2005/44 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

De Indonesische Overzeese bank N.V. (Indover Bank)

tegen

de hoofdredacteur van Het Parool

Bij brief van 12 april 2005 met vijf bijlagen heeft mr. D.M. Wille, advocaat te Amsterdam, namens De Indonesische Overzeese bank NV (hierna: klaagster), een klacht ingediend tegen E. van Gruijthuijsen, hoofdredacteur van Het Parool (hierna: verweerder). Hierop heeft A. de Lange, adjunct hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 3 mei 2005.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 24 juni 2005. Aan de zijde van klaagster zijn daar mr. Wille en D. van Leeuwen, directeur van Indover Bank, verschenen. Mr. Wille heeft het standpunt van klaagster toegelicht aan de hand van een notitie. Verweerder was daar niet aanwezig.

DE FEITEN

Op 6 december 2004 zijn in Het Financieele Dagblad twee artikelen verschenen onder de koppen “Jarenlange corruptie bij Indover Bank” en “Indover Bank speeltuin voor corruptie”.
Op dezelfde dag is in Het Parool op de voorpagina van het katern “Zaken” een artikel gepubliceerd onder de kop “Fraude bij Indover”. Dit artikel heeft als ondertitel “Dubieuze leningen en zelfverrijking bij Amsterdamse bank”. Het artikel is nadien ook gepubliceerd op de website en in het archief van Het Parool. Het artikel bevat onder meer de volgende passages:
De in Amsterdam gevestigde Indover Bank heeft jarenlang gefraudeerd. De bank, eigendom van de Indonesische Centrale Bank, gaf leningen op dubieuze gronden uit. Directieleden maakten zich schuldig aan zelfverrijking. Dit blijkt volgens Het Financieele Dagblad uit documenten van Bank Indonesia, de centrale bank van Indonesië.
en
Bank Indonesia was zowel verantwoordelijk voor het optreden van Indover als voor het toezicht daarop. Volgens de documenten leidde dat herhaaldelijk tot dubieuze praktijken. Directieleden maakten zich volgens de documenten schuldig aan zelfverrijking en de raad van commissarissen aan machtsmisbruik. Medewerkers van de bank hadden ontoelaatbare relaties met schuldenaren van de bank. Ettelijke miljoenen dollars werden als lening verstrekt aan die relaties, zonder dat hun kredietwaardigheid werd beoordeeld. Indover kwam vier jaar gelden al in opspraak. De bank zou actief partij zijn geweest bij het witwassen van drugsgeld. Ook zou de bank zijn gebruikt door de toenmalige president Soeharto om honderden miljoenen dollars Indonesisch overheidsgeld door te sluizen naar privé-rekeningen.

Klaagster heeft naar aanleiding van de hierboven genoemde artikelen contact opgenomen met zowel Het Financieele Dagblad als met verweerder. Op 20 december 2004 heeft klaagster verweerder aangeschreven over het artikel “Fraude bij Indover” en verzocht om een rectificatie. Vervolgens is er een briefwisseling gevoerd tussen de advocaten van partijen. Hierbij is van de zijde van Het Parool onder meer aangeboden om een ingezonden brief van klaagster te plaatsen.

Op 17 januari 2005 is namens verweerder in het kader van een minnelijke regeling een voorstel gedaan. Dit voorstel bevatte de volgende toezegging:
Het Parool heeft kennis genomen van het bericht dat de Indover Bank inmiddels wél tegen het FD ageert. Bij het FD was dat overigens vorige week nog niet bekend. Het Parool zal die zaak met belangstelling volgen en de uitkomst daarvan – indien nieuwswaardig – publiceren.
Verder gaf verweerder aan dat het artikel “Fraude bij Indover” niet meer op zijn website te lezen was. Bovendien bood verweerder aan om bij het artikel in het interne archief de volgende zinnen toe te voegen:
Naar aanleiding van het artikel van 6 december 2004 heeft de Indover Bank bij Het Parool geklaagd over de inhoud, die volgens Indover Bank deels onjuist zou zijn. Met name is erover geklaagd dat het witwassen van ‘drugsgeld’ niet aan de orde zou zijn, en dat het woord ‘drugsgeld’ niet door het FD – waarop Het Parool zich baseerde – is genoemd’.

