2005/65 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

de hoofdredacteur van AT5

Bij brief van 26 augustus 2005 heeft X een klacht ingediend tegen hoofdredacteur van AT5 (hierna: verweerder). Hierop heeft E. van Zwam, hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 22 september 2005 met als bijlage een dvd-opname van de gewraakte uitzending.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 7 oktober 2005. Partijen zijn daar niet verschenen. Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad de dvd-opname van de gewraakte uitzending bekeken.

DE FEITEN

Op 11 januari 2005 is in een uitzending van het televisieprogramma AT5 Nieuws aandacht besteed aan een strafzaak tegen klager (hierna: de uitzending). Volgens de uitzending wordt klager ervan verdacht een aantal vrouwen te hebben verkracht c.q. aangerand en staat hij bekend als de ‘rastaverkrachter’. In de uitzending worden de initiaal van klagers achternaam en zijn leeftijd vermeld. Verder zijn beelden van de rechtszitting getoond, waarbij een gedeelte van klagers achterhoofd, arm, handen en schoenen in beeld zijn gebracht.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat hij in de uitzending te herkenbaar in beeld is gebracht. Niet alleen medegedetineerden, maar ook vrienden, familie en enkele zakenrelaties hebben hem herkend na de uitzending, aldus klager. Door het beeldmateriaal ongecensureerd op televisie en internet te vertonen heeft verweerder hem aan de schandpaal genageld. Op de zitting had de president van de rechtbank de cameraman nog gewaarschuwd dat hij niet het volledige postuur van klager mocht filmen, waarna de cameraman ten onrechte niet direct met filmen is gestopt.
Verder stelt klager dat hij wel eerder een klacht tegen de uitzending had willen indienen, maar dat er door het strafproces en zijn veroordeling veel op hem afkwam en hij uit het veld was geslagen. Door het indienen van hoger beroep verdween het indienen van de klacht naar de achtergrond. Verder lag zijn aandacht voor een groot deel bij het afhandelen van een persoonlijk faillissement, totdat de procureur-generaal in hoger beroep toegaf dat er in het strafproces in eerste aanleg fouten zijn gemaakt. Vervolgens besloot hij alsnog de klacht in te dienen.

Verweerder ontkent dat klager herkenbaar in beeld is gebracht en wijst erop dat alleen de initiaal van klagers achternaam is vermeld. Hij acht de klacht dan ook ongegrond.

BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID

De Raad stelt voorop dat ingevolge artikel 2a, eerste lid, van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek, een klaagschrift moet worden ingediend binnen 6 maanden nadat de journalistieke gedraging, waartegen de klacht is gericht, heeft plaatsgevonden. In beginsel is een klager in zijn klacht niet-ontvankelijk indien hij het klaagschrift niet tijdig heeft ingediend.

Vaststaat dat de klacht niet binnen zes maanden na de gewraakte uitzending bij de Raad is binnengekomen.

De Raad is evenwel van oordeel dat de door klager aangevoerde omstandigheden aan te merken zijn als bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding verontschuldigbaar doen zijn, zodat klager toch in zijn klacht zal worden ontvangen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De kern van de klacht is dat klagers privé-leven is geschonden, omdat hij in de uitzending te herkenbaar in beeld is gebracht.

Bij de beoordeling van deze klacht neemt de Raad als uitgangspunt dat het informeren van het publiek over vraagstukken van algemeen belang behoort tot de taak van de journalist. De verslaggeving van strafzaken geldt als zo een onderwerp van algemeen belang.

Wel is volgens het vaste oordeel van de Raad bij berichtgeving over de identiteit van verdachten en veroordeelden terughoudendheid geboden. Dat de identiteit van de betrokkene door een reportage bekend wordt, maakt de reportage evenwel op zichzelf niet onzorgvuldig, ook al is sprake van een inbreuk op de privacy van betrokkene. Een dergelijke inbreuk overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek alleen dan, indien deze inbreuk niet in redelijke verhouding staat tot het doel van de publicatie en derhalve een ongerechtvaardigde aantasting van het privé-leven van de betrokkene vormt. Deze situatie doet zich hier niet voor.
Klager is in de gewraakte uitzending slechts zeer beperkt en onherkenbaar in beeld gebracht. In het bijzonder is zijn gestalte slechts gedeeltelijk gefilmd en is zijn gezicht niet in beeld gebracht. De wijze waarop klager in de uitzending is aangeduid – vermelding van de initiaal van zijn achternaam en zijn leeftijd, alsmede de aanduiding ‘rastaverkrachter’– leidt evenmin tot herkenbaarheid en is in het kader van rechtbankverslaggeving niet ongebruikelijk.
De klacht dat de uitzending niettemin onzorgvuldig zou zijn omdat klager in kleine kring herkend is, kan niet tot toewijzing leiden omdat dat tot een beperking van de journalistieke vrijheid zou leiden die onverenigbaar is met de taak van de pers in een democratische samenleving om het publiek te informeren over openbare rechtszaken.

Een en ander leidt tot de conclusie dat de klacht ongegrond is. (vgl. onder meer: X tegen De Dordtenaar, RvdJ 2005/51 en X tegen Zembla, RvdJ 2000/23)

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van het televisieprogramma AT5 Nieuws en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op zijn website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 18 november 2005 door mw. mr. W.M.E. Thomassen, voorzitter, drs. C.M. Buijs, drs. G.T.M. Driehuis, T.R. Harkema en drs. B.J. Brouwers, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris en mw. mr. L.F. Egmond, plaatsvervangend secretaris.