2005/63 niet-ontvankelijk

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

H. Geeraert

tegen

de hoofdredacteur van de Provinciale Zeeuwse Courant (PZC)

Bij brief van 22 augustus 2005 met tien bijlagen heeft H. Geeraert te Vlissingen (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Provinciale Zeeuwse Courant (hierna: verweerder). Naar aanleiding daarvan heeft de secretaris van de Raad klager bij brief van 26 augustus 2005 geïnformeerd omtrent de werkwijze van de Raad. Hierop heeft klager gereageerd in een schrijven van 28 augustus 2005. Vervolgens heeft A.L. Oosthoek, hoofdredacteur, op de klacht geantwoord in een brief van 27 september 2005 met drie bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 7 oktober 2005. Partijen zijn daar niet verschenen.

DE FEITEN

Op 29 december 2004 is in de Provinciale Zeeuwse Courant (hierna: PZC) een artikel verschenen van de hand van Marga Haas onder de kop “Afscheid Dominee De Nooij”. In dit artikel is onder meer de volgende passage opgenomen:
De Nooij was 23 jaar predikant in Lammerenburg. Hij is de rust en vriendelijkheid zelve. Maar hij is ook niet bang om scherpe kritiek te leveren wanneer hij dat nodig vindt. Dat maakt hem niet bij iedereen populair. Maar dat deert hem niet. “Ik ga gewoon door. Ik word niet betaald om te zwijgen.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager heeft bezwaar tegen de eenzijdige waarheid die in het gewraakte artikel naar voren wordt gebracht. Zijn klacht is er met name tegen gericht dat verweerder weigert zijn kant van het verhaal te publiceren. Door de weigering maakt verweerder zich volgens klager schuldig aan statusdiscriminatie en tevens meet hij met twee maten ten opzichte van andere conflicten die wel breed worden uitgemeten.
Volgens klager zijn zijn klacht en zijn verhaal hoe hij in de WAO is terechtgekomen onlosmakelijk met elkaar verbonden. In dit verband vertelt klager dat hij enige jaren geleden als banenpooler werkte, waarbij De Nooij en J. Scheffers, redactielid van verweerder, zijn opdrachtgevers waren. In die tijd en zijn daarop volgende ziekteperiode hebben deze personen zich jegens hem schuldig gemaakt aan machtsmisbruik en geestelijk geweld, aldus klager. Dit geestelijk geweld en andere kwalijke gedragingen van De Nooij en Scheffers zijn voor hem zeer traumatisch geweest. In de loop der jaren heeft hij geprobeerd het kwalijk handelen van De Nooij en Scheffers aan het licht te brengen, maar tot op heden tevergeefs. Alleen publicatie van zijn zijde van het verhaal zou het handelen van De Nooij en Scheffers aan de kaak kunnen stellen, aldus klager. Bovendien heeft hij van al het handelen schriftelijk bewijs. Daarom vindt hij het uiterst onrechtvaardig dat De Nooij en Scheffers in de PZC wel alle ruimte hebben gekregen om ongestoord en ononderbroken hun waarheden te verkondigen, terwijl hij na herhaald verzoek die mogelijkheid niet heeft gekregen. Klager meent recht te hebben op dezelfde ruimte als De Nooij en Scheffers die kregen. Door de weigering zijn artikel te plaatsen kiest verweerder partij en oordeelt verweerder over hem, terwijl dat bij anderen wordt nagelaten, aldus klager. Daarom wenst klager dat hem de mogelijkheid wordt geboden een artikel in te leveren van een halve krantenpagina, dat ongestoord en ononderbroken in de PZC wordt geplaatst.

Verweerder stelt voorop dat de klacht hem er niet toe heeft overgehaald om klagers zo vurig gewenste ‘halve krantenpagina’ te vullen met klagers artikel. Daar voegt verweerder aan toe dat de kwestie van klager al ruim 10 jaar speelt. In die tijdspanne heeft zijn redactie in zeer ruime mate kennis kunnen nemen van klagers opvattingen en beweringen. Op 24 mei 2000 heeft verweerder reeds aan klager laten weten dat – samengevat – zijn publicatieclaims niet zouden worden gehonoreerd en dat van verweerders zijde niet langer over deze kwestie zal worden gecorrespondeerd.
Klager meent voor het indienen van zijn klacht aanleiding te hebben gevonden in het korte afscheidsinterview van De Nooij, maar heeft die klacht pas bijna acht maanden na het verschijnen van die publicatie ingediend, aldus verweerder. De klacht is echter niet gericht tegen die publicatie, maar tegen de weigering een artikel van klager in de PZC te publiceren. Volgens verweerder had klager de mogelijkheid om op het artikel te reageren in de rubriek ‘Lezers schrijven’. Van die mogelijkheid heeft klager in dit geval geen gebruik gemaakt, terwijl hij dat in andere gevallen wel heeft gedaan.
Verder stelt verweerder – samengevat – dat hij geen oordeel heeft uitgesproken over klager, dat klager nimmer een spreekverbod is opgelegd en dat verweerder geen enkele reden ziet de kwestie van klager als een uitzonderingsgeval te behandelen.
Verweerder concludeert dat hij een eigen verantwoordelijkheid heeft over welke artikelen hij wel en niet plaatst en dat hij bij zijn besluit blijft dat hij in de kwestie van klager geen aanleiding ziet daaraan nadere publicaties te verbinden.

BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID

De Raad stelt voorop dat ingevolge artikel 2a, eerste lid, van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek, een klaagschrift moet worden ingediend binnen 6 maanden nadat de journalistieke gedraging, waartegen de klacht is gericht, heeft plaatsgevonden. In beginsel is een klager in zijn klacht niet-ontvankelijk indien hij het klaagschrift niet tijdig heeft ingediend. Niet-ontvankelijkverklaring op deze grond blijft alleen dan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de desbetreffende klager in verzuim is geweest.

Vaststaat dat de klacht niet binnen de termijn van zes maanden bij de Raad is binnengekomen. In dit geval is geen sprake van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat klager in verzuim is geweest. Dit leidt ertoe dat klager in zijn klacht niet-ontvankelijk is.

Ten overvloede merkt de Raad op dat – zoals de secretaris klager ook heeft meegedeeld in de brief van 26 augustus 2005 – een redactie vrij is in haar selectie van nieuws. Er bestaat voorts geen journalistieke norm die meebrengt dat een (hoofd)redactie bij een publicatie over een bepaald onderwerp tevens het standpunt van klager over dat onderwerp in de publicatie zou moeten opnemen.
Ook indien klager wél in zijn klacht ontvankelijk zou zijn geweest, zou de klacht derhalve niet hebben kunnen leiden tot het oordeel dat verweerder, door het achterwege laten van publicaties als door klager gewenst, grenzen heeft overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is. (vgl. onder meer: Cool tegen NRC Handelsblad e.a., RvdJ 2005/17)

BESLISSING

Klager is in zijn klacht niet-ontvankelijk.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in de Provinciale Zeeuwse Courant te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 18 november 2005 door mw. mr. W.M.E. Thomassen, voorzitter, drs. C.M. Buijs, drs. G.T.M. Driehuis, T.R. Harkema en drs. B.J. Brouwers, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. L.F. Egmond, plaatsvervangend secretaris.