Klaagster is met dit voorstel onder twee voorwaarden akkoord gegaan. De verwijdering van het artikel diende permanent te zijn en schriftelijk te worden bevestigd. De toevoeging van een tekst aan het interne archief diende beperkt te blijven tot de zin: “Naar aanleiding van het artikel van 6 december 2004 heeft de Indover Bank bij Het Parool geklaagd over de inhoud, die volgens Indover Bank deels onjuist zou zijn.” Verweerder heeft op 20 januari 2005 met deze voorwaarden ingestemd.

Op 31 januari 2005 zijn in Het Financieele Dagblad twee nieuwe publicaties over de Indover Bank verschenen onder de koppen “Bank Indover bestrijdt rapport over fraude” en “Indover: onze bank is schoon”. Deze artikelen heeft klaagster op 10 februari 2005 aan verweerder gestuurd met het verzoek om in Het Parool een nieuw, meer genuanceerd bericht te plaatsen. Dit verzoek is door verweerder op 28 februari 2005 gemotiveerd afgewezen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat het artikel “Fraude bij Indover” vele ernstige beschuldigingen bevat die door verweerder zonder deugdelijke grondslag en zonder wederhoor voor juist zijn gepresenteerd. Voorts verwijt klaagster verweerder dat hij niet tot correctie van deze beschuldigingen heeft willen overgaan, ondanks een toezegging ter zake. Daarnaast stelt klaagster dat verweerder rechtens verplicht is berichtgeving waarvan bekend is dat die op onbetrouwbare en dus ondeugdelijke bron is gebaseerd te corrigeren.
Volgens klaagster heeft verweerder met het artikel en met de op het artikel gevolgde gedragingen de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar is. Klaagster stelt zowel intern als in haar externe contacten veel hinder van het gewraakte artikel te ondervinden.
Ter zitting heeft klaagster nog benadrukt dat het feit dat Bank Indonesia commentaar weigerde te geven op de berichtgeving in Het Financieele Dagblad verweerder niet ontslaat van de verplichting wederhoor toe te passen bij Indover. Verder heeft klaagster aangevoerd dat banken en directieleden onder voortdurend toezicht van De Nederlandse Bank staan. De beschuldigingen betreffen feiten die zich 10 tot 15 jaar geleden hebben voorgedaan. Op geen enkel moment gedurende de periode die in het artikel wordt beschreven, heeft De Nederlandse Bank klaagster een sanctie opgelegd. Ook de justitiële of monetaire autoriteiten uit Nederland of Indonesië hebben niet opgetreden. Het jaren later doen van lichtvaardige beschuldigingen is volgens klaagster in strijd met hetgeen maatschappelijk aanvaardbaar is gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid. Verweerder kan zich volgens klaagster niet verschuilen achter een ‘algemeen aanvaard citaatrecht’. Het gewraakte artikel is geen citaat maar een uit verband gerukte samenvatting van het artikel in Het Financieele Dagblad. Bovendien geldt volgens klaagster sinds het arrest Thoma / Luxemburg (EHRM 29 maart 2001, NJ 2002, 159) dat alhoewel een journalist niet systematisch en formeel afstand hoeft te nemen van de inhoud van citaten, een signaal dat de inhoud niet voor eigen rekening komt wel is vereist. Dat signaal ontbrak in het artikel “Fraude bij Indover”.
Ten slotte stelt klaagster dat de regeling met verweerder niet in de weg staat aan de ontvankelijkheid of gegrondbevinding van haar klacht. Deze regeling was ingegeven door begrip voor het standpunt van verweerder die zich achter het als betrouwbaar bekend staande Het Financieele Dagblad verschool. Klaagster ging ervan uit dat als Het Financieele Dagblad iets zou publiceren, verweerder dat ook zou doen. Zo begreep klaagster de toezegging van verweerder om ‘de uitkomst – indien nieuwswaardig – te publiceren’.
Klaagster concludeert dat verweerder zich niet aan de afspraak wil houden en evenmin aan zijn verplichting om onjuistheden recht te zetten. Het gebruik van het woord ‘drugsgeld’ in het artikel van 6 december 2004 was in elk geval onjuist. In zo’n geval past een beslissing van de Raad tot gegrondbevinding van de klacht, aldus klaagster.

