel commentaar verschenen onder de kop “De waarheid dienen”. In het artikel staan onder meer de volgende passages:
Het belangrijkste kapitaal waarover de democratische rechtsstaat beschikt, is vertrouwen in justitie, in het bijzonder in de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. De burger dient ervan te kunnen uitgaan dat rechters, officieren van justitie en politieambtenaren competent, integer, zorgvuldig en waarheidslievend zijn. Dit houdt niet de plicht tot onfeilbaarheid in. (..) Fouten maken is menselijk. Het overkomt iedereen.
en
Het ziet er nu naar uit dat in de zaak-Nienke, waarin een onschuldige wegens moord werd veroordeeld, het openbaar ministerie hard onderuit is gegaan. Behalve door een eerdere ‘onveilige’ bekentenis is de zaak-Nienke nu ook berucht omdat er relevant bewijs is achtergehouden. Althans, de officier had de rechter vollediger moeten inlichten dan is gebeurd, zo erkent de hoogste ambtenaar van het parket in een intern schrijven. Dat deed hij overigens nadat hij eerder deze week op televisie het handelen van justitie vooral had goedgepraat. Ook gisteren wilde de topman het woord ‘achterhouden’ niet gebruiken. Maar dat is toch de juiste term. Als de onderzoeker van het Nationaal Forensisch Instituut in een unieke afwijking van de praktijk zijn twijfels over het daderschap van de verdachte bij justitie expliciet maakt, dan is de officier die de rechter en de advocaat daarover niet informeert ernstig nalatig.
en
Een pluspunt in deze kwestie is dat het parket zelf een onderzoek heeft gelast door buitenstaanders naar het eigen handelen in deze zaak.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager maakt met name bezwaar tegen de passage “Een pluspunt in deze kwestie is dat het parket zelf een onderzoek heeft gelast door buitenstaanders naar het eigen handelen in deze zaak.” Volgens klager maakt verweerder zich hierdoor schuldig aan lezersbedrog. De passage is immers apert onjuist, omdat het genoemde onderzoek onder leiding stond van een lid van het Openbaar Ministerie, dus van dezelfde partij die in de kwestie het meest onder vuur ligt, aldus klager. Andere kranten wijzen wel expliciet op deze belangenverstrengeling. Door te spreken over een ‘onderzoek door buitenstaanders’, terwijl verweerder ook wel weet dat dit onjuist is, wordt de lezer willens en wetens bedrogen. Verder stelt klager dat de krant met opzet de naam van de leider van het onderzoek, Frits Posthumus, in de gehele periode dat de affaire het nieuws bepaalde zelfs niet eens heeft genoemd. Dit alles is in strijd met alle basale uitgangspunten voor behoorlijke journalistiek, aldus klager. Hij concludeert dat NRC Handelsblad een vehikel is ten dienste van een keur aan gevestigde belangen, in dit geval van die van justitie. Het dienen van deze belangen weegt volgens verweerder kennelijk zwaarder dan het ‘dienen van de waarheid’, nota bene de titel van de gewraakte publicatie, aldus klager. Hij verzoekt de Raad dan ook verweerder voor deze handelwijze op niet mis te verstane wijze te veroordelen.
Klager meent dat hij in zijn klacht ontvankelijk moet worden geacht. Hij stelt dat het door de Raad gehanteerde ontvankelijkheidscriterium alleen geldt voor publicaties over specifieke personen of instituties. Daarbij noemt hij als voorbeeld dat bij een publicatie over minister Donner alleen Donner zélf ontvankelijk is als hij zich geschaad voelt. Bij een publicatie over het Ministerie van Justitie is dat ministerie, in casu Donner, ontvankelijk om dezelfde reden, aldus klager. In het geval dat de publicatie echter van een meer algemene aard is, kan volgens klager geen persoon worden geïdentificeerd die als direct betrokkene geschaad is in zijn of haar persoonlijk belang. In die gevallen zijn volgens klager álle Nederlanders die de journalistiek als geheel serieus nemen in hun belang geschaad. Zo ook in het onderhavige geval, waarin hij een klacht heeft ingediend tegen de gewraakte publicatie omdat daarin aantoonbaar leugenachtig is bericht, aldus klager. Hij concludeert dat in dit soort gevallen een nieuw ontvankelijkheidscriterium moet worden vastgesteld. Het ontvankelijkheidscriterium zoals door de Raad in eerdere zaken is verwoord, leidt tot de paradoxale situatie dat over de belangrijkste artikelen niet kan worden geklaagd, aldus klager.

Verweerder stelt dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht. Voor zover hem bekend is klager niet betrokken bij de Schiedammer parkmoord (de ‘zaak-Nienke’) of de afhandeling daarvan. Ook maakt klager volgens verweerder niet aannemelijk dat hij door het genoemde commentaar persoonlijk in zijn belang is geraakt. Het lijkt er eerder op dat klager een grief tegen de krant in het algemeen heeft, die hij wenst te laten beoordelen door de Raad, aldus verweerder.

BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Reglement van de Raad moet een klaagschrift worden ingediend door een ‘rechtstreeks belanghebbende’. Volgens het vaste oordeel van de Raad kan een klager als zodanig worden aangemerkt, indien zijn belang bij de gewraakte publicatie direct betrokken is en hij door die publicatie persoonlijk in zijn belang is geraakt. Klager stelt dat hij als direct betrokkene in zijn persoonlijk belang is geschaad, omdat het hier een publicatie van algemene aard betreft. Klager meent dat in een dergelijk geval alle Nederlanders die de journalistiek als geheel serieus nemen, in hun persoonlijk belang zijn geschaad. Volgens klager heeft hij aldus een persoonlijk belang bij een oordeel van de Raad.
De Raad volgt klager niet in zijn betoog dat hij vanwege de aangevoerde redenen als ‘rechtstreeks belanghebbende’ in de zin van het Reglement van de Raad kan worden aangemerkt. Klager is immers niet persoonlijk door het hoofdredactioneel commentaar geschaad. De kern van de klacht is dat verweerder zich schuldig heeft gemaakt aan lezersbedrog door het gebruik van de term ‘buitenstaanders’ in de onder ‘De Feiten’ geciteerde passage. Een dergelijke klacht is van een dermate algemeen karakter dat niet kan worden gezegd dat deze betrekking heeft op een door het hoofdredactioneel commentaar direct betrokken belang van klager. Klager is derhalve in zijn klacht kennelijk niet-ontvankelijk. (vgl. Ulrich tegen Buitenhof, RvdJ 2005/40)

Klager heeft nog betoogd dat het ontvankelijkheidscriterium van de Raad meebrengt dat geen klacht kan worden ingediend tegen een publicatie waarbij geen individueel belang in het geding is. Dit betoog is niet juist. De Raad heeft herhaaldelijk overwogen dat indien met betrekking tot publicaties waarbij niet zo zeer een individueel belang maar eerder een collectief belang in het geding is, een klacht zou zijn ingediend door een rechtspersoon die – blijkens haar statuten – tot doel heeft de belangen van het desbetreffende collectief te behartigen, deze mogelijk wel ontvankelijk zou zijn. (vgl. onder meer: Destrée tegen Haarlems Dagblad, RvdJ 2005/25)

BESLISSING

Klager is in zijn klacht niet-ontvankelijk.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in NRC Handelsblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 30 november 2005 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, mw. F.W. Dresselhuys, mw. drs. M.G.N. Mathot, mw. mr. H.M.A. van Meurs en mw. drs. P.C.J. van Schaveren, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg, secretaris, en mw. mr. L.F. Egmond, plaatsvervangend secretaris.