2005/40 niet-ontvankelijk

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

H.D. Ulrich

tegen

de hoofdredacteur van Buitenhof (NPS/VARA/VPRO)

Bij brief van 13 juni 2005 heeft H.D. Ulrich te Maastricht (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het televisieprogramma Buitenhof (hierna: verweerder). Hierop heeft R. de Lange, eindredacteur, geantwoord in een brief van 17 juni 2005.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 8 juli 2005 buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

In de aanloop naar het referendum van 1 juni 2005 is in een aantal uitzendingen van het televisieprogramma Buitenhof aandacht besteed aan de Europese Grondwet. In een uitzending van Buitenhof op 29 mei 2005 debatteerde premier Balkenende met vier tegenstanders over de voor- en nadelen van de Europese Grondwet.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager maakt bezwaar tegen de uitzendingen van Buitenhof in het kader van de Europese Grondwet en in het bijzonder de uitzending van 29 mei 2005. Hij stelt dat de makers van het programma de journalistieke zorgvuldigheid hebben laten varen. Buitenhof heeft zich volledig onderdeel van de ‘nee-campagne’ gemaakt en het programma heeft daarmee zijn onafhankelijkheid en geloofwaardigheid verloren, aldus klager. Onplezierig hoogtepunt vond klager de uitzending van 29 mei 2005, waarin premier Balkenende tegenover vier tegenstanders van de Europese Grondwet werd gezet. De premier had geen schijn van kans en volgens klager is dat ook de bedoeling geweest. Hij vindt dit in strijd met het journalistiek evenwicht van berichtgeving. Bovendien meent klager dat na wekenlang negatieve berichtgeving het ook wel eens vier voorstanders van de Europese Grondwet hadden mogen zijn.
Ten aanzien van zijn ontvankelijkheid stelt klager dat Buitenhof onderdeel is van het publiekrechtelijk bestel dat door belastingopbrengsten wordt gefinancierd. Als Nederlands belastingbetaler meent klager dan ook een rechtstreeks belang te hebben bij de journalistieke zorgvuldigheid, onafhankelijkheid en onpartijdigheid van een vooraanstaand opiniërend politiek programma als Buitenhof. Aangezien de makers van Buitenhof deze drie regels niet in acht hebben genomen, voelt hij zich rechtstreeks in zijn belang geschaad. Dat geldt ook voor het feit dat hij als voorstander van de ‘ja-campagne’ de overtuiging heeft, dat deze campagne door Buitenhof nooit een eerlijke kans heeft gekregen.

Verweerder stelt met verbazing van de klacht kennis te hebben genomen. Hij wijst erop dat in de aanloop naar het referendum op 24 april 2005 een lang interview met de minister van Buitenlandse Zaken, Ben Bot, is uitgezonden. Voorts is op 22 mei 2005 in een uitzending van Buitenhof een ruim twintig minuten durend gesprek met Joschka Fischer, de minister van Buitenlandse Zaken van Duitsland, uitgezonden. Dit onderwerp werd in dezelfde uitzending gevolgd door een studiogesprek met voormalig Eurocommissaris Hans van den Broek, die betoogde hoe belangrijk het was om ‘ja’ te zeggen tegen de grondwet. Tot slot is in de uitzending van 29 mei 2005 premier Balkenende te gast geweest. Hij debatteerde met vier ‘kritische Europeanen’ over de voor- en nadelen van de grondwet. Halverwege die uitzending was er een gastcolumn van opnieuw Ben Bot, die geheel naar verwachting een vurig pleidooi hield voor de grondwet. Verweerder is derhalve stellig van mening dat in Buitenhof op evenwichtige wijze is deelgenomen aan het debat dat in Nederland is losgebarsten over de vraag of het grondwettelijk verdrag een verbetering van het Europees bestuur zou betekenen.

BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID

Artikel 2, eerste lid, van het Reglement van de Raad bepaalt dat een klaagschrift moet worden ingediend door een ‘rechtstreeks belanghebbende’. Volgens het vaste oordeel van de Raad kan een klager als zodanig worden aangemerkt, indien zijn belang bij de gewraakte publicatie direct betrokken is en hij door die publicatie persoonlijk in zijn belang is geraakt (vgl. Destrée tegen het Haarlems Dagblad, RvdJ 2005/25)

Klager stelt als Nederlands belastingbetaler persoonlijk belang te hebben bij een oordeel van de Raad, omdat Buitenhof onderdeel is van het publiekrechtelijk bestel dat door belastingopbrengsten wordt gefinancierd. Hoewel de Raad begrip heeft voor de gevoelens van klager, volgt hij klager niet in zijn betoog dat hij aldus als ‘rechtstreeks belanghebbende’ in de zin van het Reglement van de Raad kan worden aangemerkt. Klager is immers niet persoonlijk door de uitzendingen van Buitenhof geschaad. De kern van zijn klacht is dat in Buitenhof op een andere wijze aandacht is besteed aan de (campagnes inzake de) Europese Grondwet dan klager wenselijk acht. Een dergelijke klacht is van een dermate algemeen karakter dat niet kan worden gezegd dat deze betrekking heeft op een door de uitzendingen van Buitenhof direct betrokken belang van klager. Klager is derhalve in zijn klacht niet-ontvankelijk.

BESLISSING

Klager is in zijn klacht niet-ontvankelijk.

De Raad verzoekt verweerder bijvoorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van Buitenhof en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op zijn website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 25 juli 2005 door mr. A. Herstel, voorzitter, prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, mw. drs. M.G.N. Mathot en mw. mr. H.M.A. van Meurs, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. L. Egmond, plaatsvervangend secretaris.