Verweerder stelt primair dat de Raad voor de Journalistiek klaagster niet ontvankelijk moet verklaren, dan wel haar klacht moet afwijzen aangezien hij met klaagster een afspraak heeft gemaakt. Onderdeel van deze afspraak was dat de kwestie tussen partijen zou zijn afgedaan en dat klaagster géén klacht in zou dienen. Verweerder ontkent dat hij zich niet aan de tussen partijen gemaakte afspraken zou hebben gehouden. Volgens verweerder is het duidelijk dat met de toezegging om ‘de uitkomst – indien nieuwswaardig – te publiceren’ wordt gedoeld op een uitkomst van een door klaagster aan te spannen procedure, bij de civiele rechter of bij de Raad voor de Journalistiek. Klaagster heeft echter geen procedure aangespannen. Er is weliswaar een interview geplaatst, maar dat is geen uitkomst van de zaak tussen Het Financieele Dagblad en klaagster, aldus verweerder. Daarnaast was het interview in Het Financieele Dagblad met een werknemer van klaagster niet nieuwswaardig.
Voor zover de Raad wél meent dat het klaagster nog vrij staat te klagen, betoogt verweerder subsidiair dat haar klacht dient te worden afgewezen. Het betwiste artikel in Het Parool van 6 december 2004 is volgens verweerder een feitelijk verslag van hetgeen Het Financieele Dagblad op dezelfde dag heeft gepubliceerd. In het artikel in Het Parool is ook duidelijk verwezen naar deze publicatie, aldus verweerder. Hierbij is gebruik gemaakt van het algemeen aanvaarde citaatrecht, aangezien het bronnenmateriaal waarop Het Financieele Dagblad zich baseerde niet algemeen beschikbaar was. In het artikel wordt, in tegenstelling tot hetgeen klaagster beweert, terdege het voorbehoud gemaakt dat de uitlatingen zijn gebaseerd op documenten waaruit Het Financieele Dagblad citeert. Daarnaast wordt in diverse zinsneden een voorbehoud gemaakt over de aantijgingen zelf.
Verder benadrukt verweerder dat klaagster niet heeft willen reageren op de publicatie in Het Financieele Dagblad getuige de zinsnede “Bank Indonesia weigerde commentaar” in het artikel “Indover speeltuin voor corruptie” van 6 december 2004. Van enige rectificatie, correctie, nuancering of publieke bijstelling door Het Financieele Dagblad op de artikelen van 6 december 2004 is sindsdien geen sprake geweest. In het artikel “Indover bestrijdt rapport over fraude” uit Het Financieele Dagblad van 31 januari 2005 worden de op 6 december 2004 vermelde documenten nogmaals aangehaald. Het Financieele Dagblad houdt hiermee zijn oorspronkelijke bronnen onverkort overeind. De artikelen van 31 januari 2005 in Het Financieele Dagblad zijn de weerslag van subjectieve, merendeel niet te verifiëren uitspraken en meningen van een vertegenwoordiger van klaagster, aldus verweerder. Verweerder stelt te hebben geoordeeld dat de bron en inhoud van deze artikelen onvoldoende basis vormden voor vervolg-berichtgeving.
Voorts ontkent verweerder een toezegging tot correctie te hebben gedaan, zoals klaagster stelt. De vertegenwoordiger van verweerder heeft in algemene termen gemeld dat Het Parool ‘indien nieuwswaardig’ op deze zaak zou terugkomen. Verweerder beschouwt het beoordelen van nieuwswaardigheid nadrukkelijk als zijn exclusieve domein en niet dat van klaagster. Verder sluit verweerder uitdrukkelijk niet uit dat andere feiten in deze zaak in de toekomst wel tot publicatie zouden kunnen leiden. Verweerder erkent dat het citaat ‘het witwassen van drugsgeld’ uit het artikel van 6 december 2004 onjuist is gebleken. Zoals eerder is aangegeven is van ‘drugsgeld’ geen sprake en is het gebruik van dit woord (en dit woord alleen) onjuist, aldus verweerder.
In de tussen partijen gemaakte afspraak is vastgelegd dat het artikel van de website van Het Parool zou worden verwijderd en dat bij de archiefversie van het artikel de zin: ‘Naar aanleiding van het artikel van 6 december 2004 heeft Indover Bank bij Het Parool geklaagd over de inhoud, die volgens Indover Bank deels onjuist zou zijn.’ zou worden toegevoegd. Klaagster heeft daarbij nadrukkelijk afgezien van enige toevoeging betreffende de gewraakte term ‘drugsgeld’.
Verweerder concludeert dat klaagster geruime tijd na het sluiten van de afspraak met nieuwe eisen is gekomen en verwerpt enige daaruit voortvloeiende acties van klaagster. De betwiste berichtgeving in Het Parool van 6 december 2004 is, behouden het citaat ‘het witwassen van drugsgeld’, zorgvuldig geweest. Het citeren van andere nieuwsbronnen, mits met bronvermelding, is volgens verweerder in de journalistiek algemeen aanvaard. De conclusie van klaagster dat de bron ‘onvoldoende’ zou zijn gebleken, wordt niet onderbouwd door enige publicatie in Het Financieele Dagblad noch in een ander medium. Ten slotte merkt verweerder op dat ingevolge een uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens het geen algemeen geldend vereiste is dat journalisten zich moeten distantiëren van hetgeen zij citeren. Verweerder verzoekt de Raad de klacht primair niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair niet gegrond.

BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID

Wat betreft de door verweerder opgeworpen vraag omtrent de ontvankelijkheid van klaagster overweegt de Raad het volgende.
Klaagster en verweerder hebben naar aanleiding van de publicatie van het artikel “Fraude bij Indover” via hun advocaten met elkaar gecorrespondeerd. Vervolgens is er tussen partijen een afspraak gemaakt. Klaagster en verweerder hebben, zo blijkt uit het over en weer aangevoerde, een verschillende uitleg aan deze afspraak gegeven. De uitleg van een tussen partijen gesloten overeenkomst behoort echter niet tot de bevoegdheden van de Raad. Gelet op de aard en de ernst van de aan haar adres geuite beschuldigingen heeft klaagster een direct belang bij een oordeel van de Raad over het handelen van verweerder. Klaagster is derhalve, anders dan verweerder betoogt, ontvankelijk in haar klacht.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De kern van de klacht bestaat uit de volgende onderdelen.
1. verweerder heeft ten onrechte nagelaten de ernstige beschuldigingen uit de artikelen uit Het Financieele Dagblad op hun juistheid te onderzoeken en heeft die beweringen vervolgens ten onrechte als vaststaande feiten gepresenteerd zonder hierbij wederhoor toe te passen;
2. verweerder heeft ten onrechte nagelaten deze beschuldigingen te corrigeren ondanks een toezegging daartoe;
3. verweerder heeft ten onrechte het citaat ‘witwassen van drugsgeld’ gebruikt.

Ter zake van het eerste onderdeel van de klacht overweegt de Raad dat ook als een journalist ten behoeve van een artikel put uit een eerder verschenen artikel, dat hem in het algemeen niet ontslaat van de plicht tot het toepassen van wederhoor. (vgl. onder meer: Dittrich tegen Dohmen en NRC Handelsblad, RvdJ 2002/23)
Bovendien dient een journalist volgens het vaste oordeel van de Raad bij het publiceren van ernstige beschuldigingen – waaronder ook verstaan moeten worden van derden afkomstige beschuldigingen en kwalificaties als waarvan hier sprake is – met bijzondere zorgvuldigheid te werk te gaan. Die bijzondere zorgvuldigheid brengt in het algemeen onder meer mee dat wederhoor dient te worden toegepast. Dat is in dit geval niet gebeurd. Op dit punt is de klacht derhalve gegrond.

Zoals hierboven reeds aangegeven acht de Raad zich niet bevoegd te oordelen over de inhoud en uitleg van een tussen partijen gesloten overeenkomst. Klaagster stelt zich echter op het standpunt dat verweerder ook los van de tussen partijen gemaakte afspraak verplicht zou zijn om, gelet op de vervolgpublicatie in Het Financieele Dagblad van 31 januari 2005, eveneens een andere publicatie uit te brengen. De Raad volgt dit standpunt niet, reeds omdat bedoelde berichtgeving in Het Financieele Dagblad geen correctie of rectificatie bevatte. Van een verplichting voor verweerder om tot de bedoelde vervolgpublicatie over te gaan is geen sprake. Dit onderdeel van de klacht is dan ook ongegrond.

Ten aanzien van het derde punt van de klacht overweegt de Raad dat nu verweerder heeft erkend dat het citaat ‘het witwassen van drugsgeld’ onjuist is gebleken, de klacht gericht tegen dit citaat gegrond is.

BESLISSING

Voor zover de klacht is gericht tegen het ontbreken van wederhoor en het gebruik van het citaat ‘het witwassen van drugsgeld’ is deze gegrond, en voor het overige ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in Het Parool te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 31 augustus 2005 door mw. mr. W.M.E. Thomassen, voorzitter, mw. C.J.E.M. Joosten, mw. drs. J.X. Nabibaks, mw. drs. P.C.J. van Schaveren en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg, secretaris.