2005/49 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

familie Koolen

tegen

M. Schilt en de hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad

Bij brief van 18 juni 2005 met één bijlage heeft H.C.M. Koolen te Nijmegen, mede namens zijn echtgenote en zoon, (hierna: klagers) een klacht ingediend tegen M. Schilt en de hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad (hierna: verweerders). Hierop heeft R.E. Vermeulen, adjunt-hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 19 juli 2005.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 29 juli 2005 in aanwezigheid van Koolen. Aan de zijde van verweerders waren voornoemde Schilt en Vermeulen aanwezig.

DE FEITEN

Op 6 juni 2005 is in het Algemeen Dagblad een artikel verschenen onder de kop “Student bijna dood na waterritueel”. De intro van het artikel luidt:
Een ontgroening is een Groningse student bijna fataal geworden. Doordat de 21-jarige man vele liters water moest drinken, kreeg hij een zware epileptische aanval, raakte buiten bewustzijn en belandde op de intensive care.
In het artikel wordt over het incident bericht en wordt de student door het weergeven van verschillende citaten aan het woord gelaten.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers stellen voorop geen moeite te hebben met berichtgeving over al dan niet vermeende ontoelaatbare praktijken, maar de wijze waarop deze berichtgeving geschiedt verdient volgens hen soms de nodige nuancering. Volgens klagers heeft Schilt de student in het ziekenhuis bezocht zonder zijn hoedanigheid van journalist direct kenbaar te maken. De student verkeerde in de veronderstelling dat de journalist, hoewel hij hem niet direct herkende, een bekende van hem was die op ziekenbezoek kwam. Verder stellen klagers dat zij de desbetreffende journalist en later een lid van de redactie van het Algemeen Dagblad, hebben verboden gebruik te maken van de in het ziekenhuis verkregen informatie. Ten slotte betogen klagers dat hun privacy geweld is aangedaan en dat verweerders zonder toestemming hebben geciteerd op basis van informatie die op ongeoorloofde wijze is verkregen.

Verweerders stellen dat voorkomende misstanden bij studentenverenigingen het verdienen om aandacht te krijgen in de pers. De grenzen van hetgeen journalistiek aanvaardbaar is, zijn daarbij in dit geval niet overschreden. Schilt heeft zich volgens verweerders als journalist aan de student voorgesteld voordat zij over het incident spraken. Gezien het feit dat de student goed in staat bleek over de gebeurtenissen te vertellen, de informatie ook werd bevestigd door
de studentenvereniging, het om een belangrijke misstand ging en er voor de student geen voorzienbare negatieve gevolgen waren aan te wijzen, is besloten de verkregen informatie te gebruiken. Wel is, wegens de bezwaren van de familie, besloten de naam van de student in het artikel niet te noemen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De kern van de klacht is dat ten onrechte gebruik is gemaakt van de informatie die is verkregen tijdens het gesprek met de student in het ziekenhuis. De Raad zal zijn oordeel dan ook tot die kern beperken.

De Raad stelt voorop dat een journalist degene over wie hij publiceert met ‘open vizier’ tegemoet behoort te treden, dat wil zeggen dat hij zijn hoedanigheid aan hem bekend dient te maken. Slechts indien sprake is van bijzondere omstandigheden kan het gerechtvaardigd zijn deze regel niet na te leven. (vgl. onder meer: de Stichting Woningwinkel Zuid-Kennemerland tegen Bakker, Sietsma en de hoofdredacteur van Netwerk (EO), RvdJ 2005/30 en Jeekel tegen De Dordtenaar, RvdJ 2005/10)
In het onderhavige geval is een uitzonderingssituatie niet aan de orde. Door klagers is niet betwist dat Schilt zich op enig moment als journalist aan de student bekend heeft gemaakt. Partijen verschillen van mening over de vraag wanneer dat precies is gebeurd. De Raad kan niet vaststellen wie op dit punt het gelijk aan zijn zijde heeft, maar sluit niet uit dat sprake is geweest van een misverstand. Van opzettelijke misleiding lijkt in ieder geval geen sprake, mede nu vaststaat dat Schilt zich aan de ouders van de student direct als journalist heeft voorgesteld.

Ook de stelling van klagers dat verweerders journalistiek onzorgvuldig zouden hebben gehandeld door ondanks het verzoek van betrokkenen om niet tot publicatie over te gaan, toch over het voorval te publiceren, wordt niet gevolgd. Er is geen norm van journalistieke zorgvuldigheid die meebrengt dat een journalist toe- of instemming behoeft te hebben van degene over wie hij publiceert. Dat neemt niet weg dat de journalist wel steeds een afweging dient te maken tussen het belang dat met de publicatie is gediend en de belangen die door de publicatie worden geschaad, en dat moet worden vermeden dat nodeloos schade wordt toegebracht (vgl. onder meer: X, Y en Z tegen de hoofdredacteur van de Gelderlander, RvdJ 2005/7 en St. Interconfessioneel (PC/RK) Basisonderwijs Naarden tegen de Gooi- en Eemlander, RvdJ 2004/87).Voorts staat vast dat verweerders de reactie van de student correct hebben weergegeven en dat zij zijn naam op verzoek van klagers niet in het artikel hebben vermeld.

Alles afwegend en mede gezien het ook door klagers onderkende belang dat met de publicatie is gediend, hebben verweerders naar het oordeel van de Raad niet onzorgvuldig gehandeld door ondanks het verzoek van klagers om niet tot publicatie over te gaan, toch over het voorval te publiceren en daarbij de reactie van de student te vermelden.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in het Algemeen Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 15 september 2005 door mw. mr. M.E. Leijten, voorzitter, prof. mr. W.D.H. Asser, mw. E.H.C. Salomons, mw. F. Santing, drs. P. Sijpersma, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg, secretaris, en mw. mr. L. Bultman-den Haan, plaatsvervangend secretaris.