2005/56 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

drs. A. as Siddiq

tegen

de hoofdredacteur van Trouw

Bij brief van 27 juli 2005 met vier bijlagen heeft drs. A. as Siddiq te Rotterdam (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Trouw (hierna: verweerder). Hierop heeft W.A.E. Jansen, adjunct-hoofdredacteur van verweerder, geantwoord in een brief van 23 juni 2005 met een bijlage.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 9 september 2005. Partijen zijn daar niet verschenen.

Een der leden van de Raad heeft zich verschoond. De zaak is behandeld door de voorzitter en de resterende leden.

DE FEITEN

Op 22 juli 2005 is in Trouw een artikel verschenen onder de kop “Moslims, bestrijd democratie!”. De lead van dit artikel luidt:
Moslims die de scheiding tussen kerk en staat niet bestrijden, zijn slechte moslims. Compromissen met democraten zijn uitgesloten. Dat betoogt Abdullah as Siddiq van de radicaal-islamitische organisatie Hizb-ut-Tahrir. Het boekje heet ‘Het Samenleven’, uitgegeven door de website Expliciet.nl.”.
In dit artikel staat verder onder meer:
Weinig opzienbarend. Maar het boekje bevat de oproep aan moslims om de scheiding tussen kerk en staat te bestrijden en geen compromissen te sluiten met de hier gangbare democratie. En achter Expliciet.nl gaat Hizb-u-Tahrir (HuT, ‘bevrijdingspartij’) schuil, een organisatie die meent dat het Westen moslims ‘vergiftigt’ met het ‘smerige democratische spel’.
De schrijver van ‘Het Samenleven’, Expliciet-redacteur drs. Abdullah as Siddiq, beschouwt ‘moderne en vooruitstrevende moslims’ als ‘niet-moslimsektes’ die door het Westen worden ‘geknuffeld als zijnde goede moslims’.

en
In Nederland geldt de HuT als geweldloos, in het buitenland zijn, aldus de AIVD, leden betrokken bij gewelddadige acties. Tijdens bloedige rellen in Oezbekistan in mei van dit jaar trachtten leden van de HuT een kalifaat te stichten; de organisatie zou banden met Al Kaida hebben.

Op 23 juli 2005 is in Trouw een artikel verschenen onder de kop “Kamerlid: Moslimgroepering HuT lijkt op Abdul Jabbar van der Ven”. De lead van dit artikel luidt:
Hizb-ut-Tahrir is een islamitisch-fundamentalistische groepering die als een magneet werkt op radicaliserende jeugd, zegt CDA- kamerlid Mirjam Sterk. Een verbod gaat haar vooralsnog te ver.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat verweerder in beide artikelen een beeld schetst van Expliciet, hemzelf en zijn publicatie ‘Het Samenleven’ dat conflicteert met de realiteit. Volgens klager heeft verweerder ten onrechte de islamitische politieke partij Hizb ut-Tahrir beschuldigd van terrorisme, zonder zich te kunnen beroepen op overtuigend en betrouwbaar bewijs en in weerspraak met officiële verklaringen van Hizb ut-Tahrir. Bovendien heeft verweerder nagelaten het journalistieke principe van hoor en wederhoor toe te passen. Vervolgens heeft verweerder hem en Expliciet in verband gebracht met Hizb ut-Tahrir en hem daarmee ten onrechte impliciet van terrorisme beticht, aldus klager.
Verder stelt hij dat verweerder een verkeerde voorstelling van zijn boek ‘Het Samenleven’ heeft gegeven door ten onrechte zinnen te presenteren als citaten uit zijn boek. Daardoor heeft verweerder ten onrechte de indruk gewekt dat het boek een oproep is aan moslims tot opstand tegen de democratische rechtsorde en voor sektarisch geweld.
Voorts stelt klager dat verweerder Hizb ut-Tahrir ten onrechte heeft beschuldigd van terrorisme en in verband heeft gebracht met Al Qaeda, zonder dat hij daarvoor bewijs heeft geleverd. Klager wijst er in dat verband op dat Hizb ut-Tahrir in verschillende publicaties heeft uiteengezet dat haar werk zuiver politiek en intellectueel is, dat haar werk ter verandering beperkt is tot de moslimlanden en dat zij de materiële strijd als methode ter verandering verwerpt als zijnde niet islamitisch.
Klager betoogt dat verweerder met zijn berichtgeving de waarheid welbewust geweld heeft aangedaan, waardoor hijzelf, Expliciet en Hizb ut-Tahrir zijn benadeeld. Bovendien heeft verweerder een volkomen verkeerd beeld geschetst van de Islam en de moslims in Nederland, waardoor de spanningen in de Nederlandse samenleving zonder reden verder zijn opgedreven, aldus klager.

