2005/52 onbevoegd

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

P. Smit

tegen

Omroepvereniging VARA

Bij brief van 29 juni 2005 met vier bijlagen heeft P. Smit te Purmerend (hierna: klager) een klacht ingediend tegen Omroepvereniging VARA (hierna: verweerster). Hierop heeft mr. R.S. Le Poole, advocaat te Amsterdam, namens verweerster geantwoord in een brief van 21 juli 2005 met vijftien bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 25 augustus 2005 in aanwezigheid van mr. Le Poole. Klager is daar niet verschenen.

DE FEITEN

Klager is de auteur van het boek “Het grote boek van de kleine feiten”. In dit boek staat een korte passage over de zogenoemde Exota-affaire. Verweerster heeft de uitgever van dit boek bij brief van 17 maart 2005 gesommeerd te bewerkstelligen dat deze passage niet langer openbaar zou worden gemaakt. Op 18 maart 2005 heeft verweerster dezelfde sommatie verzonden aan klager.

Per e-mailbericht van 25 maart 2005 heeft verweerster klager bericht dat zijn uitgever zich bereid heeft verklaard aan het merendeel van de ingestelde vorderingen te voldoen en dat verweerster bereid is het tegen klager aangespannen kort geding in te trekken, indien klager verweerster op dezelfde dag schriftelijk zou bevestigen dat hij:
a. de onrechtmatigheid van de passage over de Exota-affaire in het boek “Het grote boek van de kleine feiten” erkent;
b. zich verplicht de openbaarmaking van de desbetreffende passage of soortgelijke mededelingen te staken en gestaakt te houden op straffe van een onmiddellijk opeisbare boete van € 1.000,- per overtreding;
c. zich verplicht om een eventuele nieuwe passage over de Exota-affaire in een eventuele volgende druk voor publicatie aan verweerster en M. van Dam voor te leggen.
Omdat klager aan deze eisen geen gevolg wilde geven heeft de zaak geleid tot een
procedure in kort geding. Tijdens de zitting heeft verweerster een videoband van de Exota-affaire getoond. De procedure leidde tot een schikking. Na de schikking heeft klager een aantal keren gevraagd om een kopie van de vertoonde band. Verweerster heeft geweigerd aan dit verzoek gevolg te geven.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager maakt bezwaar tegen de handelwijze van verweerster, als financier van het tegen hem gehouden kort geding. Klager stelt zich op het standpunt dat het onbehoorlijk is dat verweerster op een zeer laat tijdstip aanvullende eisen stelde, waardoor het hem praktisch onmogelijk werd gemaakt een advocaat te zoeken. Bij toeval kwam klager in contact met een advocaat die bekend was met de Exota-affaire en die zijn zaak wilde bepleiten.
Voorts stelt klager dat met name de aanvullende eis in de e-mail van 25 maart 2005 onder c. onredelijk is.
Ten slotte betoogt klager dat het onbehoorlijk is dat verweerster tot drie keer toe heeft geweigerd om een kopie van de in de rechtszaal vertoonde videoband af te staan.

Verweerster stelt zich primair op het standpunt dat de klacht geen betrekking heeft op journalistieke gedragingen, maar op gedragingen van verweerster als procespartij in het kort geding c.q. gedragingen van haar raadsman in dat kort geding. Volgens verweerster is klager dan ook niet-ontvankelijk in zijn klacht dan wel is de Raad onbevoegd.
Subsidiair stelt verweerster dat de klacht ongegrond is. Wat betreft het tijdstip van indienen van aanvullende eisen betoogt zij dat klager hier zelf aan heeft meegewerkt en dat de voorzieningenrechter reeds heeft bepaald dat de bezwaren tegen het tijdstip van indienen van de aanvullende eisen falen. De aanvullende eisen zijn gebruikelijk in geschillen over media-uitingen en dienden om geschillen in de toekomst over een nieuwe publicatie te vermijden, aldus verweerster.
Met betrekking tot het overleggen van de videoband stelt zij dat geen rechtsregel haar verplicht een kopie aan klager ter beschikking te stellen. Bovendien blijft klager weigeren aan te geven welk belang hij heeft bij afgifte van de videoband en voor welke doeleinden hij de band wil gebruiken. Verweerster wijst erop dat zij klager en diens advocaat heeft aangeboden de band in het kantoor van haar raadsman te bekijken. Ten slotte stelt verweerster dat zij een gerechtvaardigd belang heeft om zich tegen afgifte van de videoband te verzetten omdat een onderdeel van het daarop weergegeven beeldmateriaal door het Amsterdamse Hof onrechtmatig is bevonden.

BEOORDELING VAN DE BEVOEGDHEID

De klacht is gericht tegen de volgende gedragingen van verweerster:
1. het tijdstip van het indienen van de aanvullende eisen als vervat in het hierboven onder ‘De Feiten’ bedoelde e-mailbericht van 25 maart 2005;
2. de inhoud van die aanvullende eisen;
3. de tot driemaal herhaalde weigering van verweerster om een kopie van de in de rechtszaal vertoonde videoband af te staan.

Ingevolge artikel 3 lid 1 van de Statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek heeft de Raad tot taak om in de bij hem aanhangig gemaakte zaken betreffende journalistieke gedragingen te beoordelen of de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Ingevolge artikel 4 lid 1 van deze Statuten wordt onder journalistieke gedraging verstaan: een handelen of nalaten van een journalist in de uitoefening van zijn beroep.

De klacht heeft betrekking op de gedragingen van verweerster in het kader van een tussen klager en verweerster gevoerde juridische procedure. Dit zijn geen journalistieke gedragingen als hiervoor bedoeld. De Raad is derhalve niet bevoegd over deze gedragingen te oordelen.

BESLISSING

De Raad is niet bevoegd over de klacht te oordelen.

Aldus vastgesteld door de Raad op 16 september 2005 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter,
mw. F.W. Dresselhuys, mw. drs. P.C.J. van Schaveren, mr. A.H. Schmeink, en prof. drs. E. van Thijn, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris en mw. mr. drs. M.M. van der Smissen, plaatsvervangend secretaris.