Verweerder stelt allereerst dat nergens in de gewraakte artikelen wordt gesproken van terrorisme of daarvan afgeleide termen. Ook staat nergens dat klager oproept tot geweld, dat hij een terrorist zou zijn of banden met Al Qaeda zou hebben, aldus verweerder. Hij stelt dat er wel een hechte band bestaat tussen Hizb ut-Tahrir en Expliciet.nl, hetgeen onder meer blijkt uit de website www.expliciet.nl waarvan klager redacteur is.
Wat betreft de klacht dat het principe van hoor en wederhoor niet is toegepast, voert verweerder aan dat klager bij e-mail van 21 juli 2005 is gevraagd iets meer te vertellen over zijn beweegredenen en de achtergronden van zijn boek ‘Het Samenleven’. Hierop heeft klager echter nooit gereageerd. Sterker nog, in een rondschrijven van 26 juli 2005 heeft klager geschreven geen behoefte te hebben aan een reactie. Overigens heeft klager na de publicaties geen verzoek gedaan tot rectificatie dan wel om in een weerwoord achteraf het geschetste beeld te veranderen, aldus verweerder.
Verweerder betwist dat hij onjuist uit klagers boek heeft geciteerd. Volgens verweerder maakt klager ook niet duidelijk waarin hij verkeerd zou zijn geciteerd. Ter ondersteuning van zijn standpunt wijst verweerder op verschillende passages uit klagers boek. Hij is van mening dat van een mispresentatie van het boek geen sprake is. Hij heeft de publicatie van het boek gesignaleerd en de achterliggende verbanden boven tafel c.q. in herinnering gebracht. Daarbij is de waarheid geen geweld aangedaan. Voor zover in de berichtgeving sprake is van analyse en interpretatie, dan zijn die gebaseerd op bekende of in de berichtgeving bekend gemaakte feiten, aldus verweerder.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het artikel van 22 juli 2005 behelst een bespreking van klagers boek ‘Het Samenleven’.

Volgens het vaste oordeel van de Raad komt aan recensenten een grote mate van vrijheid toe, niet alleen wat de vorm van de recensie betreft, maar ook en vooral ten aanzien van de inhoud. Van het geven van zijn, kritische, mening over het werk waarop de recensie betrekking heeft behoeft de recensent zich in het algemeen niet te laten weerhouden door de mogelijkheid dat daardoor afbreuk wordt gedaan aan de reputatie van de maker van het werk. Bovendien is het beginsel van hoor en wederhoor, behoudens bijzondere omstandigheden, bij recensies niet aan de orde. De vrijheid van een recensent is echter niet onbegrensd. Bij het voorgaande dient voorop te staan dat een recensie geen wezenlijke onjuistheden mag bevatten. (vgl. onder meer: Vingerhoets/De Haas (Univers) en Telegraaf.nl, RvdJ 2005/47 en De Jonge-Midde/Algemeen Dagblad, RvdJ 2004/82)

Het gewraakte artikel bestaat kennelijk uit een combinatie van parafrasen en citaten. Naar het oordeel van de Raad brengt deze vorm van berichtgeving het risico met zich dat te veel wordt afgeweken van de (teneur van de) tekst van de besproken publicatie en aldus ten onrechte aan die publicatie afbreuk wordt gedaan. Indien een journalist op deze wijze verslag doet, dient hij dan ook daarover aan de lezer voldoende duidelijkheid te verschaffen en te voorkomen dat een parafrase kan worden opgevat als een citaat en vice versa.
In dit geval had verweerder wellicht iets nauwgezetter kunnen zijn in het gebruik van parafrasen en citaten. Echter, door de gekozen vorm van het artikel is de leesbaarheid ervan vergroot, zonder dat afbreuk is gedaan aan klager en zijn boek.

Dat in de berichtgeving een verband zou zijn gelegd tussen klager en terrorisme, zoals deze heeft gesteld, berust naar het oordeel van de Raad op een verkeerde lezing van de artikelen.

De Raad komt derhalve tot de slotsom dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in Trouw te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 18 oktober 2005 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, dr. M.J. Broersma, mw. A.C. Diamand, en mw. F. Santing, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. L. Bultman-den Haan, plaatsvervangend secretaris.